6. Sulamith, die de van liefde gloeiende lofspraken van Salomo zoekt te ontwijken: Totdat de dag aankomt, of koel wordt, en de schaduwen vlieden, zal ik het park ingaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel 1) en daar op een eenzaam lommerrijk plekje in stille overpeinzing toeven, ver van het ruisende feestgejubel in de bruiloftszaal.
1) De mirreberg en wierookheuvel zijn zeker welbekende, bijzonder lieve plekjes in het park geweest, waar wellicht opgehoogde, heuvelachtige bedden met allerzeldzaamste welriekende planten zich bevonden..
Door vele uitleggers wordt gemeend, dat Salomo ook deze woorden gesproken heeft. En vandaar dat men ze zeer moeilijk heeft weten te pas te brengen. Het zijn echter geen woorden van Salomo, maar van Sulamith. Waar de koning hare schoonheid prijst en breed uitmeet, daar gevoelt zij zich die onwaardig, en spreekt er van, om zich in de eenzaamheid terug te trekken, totdat de dag is voorbijgegaan. Dit geldt ook in geestelijken zin van de Bruid van Christus. Waar de Heere, naar Mattheus 25, haar prijst en zalig spreekt, daar spreekt zij het op haar beurt uit, dat zij zich van al die dingen niets bewust is.
Genade maakt klein, maakt ootmoedig. Hoe meer genade de Heere God aan ene ziele bewijst, des te meer zal zij in zich zelf niets worden, om alleen en enkel schoonheid te zien in Hem, die haar heeft lief gehad.