Job 11:13-20
Evenals de andere twee gedaan hebben, moedigt ook Zofar Job hier aan om op betere tijden te hopen, zo hij slechts in een betere gemoedsstemming wil komen.
I. Hij geeft hem goede raad, vers 13, 14, zoals Elifaz gedaan heeft, Hoofdst. 5:8, en Bildad, Hoofdst. 8:5. Hij wenst dat hij berouw zal hebben en tot God zal wederkeren. Let op de stappen van die terugkeer:
1. Hij moet een blik slaan naar binnen, van zin veranderd worden, hij moet de boom goed maken. Hij moet zijn hart bereiden, daar moet het werk van de bekering en van de verbetering een aanvang nemen. Het hart, dat van God was afgedwaald, moet terugkeren tot Hem, dat verontreinigd was door de zonde en in wanorde gebracht, moet gereinigd en wederom in orde gebracht worden, dat wankelend was, worden vastgesteld, dat is de betekenis van het woord. Het hart is bereid om God te zoeken, als het vast besloten is om dit te doen, en niet te rusten voor het gedaan is.
2. Hij moet opzien en zijn handen uitbreiden tot God, dat is: hij moet zich opwekken om God aan te grijpen, tot Hem bidden met vurigheid en aandrang, worstelen in het gebed in de verwachting genade en barmhartigheid van Hem te verkrijgen. De Heere de hand te geven betekent ons aan Hem over te geven en een verbond met Hem te maken, 2 Kronieken 30:8. Dit moet Job doen en om het te doen, moet hij zijn hart bereiden. Job had gebeden, maar Zofar wil dat hij op een betere wijze zal bidden, niet als een appellant, maar als een ootmoedig smekeling.
3. Hij moet wat er in zijn handel en wandel verkeerd is verbeteren, want anders zullen zijn gebeden geen verhoring vinden. Indien er ondeugd in uw hand is, dat is: "indien er zonde is, waarin gij nog leeft, die gij nog bedrijft, doe die verre, verre weg, laat er van af met verfoeiing en heilige verontwaardiging, vast besluitende er niet toe weer te keren, er nooit meer iets mee van doen te hebben, Ezechiël 18:31, Hosea 14:9, Jesaja 30:22. Indien er enig gewin van de ongerechtigheid, enigerlei goed, verkregen door onrecht en verdrukking, in uw hand is, geef het weer," zoals Zacheus gedaan heeft, Lukas 19:8, "schud uw handen uit dat zij het niet behouden,"" Jesaja 33:15. De schuld van de zonde wordt niet weggenomen, indien het gewin van de zonde niet wordt teruggegeven.
4. Hij moet zijn uiterste best doen, om ook zijn gezin te verbeteren. "Laat het onrecht in uw tenten niet wonen. Laat uw huis geen toevlucht, geen schuilplaats zijn voor goddelozen, laat er geen slechte handelingen in gepleegd, geen door onrecht verkregen schatten in gevonden worden." Hij vermoedde dat Jobs talrijk gezin slecht bestuurd werd en dat, waar velen waren, velen slecht waren en dat het verderf, de ondergang, van zijn gezin de straf was van zijn goddeloosheid. Indien hij nu verwachtte dat God in gunst tot hem zal wederkeren, dan moet hij wat daar verkeerd was verbeteren, en hoewel er goddeloosheid in zijn tenten kan komen, moet hij er haar niet in laten blijven, Psalm 101:3 en verv.
II. Hij verzekert hem van troost en welvaren indien hij deze raad opvolgt, vers 15 en verv. Indien hij tot berouw en bekering wil komen, dan zal hij ongetwijfeld gerust en gelukkig zijn, alles zal wederom wèl wezen. Misschien heeft Zofar te kennen gegeven dat, zo God niet spoedig zo'n verandering in zijn toestand zou brengen, hij en zijn vrienden bevestigd zouden worden in hun mening dat hij een geveinsde was voor God en de mensen. Toch spreekt hij ook een grote waarheid uit, namelijk dat "het werk van de gerechtigheid vrede zal zijn en de werking van de gerechtigheid gerustheid en zekerheid zal zijn tot in eeuwigheid," Jesaja 32:17.
Zij, die zich in oprechtheid tot God wenden, kunnen verwachten:
1. Dat zij met een heilig vertrouwen tot God zullen kunnen opzien: "Dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken naar de hemel, gij zult met vrijmoedigheid tot de troon van de genade komen", en niet met die vrees en verschrikking, uitgedrukt in Hoofdst. 9:34. Indien ons hart ons niet veroordeelt wegens geveinsdheid en onboetvaardigheid, dan hebben wij vrijmoedigheid tot God, in ons naderen tot Hem, en onze verwachtingen van Hem, 1 Johannes 3:21. Als wij worden aangezien in het aangezicht van de Gezalfde, dan kan ons aangezicht dat treurig en verslagen was, opgeheven worden, dat verontreinigd was, nu gewassen zijnde in het bloed van Christus, zonder vlek worden opgeheven. Als "ons hart gereinigd is van het kwaad geweten, dan kunnen wij toegaan met een waarachtig hart," Hebreeën 10:22. Sommigen verstaan dit van zijn eerherstel voor de mensen, Psalm 37:6. Als wij verzoend zijn met God, dan kunnen wij met blijmoedigheid onze vrienden in het aangezicht zien.
2. Een heilige kalmte in henzelf. Gij zult vast wezen en niet vrezen. Hun hart vast zijnde, "zullen zij voor geen kwaad gerucht vrezen" Psalm 112:7. Job was nu vol van verwarring en verbijstering, wijl hij op God zag als zijn vijand en met Hem twistte, maar Zofar verzekert hem dat, zo hij zich wilde verootmoedigen, zich aan God wilde onderwerpen, zijn hart vast zou worden, en dat hij verlost zou worden van de opzettende vrees, die hij voor God koesterde en die zijn hart zozeer ontroerde. Hoe minder wij verschrikt zijn, hoe vaster wij zullen wezen, en bijgevolg, hoe meer geschikt voor onze dienst en voor ons lijden.
3. Dat zij met vertroosting kunnen terugzien op hun vroeger lijden, vers 16. "Gij zult de moeite vergeten, zoals de moeder de pijn en benauwdheid van het baren niet gedenkt om de blijdschap dat het kind is geboren. Gij zult volkomen bevrijd wezen van de indrukken, die zij bij u heeft teweeggebracht, en harer gedenken als van de wateren, die voorbijgegaan zijn, of uit een vat gegoten worden, en smaak noch kleur noch geur nalaten. De wonden uwer tegenwoordige beproeving zullen volkomen genezen zijn, er zullen niet slechts geen littekenen van overblijven, maar ook geen pijn." Job heeft gepoogd zijn klacht te vergeten, Hoofdst. 9:27, maar bevond dat hij het niet kon, zijn ziel gedacht nog aan de alsem en gal, maar Zofar geeft hem hier het middel aan de hand om haar te vergeten: hij brenge door geloof en gebed zijn smarten en zorgen tot God, en late ze bij Hem, en dan zal hij ze vergeten. Waar de zonde zwaar weegt, wordt de beproeving licht geacht. Als wij onze zonden recht gedenken, dan zullen wij vergelijkenderwijs ons leed vergeten, en nog veel meer zal dit zo zijn, als wij de troost verkrijgen van verzegelde vergeving en vrede. Hij, wiens ongerechtigheid is vergeven, zal niet zeggen ik ben ziek, maar dat vergeten, Jesaja 4. Een troostrijk vooruitzicht op hun toekomstige vrede. Zofar denkt Job hiermede te bemoedigen in antwoord op de vele wanhopende uitdrukkingen, die hij gebruikt heeft, alsof het vruchteloos voor hem zou zijn om te hopen dat hij ooit weer goede dagen zal zien in deze wereld. "Maar gij zult die wel zien," zegt Zofar, "en goede nachten ook." Hij geeft hem hoop op een gezegende verandering.
A. Zijn licht was nu wel verduisterd maar het zal wederom helder schijnen, helderder dan ooit, vers 17. Zelfs zijn ondergaande zon zal glansrijker wezen dan de middagzon, en zijn avond schoon als de morgen, zowel ten opzichte van eer als van genot, zijn licht zal opgaan in de duisternis, Jesaja 58:10, de zware donkere wolk, van achter welke zijn zon zal doorbreken, zal haar glans en luister des te meer doen uitkomen-dat het zelfs in zijn ouderdom zal schijnen, en die kwade dagen zullen voor hem goede dagen zijn. Zij, die zich waarlijk tot God bekeren, beginnen dan te schijnen als lichten. Hun pad is als het schijnend licht, dat toeneemt, het einde van hun dag zal de volkomenheid ervan zijn, en hun avond in deze wereld zal hun morgenstond wezen in een betere.
B. Hij was nu in voortdurende vrees en verschrikking, maar dan zal hij leven in heilige rust en veiligheid, vers 18. Gij zult vellig wezen omdat er hoop is. Zij, die door genade een goede hoop hebben in God en op de hemel, zijn voorzeker veilig en hebben reden om gerust te zijn, hoe zwaar en moeilijk de tijden voor hen ook zijn in deze wereld. Hij, die in oprechtheid wandelt, kan aldus veilig wandelen, omdat, ofschoon er ellende, moeite en gevaar is, er ook hoop is, dat alles ten laatste wèl zal wezen. Hoop is "een anker van de ziel," Hebreeën 6:19. "Gij zult om u heen graven", dat is: "Gij zult zo veilig wezen als een leger in zijn verschansing." Zij, die zich aan Gods regering onderwerpen, zullen onder Zijn bescherming worden genomen, en dan zijn zij veilig bij dag en bij nacht.
a. Bij dag, als zij buiten aan het werk zijn, "Gij zult graven in veiligheid, gij en uw dienstknechten voor u, en niet weer aangevallen worden door de plunderaars, die op uw dienstknechten aanvielen toen zij ploegden," Hoofdst. 1:14. Het maakt geen deel uit van de beloofde voorspoed, dat hij in luiheid en ledigheid zal leven, maar dat hij een werk, een roeping zal hebben, en haar zal volgen, en als hij in die roeping aan de arbeid is, dan zal hij onder Gods bescherming wezen. Gij zult graven en veilig wezen, niet roven en veilig wezen, de weg des plichts is de weg van de veiligheid.
b. Bij nacht, als zij zich tehuis ter ruste leggen: gij zult gerustelijk slapen-en de slaap des arbeiders is zoet-in veiligheid, niettegenstaande de gevaren van de duisternis. De wolkkolom bij dag zal een vuurkolom wezen bij nacht. "Gij zult nederliggen, vers 19, niet genoodzaakt te dwalen, waar geen plaats is om er uw hoofd op neer te leggen, niet genoodzaakt te waken en op te zitten, verwachtende aangevallen te worden, maar op de bestemde tijd zult gij naar bed gaan, en niet alleen zal niemand u schade of leed doen, maar niemand zal u verschrikken." Het is een groot voorrecht een grote zegen om rustige nachten met ongestoorde slaap te hebben, dat zeggen zij, die het gedruis van de krijg horen. En het middel om rustig te zijn, is God te zoeken en ons te bewaren in Zijn liefde. Niets behoeft diegenen bevreesd te maken, die tot God weerkeren als tot hun rust, en Hem tot hun woning nemen, Psalm 71:3.
C. Thans is hij gesmaad, geminacht, maar dan zal hij gezocht worden. "Velen zullen u zoeken en het in hun belang achten uw vriendschap te verwerven." Het zijn zij, die grote wijsheid bezitten of er de naam van hebben die rijk en machtig zijn, die gezocht worden. Zofar kende Job zo goed, dat hij voorzag dat hoe laag zijn ebbe thans ook wezen mocht indien ooit het getij zou verkeren, de vloed zo hoog als ooit stijgen zou, en dat hij wederom de lieveling van zijn land wezen zou. Zij, die op de rechte wijze God zoeken, zullen waarschijnlijk de dag zien, wanneer anderen hen zoeken, zoals de dwaze maagden de wijze maagden gezocht hebben: Geeft ons van uw olie.
Eindelijk. Zofar besluit met een kort woord nopens het lot van de goddelozen, vers 20. Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken. Hij schijnt te vermoeden dat Job zijn raad niet zal volgen, en nu zegt hij hem wat daarvan komen zou, hem de dood voorstellende zowel als het leven. Zie wat er worden zal van hen, die omkomen in hun goddeloosheid en zich niet willen beteren en bekeren.
1. Zij zullen noch in deze, noch in de andere wereld het goede zien, met de hoop waarop zij zich hebben gevleid. Teleurstelling zal hun deel wezen, hun schande, hun eindeloze pijniging. Hun ogen zullen bezwijken door uit te zien naar hetgeen nooit komen zal. "Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting," Spreuken 11:7. Hun hoop zal wezen als een ademtocht, verdwenen, heengegaan, om niet te kunnen weerkeren, of hun hoop zal vergaan, zoals wanneer iemand de geest geeft. Zij zal hun falen als zij haar het meest nodig hebben, en toen zij de verwezenlijking ervan verwachtten, zij zal wegsterven, van hen wegvlieden, en hen beschaamd en verlegen achterlaten.
2. Zij zullen het kwaad niet kunnen ontvlieden, waarvoor zij soms vrezen, zij zullen aan de tenuitvoerlegging van het vonnis, dat over hen uitgesproken is niet kunnen ontkomen. Zij, die niet vluchten willen tot God, zullen het moeilijk vinden om weg te vluchten van Hem.