Handelingen 9:32-35
Hier hebben wij:
I. Petrus' bezoek aan de gemeenten, die door de verstrooide predikers gesticht waren, vers 32.
1. Hij is alom doorgetrokken. Als apostel moest hij niet de vaste leraar zijn van ene gemeente, maar de rondreizende bezoeker van vele gemeenten, om de leer te bevestigen van de mindere predikers, den Heiligen Geest mede te delen aan hen, die geloofden, en leraren te ordenen. Hij trok-dia pantoon -onder hen allen, die tot de gemeenten behoorden van Judea, Galilea en Samaria, die in het vorige hoofdstuk zijn vermeld. Hij was, gelijk zijn Meester, altijd op reis, en ging het land door goeddoende, maar zijn hoofdkwartier was nog te Jeruzalem, want daar zullen wij hem in de gevangenis vinden, Hoofdstuk 12.
2. Hij kwam tot de heiligen, die te Lydda woonden. Die plaats schijnt dezelfde te wezen als Lod, ene stad in den stam van Benjamin, vermeld in 1 Kronieken 8:12, Ezra 2:33. De Christenen worden heiligen genoemd, niet slechts enkelen in het bijzonder, enkele voortreffelijken, zoals Petrus en Paulus maar iedere oprechte belijder van het geloof van Christus. Dezen zijn de heiligen, die op de aarde zijn, Psalm 16:3. II. De genezing door Petrus gewerkt bij Eneas, een man, die acht jaren te bed gelegen had, vers 33.
1. Zijn toestand was beklagenswaardig, hij was geraakt, hij leed aan verlamming. Hij was zeer ziek, bedlegerig, hij leed aan ene verouderde kwaal, die hem nu reeds acht jaren machteloos op het bed hield uitgestrekt, en wij kunnen onderstellen, dat hij zelf evenals de hem omringenden, op gene genezing meer hoopte, en niet anders dacht, dan dat hij op dit bed zou blijven liggen, totdat hij er van weggedragen werd naar het graf. Christus heeft kranken, als deze uitgekozen, wier kwalen volgens den gewonen loop der natuur ongeneeslijk waren, om te tonen, hoe wanhopig de toestand van het gevallen mensdom was, toen Hij er de genezing van ondernomen heeft. Toen wij, evenals deze arme man, krachteloos waren, zond Hij Zijn woord uit en heelde ons.
2. Zijne genezing was zeer bewonderenswaardig, vers 34. Petrus heeft Christus' belangstelling en hulp voor dit geval ingeroepen, en den zieke van Zijne hulp en redding verzekerd: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond. Petrus geeft niet voor dit zelf te doen, het te doen door enigerlei kracht of macht, die hij bezat, hij verklaart, dat het Christus, daad is, en spoort hem aan om tot Christus op te zien, ten einde hulp te verkrijgen, en zo verzekert hij hem ene onmiddellijke genezing, niet: "Hij zal u gezond maken", maar "Hij maakt u gezond." Hij verzekert hem ook ene volkomene genezing, niet: "Hij geeft u verlichting van uw lijden", maar "Hij neemt het lijden weg, Hij maakt u gezond". Hij gebruikt gene uitdrukking als van gebed tot Christus om hem gezond te maken, neen, hij spreekt als van Christus macht hebbende ontvangen, en Zijn voornemen kennende, en zo verklaart hij hem gezond gemaakt. Hij gebood hem zich te bewegen, zich in te spannen: "Sta op, en spreid u zelven het bed, opdat allen kunnen zien, dat gij volkomen genezen zijt". Laat niemand zeggen, dat, wijl het Christus is, die door de kracht Zijner genade onze werken in ons werkt, wij daarom geen werk, geen plicht te doen hebben, want, hoewel Jezus Christus u gezond maakt, moet gij toch opstaan, en de kracht gebruiken die u gegeven is. Sta op, en spreid u zelven het bed voor een ander gebruik dan tot nu toe, het zal nu een rustbed voor u wezen, niet langer een ziekbed. Er ging kracht uit met het woord: hij stond dadelijk op, en heeft ongetwijfeld zeer gaarne en bereidwillig, zijn bed gespreid. III. Den goeden invloed, die hierdoor op velen geoefend werd, vers 35. Zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat ieder afzonderlijk persoon in die plaatsen kennis heeft genomen van het wonder, en er onder den invloed van is gekomen, maar velen, de mensen in de stad Lydda in het algemeen, en die van de streek van Sarona, ene vruchtbare vlakte, of vallei, waarvan voorzegd werd. Saron zal tot ene schaapskooi worden, Jesaja 65:10.
1. Zij deden allen onderzoek naar de waarheid van het wonder. Zij zagen hem, die genezen was, en zagen dat het ene wonderdadige genezing was, door de kracht van Christus, in zijn naam aan hem gewerkt, met de bedoeling de leer van Christus, die thans aan de wereld gepredikt werd, te bevestigen en te bekrachtigen.
2. Allen onderwierpen zich aan het overtuigend bewijs, dat hierin was gelegen, van den Goddelijken oorsprong der Christelijke leer, en zij bekeerden zich tot den Heere, tot den Heere Jezus, zij bekeerden zich van het Judaïsme tot het Christendom, omhelsden de leer van Christus en onderwierpen zich aan Zijne ordonnantiën, zij gaven zich aan Hem over, om door Hem geregeerd, onderwezen en zalig gemaakt te worden.