Handelingen 9:36-43
Hier hebben wij een nog groter wonder, gewrocht door Petrus ter bevestiging van het Evangelie-de opwekking van Tabitha, dat is: hare terugbrenging tot het leven, nadat zij reeds enigen tijd dood was. Hier is:
I. Ene schets van het leven, den dood en het karakter van Tabitha, aan wie dat wonder was geschied, vers 36, 37.
1. Zij woonde te Joppe, ene zeehaven in den stam van Dan, waar Jona zich heeft ingescheept om naar Tarsis te gaan, en die nu Jaffa wordt genoemd.
2. Haar naam was Tabitha, een Hebreeuwse naam, in het Grieks Dorkas, de betekenis er van, in het Grieks, zowel als in het Hebreeuws, is ene hinde, een liefelijk schepsel. Naftali wordt vergeleken bij ene losgelatene hinde, schone woorden sprekende, en de huisvrouw van een vriendelijk en teder echt- genoot is als de zeer liefelijke hinde, en als een aangenaam steengeitje, Spreuken 5:19.
3. Zij was ene discipelin, ene, die het geloof van Christus had omhelsd en gedoopt was, en daarenboven was zij uitnemend boven velen in werken van barmhartigheid, waarvan zij vol was, dat is: waarin zij overvloedig was, haar hoofd was vervuld van zorgen en bedenksels op wat wijze zij goed zou kunnen doen. Zij beraadslaagde milddadigheden, Jesaja 32:8. Hare handen waren vol van goede bezigheid, zij beschouwde het als haar werk, goed te doen, zij was nooit ledig, zij had geleerd goede werken voor te staan, Titus 3:8. Zij was vol van goede werken, zoals een boom vol is van vruchten. Velen zijn vol van goede woorden, die ledig en onvruchtbaar zijn in goede werken, maar Tabitha was ene grote daderes, gene grote praatster, Non magna loquimur, sed vivimus Wij spreken gene grote dingen, wij leven ze, of beleven ze. Onder andere goede werken, was zij ook merkwaardig om hare aalmoezen, die zij deed, niet slechts hare werken der Godsvrucht, die goede werken zijn en vruchten des geloofs, maar werken van barmhartigheid en der weldadigheid, voortvloeiende uit liefde tot den naaste en ene heilige minachting van deze wereld. Zij wordt geprezen, niet slechts voor de aalmoezen, die zij gaf, maar voor de aalmoezen, die zij deed. Zij, die gene goederen hebben, om in liefdadigheid weg te geven, kunnen toch wel in staat zijn liefdadigheid te doen, werkende met hun handen, of lopende met hun voeten ten gunste en voordele der armen. En zij, die gene daad der barmhartigheid willen doen, zouden-wàt zij ook mogen zeggen of beweren-ook gene gave der barmhartigheid geven, al waren zij ook rijk. Zij was vol van aalmoezen, hoon epoiei -die zij maakte, er wordt nadruk gelegd op haar doen er van, omdat zij wat hare hand hierin vond te doen, met al hare macht gedaan heeft, en er in volhardde. Het waren aalmoezen, die zij zich niet voorstelde en voornam te doen, en niet zei te zullen doen, maar die zij deed, niet, die zij begon te doen, maar die zij deed, die zij voleindigde te doen, 2 Corinthiërs 8:11, 9:7. Dat is het leven en het karakter van ene zekere discipelin, en behoort het te wezen van alle discipelen van Christus, want, indien wij aldus veel vrucht dragen, dan zijn wij waarlijk Zijne discipelen, Johannes 15:8.
4. In het midden van al hare werkzaamheid werd zij weggenomen, vers 37, het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf. Aan hen, die zich verstandiglijk gedragen jegens de ellendigen, is beloofd, niet dat zij nooit ziek zullen zijn, maar dat de Heere hen zal ondersteunen op het ziekbed, hen zal versterken met kracht in hun ziel, en in hun ziekte hun ganse leger zal veranderen, het gemakkelijk zal maken, Psalm 41:2, 4. Zij kunnen niet hopen of verwachten nooit te zullen sterven, (weldadige lieden worden weg geraapt, en weldadige vrouwen ook, getuige Tabitha,) maar zij kunnen hopen barmhartigheid te vinden bij den Heere, in dien dag, 2 Timotheus 1:18.
5. Hare vrienden, en die haar omringden hebben haar niet, gelijk de gewoonte was, dadelijk begraven, omdat zij de hoop koesterden, dat Petrus komen zou om haar in het leven terug te roepen, maar zij wiesen het dode lichaam, naar de gewoonte, dat, volgens men zegt, met warm water geschiedde, hetgeen, indien er nog leven in het lichaam aanwezig was, het zou opwekken, zodat dit geschiedde om te tonen, dat zij wel wezenlijk en werkelijk dood was. Zij beproefden alle gewone middelen om de levensgeesten bij haar op te wekken, maar konden het niet. Zij legden haar in de opperzaal, die, naar Dr. Lightfoot denkt, waarschijnlijk de vergaderzaal der gelovigen in die stad geweest is, en dáár legden zij het lichaam opdat Petrus, indien hij kwam, haar in die plaats met des te meer plechtigheid tot het leven terug zou roepen.
II. Het verzoek, dat hare Christelijke vrienden tot Petrus zonden, om met allen spoed tot hen te komen, niet om de begrafenis bij te wonen, maar om die wellicht te voorkomen, vers 38. Lydda, waar Petrus zich nu bevond, was nabij Joppe, en de discipelen te Joppe hadden vernomen, dat Petrus daar was, en dat hij Eneas van een ziekbed had opgericht. Daarom zonden zij twee mannen tot hem, ten einde de boodschap eerbiedig en plechtig te doen zijn, biddende dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen, hem niet te kennen gevende waarom, of wat er van de zaak was, opdat hij uit nederigheid niet zou weigeren te komen voor zo groot ene daad, als het opwekken van ene dode. Indien zij er slechts in slagen hem te doen komen, zullen zij de zaak aan hem overlaten. Hun vriendin was gestorven, het was dus te laat om een doctor te laten roepen, maar niet te laat om Petrus te zenden. Post mortem medicus -een geneesheer na den dood is ene ongerijmdheid, maar niet Post mortem apostolus -een apostel na den dood.
III. De houding, waarin hij de overlevenden vond bij zijne komst, vers 39. Petrus stond op en ging met hen. Hoewel zij niet zeiden, waarvoor zij zijne komst begeerden, was hij toch bereid om met hen te gaan, gelovende, dat zij hem voor de ene of andere goede zaak hadden laten roepen. Laten de gelovige leraren niet morren, als zij op ieders wenk gereed moeten zijn, voor zoveel dit in hun vermogen is, als de grote apostel zich zelven allen dienstbaar gemaakt heeft, 1 Corinthiërs 9:19. Hij vond het dode lichaam in ene opperzaal gelegd, waar zich weduwen bevonden, die waarschijnlijk tot de gemeente behoorden, arme weduwen. Daar stonden zij en spraken:
1. Tot lof der overledene, een goed werk, als er werkelijk iets te loven valt, iets dat ter navolging kan worden aanbevolen, zonder vleierij voor de nagelatene betrekkingen, en zonder nevenbedoelingen, maar zuiver en alleen tot verheerlijking van God, en ter opwekking van anderen tot hetgeen prijzenswaardig is. De lof van Tabitha was gelijk aan hare eigene deugden, zij bestond niet in het woord, maar in de daad. Er waren hier gene lofspraken op haar in redevoeringen, gene gedichten ter harer gedachtenis, maar de weduwen toonden de rokken en klederen, die Dorcas gemaakt had voor haar, en haar geschonken heeft, als zij bij haar was. Zolang als hij leefde, was het de vertroosting van Job dat de lendenen van den nooddruftige hem gezegend hebben, omdat hij verwarmd werd van de vellen zijner lammeren, Job 31:20. En hier was het tot ere van Tabitha, toen zij gestorven was, dat de weduwen haar prezen om de klederen, die zij voor haar gemaakt had. En diegenen worden voorzeker het best geprezen, wier werken hen prijzen in de poorten, hetzij zij al of niet door de woorden van anderen geprezen worden. En het is veel eervoller om een gezelschap van oude, afgeleefde weduwen te kleden, die voor den dag en den nacht kleding nodig hebben, en voor hare weldoeners zullen bidden, als zij haar niet zien, dan een troep luie knechten in rijke livreien te kleden, die hen, die hen kleden, misschien achter hun rug vloeken, Prediker 7:21, en het is iets, waarin allen, die wijs en goed zijn, genot en behagen zullen vinden, want goedheid is ware grootheid, en daar zal men vroeg of laat altijd ene goede rekening bij vinden. Merk op:
A. In welk kanaal Tabitha veel van hare liefdadigheid deed vloeien. Ongetwijfeld waren er ook andere voorbeelden van hare aalmoezen, die zij deed, maar dit voorbeeld werd hier nu bijgebracht: zij scheen met hare eigene handen rokken en klederen gemaakt te hebben voor de arme weduwen, die wellicht door haar handen arbeid aan den kost konden komen, maar te arm waren om kleren te kopen. En dit is een voortreffelijk werk van barmhartigheid: als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, Jesaja 58:7, en het niet genoeg denkt te zijn om te zeggen: Wordt warm, Jakobus 2:15, 16.
B. Welk een gevoel van dankbaarheid de armen hadden voor hare goedheid en vriendelijkheid. Zij toonden de rokken, zich niet schamende te erkennen, dat zij haar de klederen, die zij aan het lijf hadden, verschuldigd waren. Diegenen zijn wel gruwelijk ondankbaar, die de vriendelijkheid, hun betoond, niet willen erkennen, zoals deze arme weduwen haar hier erkenden. Zij, die aalmoezen ontvangen, zijn niet zo verplicht om dit te verbergen, als zij, die aalmoezen geven. Als de armen zich ongunstig uitlaten over de rijken, omdat zij liefdeloos en onbarmhartig zijn, dan moeten zij zich eens afvragen, of zij niet ontevreden en ondankbaar zijn. Haar tonen van de rokken en klederen, die Dorcas gemaakt had, strekte niet alleen tot lof van hare barmhartigheid, maar ook van hare naarstigheid in overeenstemming met den aard der deugdzame huisvrouw: zij steekt hare handen uit naar de spil, of ten minste naar de naald, en dan breidt zij hare handpalm uit tot den ellendige, en steekt zij hare handen uit tot den nooddruftige met hetgeen zij gewerkt heeft. En wanneer God en de armen aldus het hun toekomende gehad hebben, dan maakt zij voor zich tapijtsieraad, en is hare kleding fijn linnen en purper, Spreuken 31:19-22.
2. Zij betreurden haar verlies. De weduwen stonden bij Petrus, wenende. Als de weldadige lieden worden weg geraapt, dan moet men dit ter harte nemen, inzonderheid moeten zij het ter harte nemen, voor wie zij op bijzondere wijze weldadig zijn geweest. Zij behoefden om haar niet te wenen, zij was weggenomen voor den dag des kwaads, zij rust van haren arbeid en hare werken volgen met haar, maar zij wenen om zich zelven en om hare kinderen, die spoedig het gemis van zulk ene goede vrouw zullen leren kennen, die haars gelijke niet achterlaat. Zij hebben gelet op het goed, dat Dorcas gedaan had, als zij bij haar was, maar nu is zij heengegaan van haar, en dat is de smart. De weldadigen zullen bevinden, dat zij de armen altijd met hen hebben, maar het is kostelijk, als de armen bevinden, dat zij de weldadigen altijd met hen hebben. Wij moeten goed gebruik maken van de lichten, die wij nog ene wijle bij ons hebben, want zij zullen niet altijd bij ons zijn, zullen niet lang met ons zijn, en als zij heen zijn gegaan, dan zullen wij denken aan hetgeen zij deden, toen zij met ons waren. De weduwen schijnen voor het aangezicht van Petrus te hebben geweend, als om hem te bewegen om, zo hij iets vermocht, zich over haar te ontfermen en haar te helpen. en ene vrouw terug te roepen in het leven, die zich altijd over haar ontfermd heeft. Als weldadige lieden gestorven zijn, dan kunnen wij ze niet terug bidden in het leven, maar als zij ziek zijn, dan zijn wij hun dit bewijs van dankbaarheid verschuldigd, dat wij bidden om hun herstel, dat zij, indien het de wil Gods is, in het leven mogen gespaard worden, die nog zo slecht gemist kunnen worden op aarde.
IV. De wijze, waarop zij in het leven teruggeroepen werd. 1. In stilte, zonder vele omstanders. Zij was in de opperzaal gelegd, waar zij hun openbare bijeenkomsten hadden, en er schijnt veel gedrang om het dode lichaam geweest te zijn, in de verwachting van hetgeen geschieden zou. Maar Petrus heeft hen allen uitgedreven, al de wenende weduwen, allen, behalve enige naaste bloedverwanten, of wellicht de voorgangers der gemeente, om zich met hem in het gebed te verenigen, zoals Christus ook gedaan had, Mattheus 9:25. Aldus heeft Petrus alles vermeden wat op verwaandheid of praalvertoning geleek. Zij kwamen om te zien, maar hij is niet gekomen om gezien te worden. Hij heeft allen uitgedreven, opdat hij des te vrijer en ongedwongener zijne ziel voor God zou kunnen uitstorten in het gebed bij deze gelegenheid, en niet gestoord zou worden door hun luidruchtige weeklachten.
2. Door gebed. In zijne genezing van Eneas was het gebed stilzwijgend begrepen, maar in dit grotere werk richtte hij zich tot God in plechtig gebed, zoals Christus, toen Hij Lazarus heeft opgewekt. Maar Christus' gebed was met de macht eens Zoons, die levend maakt, die Hij wil, het gebed van Petrus was in de onderworpenheid van een dienstknecht, die onder leiding staat, daarom knielde hij neer en bad.
3. Door het woord, een levenwekkend woord, een woord van geest en leven. Hij keerde zich tot het lichaam, hetgeen aanduidt, dat hij, toen hij bad, er zich van afgekeerd had, opdat de aanblik, het zien van dat dode lichaam, zijn geloof niet zou ontmoedigen, hij zag naar een anderen kant, om ons te leren, om met Abraham tegen hoop op hoop te geloven, over de moeilijkheden, die in den weg zijn, heen te zien, het lichaam niet aanmerkende, dat alrede verstorven is, opdat wij aan de beloftenis Gods niet twijfelen, Romeinen 4:29. Maar nadat hij had gebeden, keerde hij zich tot het lichaam, en sprak in den naam zijns Meesters, en naar Zijn voorbeeld: "Tabitha, sta op, keer terug tot het leven". Er ging kracht uit met dit woord, zij kwam terug tot het leven, opende de ogen, die de dood had gesloten. Zo is ook bij de opwekking van dode zielen tot geestelijk leven, het eerste teken van leven het openen van de ogen van den geest, Hoofdstuk 26:18. Toen zij Petrus zag, zat zij overeind, om te tonen, dat zij wezenlijk en waarlijk levend was, en, vers 41, hij gaf haar de hand en richtte ze op, niet alsof zij nog zwak was, maar omdat hij haar, als het ware, verwelkomen wilde in haar hernieuwd leven, en gaf haar de rechterhand der gemeenschap onder de levenden, van wie zij door den dood was afgesneden. Eindelijk: hij riep de heiligen en de weduwen, die allen leed droegen om haren dood, en stelde ze levend voor hen, tot hun grote vertroosting, inzonderheid van de weduwen, die haar dood zeer ter harte hadden genomen. Hij stelde ze haar voor, zoals Elia, 1 Koningen 17:23, en Elisa, 2 Koningen 4:36, en Christus, Lukas 7:15, de dode zonen levend aan hun moeders voorstelden. De grootste vreugde wordt uitgedrukt door leven uit de doden.
V. De goede uitwerking van dat wonder.
1. Velen werden er door overtuigd van de waarheid van het Evangelie, dat het uit den hemel was, en niet uit de mensen, en geloofden in den Heere, vers 42. Het werd bekend door geheel Joppe. Weldra zal ieder er van spreken, en daar het ene stad van zeevaarders was, zal het bericht er van weldra ook naar andere plaatsen komen, en hoewel sommigen er nooit over nadachten, heeft het op anderen toch invloed geoefend. Het was het doel der wonderen ene Goddelijke openbaring te bevestigen.
2. Petrus werd hierdoor bewogen, nog enigen tijd in die stad te verwijlen, vers 43. Bevindende, dat hem aldaar ene deur geopend was, bleef hij er vele dagen, totdat hij er van weggeroepen werd voor werk aan ene andere plaats. Hij bleef niet in het huis van Tabitha, hoewel zij rijk was, opdat hij niet den schijn zou hebben zijne eigene eer te zoeken, maar hij verbleef bij een zekeren Simon, een lederbereider, een gewoon man van zaken, hetgeen een voorbeeld is van zijne inschikkelijkheid en nederigheid, en hiermede heeft hij ons geleerd, niet te trachten naar de hoge dingen, maar ons te voegen tot de nederigen. En hoewel Petrus daar nu in onbekendheid scheen te leven in dit huis van een armen leerlooier aan de zee, heeft God hem toch van daar geroepen en heengezonden om een groot werk te doen, hetgeen in het volgende hoofdstuk verhaald wordt, want die zich vernederen zullen verhoogd worden.