Handelingen 9:23-31
Lukas maakt hier gene melding van Paulus' reize naar Arabië, waarvan hij zelf ons mededeelt, dat zij terstond na zijne bekering plaats had, Galaten 1:16, 17. Zodra God Zijn Zoon in hem had geopenbaard, opdat hij dezelve onder de Heidenen zou verkondigen, ging hij niet naar Jeruzalem, om van de apostelen instructies ie ontvangen, (zoals ieder ander bekeerling, die voor den Evangeliedienst bestemd was, gedaan zou hebben,) maar hij ging naar Arabië, waar een nieuw veld was te ontginnen, en waar hij gelegenheid zou hebben niet om te leren, maar om te onderwijzen, en van daar keerde hij terug naar Damascus, en daar heeft drie jaren na zijne bekering plaats gehad, wat hier verhaald wordt.
I. Te Damascus had hij met moeilijkheden te kampen, en ter nauwernood is hij er aan ontkomen gedood te worden. Merk op:
1. Het gevaar, vers 23. De Joden hielden samen raad om hem te doden, daar zij meer vertoornd waren op hem, dan op enigen anderen prediker van het Evangelie, niet alleen omdat hij vuriger en ijveriger was in zijne prediking dan de anderen, en meer voorspoed had, maar omdat hij een zo merkwaardig afvallige was van hen, en omdat het feit, dat hij een Christen was, tegen hen getuigde. In vers 24 wordt gezegd, dat de Joden de poorten bewaarden, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten. Zij wekten den toorn van den stadhouder tegen hem op, hem voorstellende als een gevaarlijk man, die deswege de stad bezette, om hem te vangen, 2 Corinthiërs 11:32. Nu toonde Christus aan Paulus hoeveel hij om Zijn naam moest lijden, vers 16, daar de regering zich tegen hem wapent. Saulus was niet zodra een Christen, of hij was een prediker, niet zodra een prediker, of een lijder, zo spoedig is hij in zijne bevordering opgeklommen tot aan den hoogsten rang! Waar God grote genade geeft, oefent Hij haar gewoonlijk door grote beproevingen.
2. Hoe hij verlost werd.
A. De aanslag, dien zij tegen hem hadden beraamd, werd ontdekt, hun lage werd Saulus bekend, of het door tijding was uit den hemel, of door een bericht van mensen, wordt ons niet gezegd.
B. De discipelen slaagden er in hem weg te krijgen, waarschijnlijk door hem over dag te verbergen, en daar de poorten bewaakt werden, zodat hij door deze niet kon ontkomen, werd hij, zoals hij zelf ons verhaalt, 2 Corinthiërs 11:33, door hen in ene mand over den muur neergelaten, en ontvlood hij hun handen. Uit deze geschiedenis zien wij, dat wij, als wij op Gods weg gaan, verzoeking moeten verwachten, en er ons dus op moeten voorbereiden, maar ook, dat de Heere de Godzaligen uit de verzoeking weet te verlossen, en dat Hij met de verzoeking ook de uitkomst zal geven, opdat wij van den weg Gods niet weggedreven zouden worden.
II. Hij ondervond moeilijkheden te Jeruzalem, toen hij er zich de eerste maal heen begaf, vers 26. Hij kwam te Jeruzalem. Men denkt, dat dit de reize is, waarvan hij zelf gewag maakt, Galaten 1:18. Daarna kwam ik, zegt hij, na drie jaren weer te Jeruzalem, om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. Ik ben echter geneigd te geloven, dat die reize eerder heeft plaats gehad, want zijn in- en uitgaan met hen, zijn prediken en zijn handelen met de Griekse Joden, vers 28, 29, schijnt niet in vijftien dagen te hebben kunnen geschieden, daarvoor was meer tijd nodig. En behalve dat, nu kwam hij als vreemdeling, maar toen kwam hij historêsai Petron -om met Petrus te beraadslagen, als iemand met wie hij innig vertrouwd was. Evenwel, het is mogelijk, dat het dezelfde reize was. Merk nu op:
1. Hoe schuw de vrienden van hen waren, vers 26. Toen hij te Jeruzalem kwam, ging hij niet naar de overpriesters en de Farizeeën (hen had hij reeds lang vaarwel gezegd,) maar hij poogde zich bij de discipelen te voegen. Waar hij ook kwam, overal bekende hij zich als een van die verachte en vervolgde lieden, en verkeerde met hen. In zijne ogen waren zij nu de heerlijken, in dewelke al zijn lust was. Hij verlangde bekend met hen te zijn, toegelaten te worden tot gemeenschap met hen, maar zij zagen hem vreemd aan, sloten hun deur voor hem, en wilden gene Godsdienstoefening houden, als hij tegenwoordig was, want zij vreesden hem allen. Nu zou Paulus in verzoeking kunnen zijn, om te denken, dat hij zich in een slechten toestand bevond, daar de Joden hem verlieten en vervolgden, en de Christenen hem niet wilden ontvangen of aannemen. Aldus valt hij in menigerlei verzoeking, en heeft, evenals wij allen, de wapenen der gerechtigheid nodig, aan de rechter- en aan de linkerzijde, teneinde niet mismoedig te worden, hetzij door de onrechtvaardige behandeling onzer vijanden, of de onvriendelijke behandeling onzer vrienden.
A. Zie wat de oorzaak was van hun vrees voor hem: Zij geloofden niet, dat hij een discipel was, maar het slechts voorgaf, om als een spion en aanbrenger onder hen te komen. Zij wisten welk een heftige vervolger hij geweest was, met welk ene woede van ijver hij voor enigen tijd naar Damascus was gegaan. Nu hadden zij sinds niet meer van hem gehoord, en daarom dachten zij, dat hij slechts een wolf in schaapsklederen was. De discipelen van Christus moeten voorzichtig zijn omtrent hen, die zij tot hun gemeenschap toelaten. Gelooft niet een iegelijk geest. Er is de voorzichtigheid nodig van de slang, om het midden te houden tussen de uitersten, van achterdocht aan den enen kant, en van lichtgelovigheid aan den anderen kant. Mij dunkt, dat het echter veiliger is om te dwalen naar den kant der liefde, omdat het ene besliste zaak is, dat het beter is, dat er onkruid onder de tarwe wordt gevonden, dan dat er iets van de tarwe uitgetrokken en van den akker weggeworpen wordt.
B. Zie, hoe die oorzaak wordt weggenomen, vers 27. Barnabas leidde hem tot de apostelen zelven, die niet zo schroomvallig waren als de mindere discipelen bij wie hij zich eerst poogde te voegen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had, en wat Hij tot hem gezegd had. Hij deelde hun ook mede, wat hij daarna voor Christus gedaan heeft, hoe hij te Damascus vrijmoediglijk gesproken had in den naam van Jezus. Hoe Barnabas dit te weten was gekomen eerder dan de anderen, wordt ons niet gezegd. Het kan zijn, dat hij zelf te Damascus was geweest, of brieven van daar had ontvangen, of wel, dat hij met sommigen uit die stad had gesproken, waardoor dit ter zijner kennis was gekomen. Misschien is hij vroeger met Paulus in de Griekse synagogen bekend geweest, of aan de voeten van Gamaliël, en heeft hij van hem zelven zulk een bericht van zijne bekering gehoord, dat hij reden zag om er geloof aan te slaan. Hoe dit zij, zelf overtuigd zijnde, heeft hij ook de apostelen omtrent hem overtuigd, want hij, Paulus zelf, had van de discipelen te Damascus geen getuigenis medegebracht, denkende, dat hij niet, gelijk sommigen, brieven van aanbeveling nodig had, 2 Corinthiërs 3:1. 1) Pas bekeerden tot de gemeenschap der gelovigen in te leiden is een zeer goed werk, waartoe wij, als wij er de gelegenheid toe hebben, gaarne bereid moeten zijn.
2. Hoe heftig zijne vijanden tegen hem waren. A. Hij werd toegelaten tot de gemeenschap der discipelen, hetgeen voor zijne vijanden gene kleine ergernis was. Het vertoornde de ongelovige Joden Saulus te zien als ene trofee van Christus, een overwonnene door Zijne genade, hem, die zulk een kampioen was geweest voor hun zaak, hem te zien ingaande en uitgaande met de apostelen, vers 28, en te horen, hoe zij roemden in hem, of liever, hoe zij, in hem, God verheerlijkten.
B. Hij trad krachtig op voor de zaak van Christus, dit was hun nog meer tot ergernis, vers 29. Hij sprak vrijmoediglijk in den naam des Heeren Jezus. Zij, die voor Christus spreken, hebben reden om vrijmoediglijk te spreken, want zij staan ene goede zaak voor, en spreken voor Enen, die ten laatste voor zich zelven zal spreken, en voor hen ook. De Griekse, of Hellenistische Joden waren het meest aan hem geërgerd, omdat hij een hunner geweest is, en zij wikkelden hem in een twistgesprek, waarin hij hun ongetwijfeld te sterk bleek, zoals hij dit ook voor de Joden te Damascus was geweest. Een der martelaren zei, dat zij wel niet voor Christus een twistgesprek kon voeren, maar dat zij toch voor Hem kon sterven. Paulus kon beiden. Nu heeft de Heere Jezus in Saulus van den sterk gewapende den roof uitgedeeld. Want diezelfde natuurlijke vlugheid van bevatting en vurigheid van geest, die hem, toen hij nog in onwetendheid en ongeloof was, tot een woedenden, blinden ijveraar en vervolger van het geloof maakte, heeft hem nu tot een zeer ijverigen en kloekmoedigen verdediger van het geloof gemaakt.
C. Dit bracht zijn leven in gevaar, aan welk levensgevaar hij ternauwernood is ontkomen. Toen de Griekse Joden bemerkten, dat zij in een twistgesprek niet tegen hem waren opgewassen, poogden zij hem op ene andere wijze tot zwijgen te brengen. Zij trachtten hem te doden, zoals zij Stefanus gedood hadden, toen zij niet konden weerstaan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak, Hoofdstuk 6:10. Het is ene slechte zaak, die zich slechts door vervolging kan handhaven. Maar er werd ook van die samenspanning bericht gegeven, en goed zorg gedragen voor dezen jongen kampioen, vers 30. Doch de broeders dit verstaande, horende welk complot er tegen hem beraamd werd, geleidden hem tot Cesarea. Zij herinnerden zich hoe de terdoodbrenging van Stefanus, na zijn twistgesprek met de Griekse Joden, het begin was van ene zware vervolging, en daarom vreesden zij opnieuw zulk ene ader geopend te zien, en haastten zij zich om Paulus uit den weg en in veiligheid te brengen. Hij, die vlucht, kan later wederom strijden, hij die vluchtte van Jeruzalem, kan dienst doen te Tarsus, zijne geboorteplaats. Daarheen wensten zij, dat hij gaan zou, in de hoop, dat hij er veiliger met zijn werk kon voortgaan dan te Jeruzalem. Maar het was ook op ene aanwijzing van den hemel, dat hij toen Jeruzalem verliet, zoals hij ons zelf mededeelt in Hoofdstuk 22:17, 18, dat Christus hem toen verscheen en hem gebood, inderhaast uit Jeruzalem te gaan, want dat Hij hem ver tot de Heidenen zou afzenden, vers 21. Zij, door wie God werk heeft te doen, zullen beschermd worden tegen al de aanslagen hunner vijanden, totdat hun werk gedaan is. Christus' getuigen kunnen niet gedood worden, voor zij hun getuigenis voleindigd hebben.
II. De gemeenten hadden nu een liefelijken tijd van vrijheid en vrede, vers 31. De gemeenten dan hadden vrede. Dan, dat is toen Saulus bekeerd was, denken sommigen, toen die vervolger weggenomen was, waren diegenen tot kalmte gekomen, die hij placht te prikkelen, en toen hadden diegenen rust, die hij placht te kwellen. Of, dan, toen hij vertrokken was van Jeruzalem, kwam de woede der Griekse Joden een weinig tot bedaren, en wilden zij, nu Saul uit den weg was, verdraagzamer zijn jegens de andere predikers. Merk hier op: 1. De gemeenten hadden vrede. Na een storm ontstaat kalmte. Hoewel wij altijd op moeilijke tijden voorbereid moeten zijn, mogen wij toch verwachten, dat zij niet altoos voortduren zullen. Dit was nu een tijd van verademing, die hun vergund werd, om hen voor te bereiden voor den komenden strijd. De gemeenten, die reeds gesticht waren, waren voor het merendeel in Judea, Galilea en Samaria, binnen de grenzen dus van het Heilige Land. Dáár waren de eerste Christelijke gemeenten, waar Christus zelf er den grondslag voor had gelegd.
2. Van dien helderen, kalmen tussentijd maakten zij een goed gebruik. In stede van zich aan gerustheid en brooddronkenheid over te geven in den dag van hun voorspoed, waren zij overvloediger in plichtsbetrachting, maakten zij een goed gebruik van hun rust.
A. Zij werden gesticht, opgebouwd in hun heilig geloof, hoe vrijer en gestadiger zij van de middelen van kennis en genade konden genieten, hoe meer zij in kennis en genade toenamen.
B. Zij wandelden in de vreze des Heeren, zij gaven zelven nog meer het voorbeeld van een heiligen, hemelsen wandel. Zij leefden zo, dat allen, die met hen omgingen. konden zeggen: Gewis! de vreze Gods heerst in deze lieden.
C. Zij wandelden in de vertroosting des Heiligen Geestes, zij waren niet slechts getrouw en gelovig, maar blijmoedig, zij hielden zich aan de wegen des Heeren, en zongen op die wegen. De vertroosting des Heiligen Geestes was hun grootste blijdschap. Zij hadden toegang tot de vertroosting des Heiligen Geestes, leefden en teerden er op, niet slechts in dagen van kommer en benauwdheid, maar ook in de dagen van vrede en voorspoed. Toen zij het meest volle en vrije genot hadden van de vertroostingen, of genietingen der aarde, konden dezen hen niet bevredigen zonder de vertroosting des Heiligen Geestes. Let op het verband tussen deze twee zaken: toen zij wandelden in de vreze des Heeren, wandelden zij ook in de vertroosting des Heiligen Geestes. Zij, die voorzichtiglijk wandelen, zullen hoogstwaarschijnlijk ook blijmoedig wandelen.
3. God zegende het voor hen ter toeneming van hun getal: Zij werden vermenigvuldigd. Soms vermenigvuldigt zich de kerk te meer omdat zij verdrukt wordt, zoals Israël in Egypte, maar indien het altijd zo ware, zou dit de heiligen des Allerhoogsten verstoren. Op andere tijden draagt hare rust bij tot haren wasdom en toeneming, daar zij de gelegenheden voor de leraren verruimt om het woord te prediken, en diegenen lokt, die in het eerst afgeschrikt waren door het lijden. Of: toen zij wandelden in de vreze des Heeren en in de vertroosting des Heiligen Geestes, werden zij vermenigvuldigd. Aldus kunnen zij, die niet gewonnen worden door het woord, nog gewonnen worden door den wandel der belijders.