Handelingen 8:26-40
Wij hebben hier de geschiedenis van de bekering van den Ethiopischen kamerling tot het geloof van Christus, door wie, naar wij reden hebben te geloven, de kennis van Christus gezonden werd naar het land, waar hij woonde, en die Schrift werd vervuld: Morenland zal zich haasten zijne handen tot God uit te strekken (een der eersten van de volken) Psalm 68:32.
1. Filippus, de Evangelist, wordt geleid op den weg, waar hij dezen Moorman, of Ethiopiër, zal ontmoeten, vers 26. Toen de gemeenten in Samaria gevestigd waren, en er leraren bij haar aangesteld waren, keerden de apostelen weer naar Jeruzalem, maar Filippus blijft, verwachtende gebruikt te worden tot verderen arbeid in dat land. En hier hebben wij:
1. Ene aanwijzing, hem gegeven door een' engel (waarschijnlijk in een droom, of nachtgezicht,) naar welke richting hij zich moest wenden: Sta op, en ga henen tegen het Zuiden. Hoewel engelen niet gebruikt werden, om het Evangelie te prediken, werden zij toch dikwijls gebruikt om aan leraren boodschappen over te brengen van raad en bemoediging, zoals in Hoofdstuk 5:19, 20. Wij kunnen thans zulke gidsen niet verwachten op onzen weg, maar ongetwijfeld is er ene bijzondere voorzienigheid Gods omtrent de vestiging of de verplaatsing van de bedienaren van het Evangelie. Op de ene of andere wijze zal Hij diegenen leiden en besturen, die Hem oprechtelijk begeren te volgen, en hen brengen op den weg, waar Hij hen zal zegenen, Zijn oog zal op hen zijn. Hij moet Zuidwaarts gaan, op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, door de woestijn van Juda. Filippus zou er nooit aan gedacht hebben daarheen te gaan, in ene woestijn, op een gewonen weg door de woestijn. Het is niet zeer waarschijnlijk, dat hij dáár werk zal vinden! Maar daarheen wordt hij toch heengezonden, overeenkomstig de gelijkenis van onzen Heiland, waarin Hij de roeping der Heidenen voorzegt: Gaat op de uitgangen der wegen, MATTHEUS 22:9. Soms opent God ene deur voor Zijne dienstknechten, waar men dit gans niet verwacht zou hebben.
2. Zijne gehoorzaamheid aan dit bevel, vers 27. Hij stond op en ging henen, zonder tegenwerpingen te maken, of ook maar te vragen: "Wat heb ik dáár te doen?" Of, "welke waarschijnlijkheid is er om dáár goed te doen?" Hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zou, of wie hij zou ontmoeten.
II. Er wordt een bericht gegeven van dezen kamerling, vers 27, wie en wat hij was, aan wie deze onderscheidende gunst te beurt viel.
1. Hij was een vreemdeling, een Moorman, of Ethiopiër. Er waren twee Ethiopiës, het ene in Arabië, maar dat lag ten Oosten van Kanaän, deze man schijnt echter van Ethiopië in Afrika geweest te zijn, hetwelk Zuidwaarts lag, boven Egypte, dus ver van Jeruzalem, want, overeenkomstig de belofte, zijn in Christus zij die verre waren, nabij gebracht, opdat al de einden der aarde Zijn heil zouden zien. De Ethiopiërs werden beschouwd als het laagste en verachtelijkste van alle volken, zij waren zwart, alsof de natuur hen wilde schandvlekken, maar toch wordt hun het Evangelie gezonden, en de Goddelijke genade bestraalt hen, hoewel zij zwart zijn, en de zon hen heeft beschenen.
2. Hij was een persoon van aanzien, een groot man in zijn land, een eunuch, niet in zijn lichaam, maar naar zijn ambt, een kamerheer, of schatmeester, en, hetzij wegens het aanzienlijke van zijn ambt, of wegens zijn persoonlijk karakter, dat achting afdwong, was hij een man van groot gezag, een machtig heer onder Candace, de koningin der Moren, of Ethiopiërs, die waarschijnlijk ene opvolgster was van de koningin van Scheba, die de koningin van het Zuiden wordt genoemd, dat land door koninginnen geregeerd wordende, die den algemenen naam van Candace droegen, zoals de koningen van Egypte Farao werden geheten. Hij was over al haren schat, zo groot een vertrouwen stelde zij in hem. Niet vele machtigen, niet vele edelen zijn geroepen, maar toch sommigen.
3. Hij was een proseliet van den Joodsen Godsdienst, want hij was gekomen om te Jeruzalem te aanbidden. Sommigen denken, dat hij een proseliet der gerechtigheid was, die besneden was en de feesten hield, anderen, dat hij slechts een proseliet der poort was, een Heiden, maar die de afgodendienst had verlaten, en nu en dan den God Israël's aanbad in het voorhof der Heidenen, maar, indien dit zo was, dan is Petrus niet de eerste geweest, die den Heidenen het Evangelie heeft gepredikt, en hij zegt, dat hij dit wèl was. Sommigen denken, dat er sedert den tijd van de koningin van Scheba altijd nog enige kennis van den waren God in dat land was overgebleven, en waarschijnlijk was een voorvader van dezen kamerling een dergenen, die haar hadden vergezeld, en had deze aan zijne nakomelingschap overgeleverd wat hij te Jeruzalem geleerd had.
III. Filippus en de kamerling worden tot elkaar gebracht, en nu zal Filippus de reden gewaar worden, waarom hij naar ene woestijn is gezonden, want daar ontmoet hij een wagen, die hem tot synagoge zal dienen, en een man, wiens bekering, voor zoveel hij weet, de bekering van geheel een volk ten gevolge zal hebben.
1. Aan Filippus wordt bevolen zich bij dezen reiziger te voegen, die op zijn terugweg is van Jeruzalem naar Gaza, in de mening, dat hij de zaak, waarvoor hij zijne reize had ondernomen, afgedaan had, terwijl de grote zaak, waartoe de besturende voorzienigheid Gods haar bestemd had, nog ongedaan was. Hij was te Jeruzalem geweest, waar de apostelen het Christelijk geloof predikten, en grote scharen het beleden, en toch had hij er gene kennis van genomen, er geen onderzoek naar gedaan, ja zelfs schijnt het, dat hij het had veronachtzaamd, of gering geacht, het den rug had toegekeerd. Maar Gods genade vervolgt hem, bereikt hem in de woestijn, en daar overwint zij hem. Aldus wordt God dikwijls gevonden van hen, die naar Hem niet vraagden, Jesaja 65:1. Filippus ontving dit bevel, niet gelijk te voren, door een engel, maar door den Geest, die hem toefluisterde, vers 29, "Ga toe, en voeg u bij dezen wagen, ga zo dicht er bij, dat de man, die er in is, u opmerkt". Wij moeten er ons op toeleggen om goed te doen aan hen, die wij op den weg ontmoeten, aldus kunnen de lippen des rechtvaardigen velen voeden. Wij moeten niet zo schuw en terughoudend zijn met vreemdelingen als waarmee sommigen zich op een afstand van hen houden. Van hen, van wie wij niets anders weten, weten wij toch dit: dat zij zielen hebben.
2. Hij vindt hem lezende in zijn Bijbel, terwijl hij daar in zijn wagen zat, vers 28. Hij liep toe, en hoorde hem lezen, hij las overluid ten behoeve van hen, die bij hem waren, vers 30. Hij deed dit niet slechts als ene afleiding wegens het vervelende van de reis, maar hij wilde den tijd uitkopen door te lezen, niet over wijsbegeerte, geschiedenis of politiek, en nog veel minder een roman of een drama, maar de Schrift, het boek van Jesaja, het boek, waarin Christus gelezen heeft, Lukas 4:17, en waarin nu ook deze kamerling las, waardoor dit boek zeer bijzonder ons ter lezing wordt aanbevolen. Wellicht heeft de kamerling nu die gedeelten der Schrift overgelezen, die hij te Jeruzalem had horen lezen en verklaren, ten einde in gedachten te houden wat hij had gehoord. Het is ieders plicht zich zeer vertrouwd te maken met de Schrift. Personen van aanzien en rang moeten nog meer dan anderen overvloedig zijn in de oefening der Godsvrucht, omdat hun voorbeeld op velen invloed kan uitoefenen, en omdat zij meer tijd ter hunner beschikking hebben. Mensen van zaken zullen wijs doen, als zij den tijd uitkopen voor heilige plichten. De tijd is kostbaar, en het is de beste spaarzaamheid ter wereld om de overgeschotene brokken van den tijd op te nemen, opdat niets verloren ga, ieder ogenblik te besteden aan iets, dat goede winst zal opleveren. Als wij van den openbaren eredienst komen, dan moeten wij in de binnenkamer, of in huis, middelen gebruiken, waardoor de goede indrukken, die wij hebben ontvangen, levendig worden gehouden, 1 Kronieken 29:18. Zij, die naarstig de Schrift onderzoeken, zijn goed op weg om toe te nemen in kennis, want aan dien, die heeft, zal gegeven worden.
3. Hij doet hem ene duidelijke vraag: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? Niet bij wijze van minachting of verwijt, maar om hem zijne hulp aan te bieden. Het is van het hoogste belang voor ons, om wat wij horen en lezen van het woord Gods te verstaan, inzonderheid wat wij horen en lezen betreffende Christus, en daarom behoren wij ons dikwijls af te vragen of wij het al of niet verstaan hebben.
Hebt gij dit alles verstaan? Mattheus 13:51. En hebt gij het recht verstaan? Wij kunnen aan de Schrift geen nut ontlenen, tenzij wij haar enigermate verstaan, 1 Corinthiërs 14:16, 17. En, geloofd zij God, wat ons ter zaligheid nodig is, is gemakkelijk te verstaan.
4. In de bewustheid van zijne behoefte aan hulp, wenst hij het gezelschap van Filippus te hebben, vers 31. "Hoe zou ik toch kunnen, zegt hij, zo mij niet iemand onderricht? Daarom, klim toch op, en zit bij mij". Hij spreekt als iemand, die zeer lage gedachten omtrent zich zelven koesterde, gering dacht over zijne eigene gaven en bekwaamheid. Menigeen, minder aanzienlijk dan deze kamerling, zou zich door de vraag van Filippus beledigd hebben geacht, hem een onbeschaamden indringer hebben genoemd, en hem hooghartig gezegd hebben zijns weegs te gaan, en zich met zijne eigene zaken te bemoeien. Maar deze kamerling heeft er zich zo weinig beledigd door geacht, dat hij, gans integendeel, de vraag zeer vriendelijk opneemt, en het bescheiden antwoord geeft: hoe zou ik toch kunnen? Wij hebben reden te geloven, dat hij een verstandig, ontwikkeld man was, evengoed bekend met de betekenis der Schrift als de meesten, en toch bekent hij ootmoedig zijne zwakheid. Zij, die willen leren, moeten inzien, dat zij het nodig hebben onderwezen te worden. De profeet moet eerst erkennen, dat hij niet weet wat deze dingen zijn, en dan zal de engel het hem zeggen, Zacheria 4:13. Hij spreekt als iemand, die begerig is onderwezen te worden, iemand te hebben, die hem op den weg leidt. Hij las de Schrift, hoewel er vele dingen in waren, die hij niet verstond. Hoewel er in de Schrift vele dingen zijn, zwaar om te verstaan, en die dikwijls verkeerd worden verstaan, moeten wij haar daarom toch niet ter zijde werpen, maar haar bestuderen om den wille van die dingen, die gemakkelijk te begrijpen zijn, daar dit het beste middel is om langzamerhand en trapsgewijze tot het rechte verstand te komen van de dingen, die moeilijk zijn, want kennis en genade nemen langzamerhand toe. Hij nodigde Filippus om bij hem in den wagen te komen, niet zoals Jehu Jonadab bij zich in den wagen nam, om zijn ijver aan te zien voor den Heere, 2 Koningen 10:16, maar veeleer: "Kom, en zie hoe onwetend ik ben, en onderricht mij". Hij wil Filippus gaarne de eer bewijzen van hem bij zich in het rijtuig te nemen, indien Filippus hem de gunst wil bewijzen van hem een gedeelte der Schrift te verklaren. Om de Schrift recht te verstaan, hebben wij iemand nodig om ons den weg te wijzen, goede boeken, of goede, Godvruchtige mensen, maar bovenal den Geest der genade, om ons in alle waarheid te leiden. V. Nu hebben wij hier het deel der Schrift, dat de kamerling las, met enige aanduiding van hetgeen Filippus er over zei. De predikers van het Evangelie hadden spoedig vat op hen, die bekend waren met de Schriften van het Oude Testament, en deze aannamen, inzonderheid als zij hen bezig vonden, zoals deze kamerling hier, met ze te bestuderen.
1. Het hoofdstuk, dat hij las, was het drieën-vijftigste van Jesaja, waarvan hier twee verzen worden aangehaald, vers 32, 33, nl. een gedeelte van het zevende en achtste vers van Jesaja 53. Zij worden hier gegeven naar de overzetting der Septuaginta, die in sommige dingen verschilt van het oorspronkelijke Hebreeuws. Hugo de Groot is van mening, dat de kamerling het Hebreeuws las, maar dat Lukas de vertaling der zeventigen volgt, als meer voegend bij de taal, waarin hij schreef, en hij onderstelt, dat de kamerling van de vele Joden, die in Ethiopië waren, beide hun Godsdienst en hun taal geleerd heeft. Daar echter de overzetting van de Septuaginta in Egypte geschiedde, het land, dat aan Ethiopië grensde, en tussen Ethiopië en Jeruzalem was gelegen, geloof ik veeleer, dat deze vertaling hem het meest bekend was. Uit Jesaja 20:4 blijkt, dat er veel gemeenschap was tussen deze twee volken, -die van Egypte en van Ethiopië. Het grootste verschil met den Hebreeuwsen tekst is, waar in het oorspronkelijke staat: Hij is uit den angst, of uit den kerker-1) en uit het gericht weggenomen (met de uiterste gewelddadigheid en haast voortgejaagd van den enen rechterstoel naar den anderen, of, door geweld en gericht was hij weggenomen, dat is: het was door de woede des volks, en hun onophoudelijk getier en het oordeel van Pilatus hierop, dat hij was weggenomen,) wordt hier gelezen: in zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen. Hij scheen zo gering en verachtelijk in hun ogen, dat zij Hem de gewone gerechtigheid weigerden, en tegen alle recht en billijkheid in, waarop iedere mens toch recht en aanspraak heeft, hebben zij Hem onschuldig verklaard en toch veroordeeld, om te sterven. Gene misdaad kan tegen Hem bewezen worden, maar Hij is vernederd en vernietigd, en dus: weg met Hem! Aldus is in Zijne vernedering Zijn oordeel weggenomen, en zo komt de betekenis hiervan tamelijk op hetzelfde neer als die van den Hebreeuwsen tekst. Zodat deze verzen de voorzegging bevatten van den Messias:
A. Dat Hij zal sterven, ter slachting geleid, als schapen, die ten offer worden aangeboden, dat Zijn leven van onder de mensen weggenomen zal worden van de aarde. Hoe weinig reden was er dan voor, dat de dood van Christus een struikelblok zou zijn voor de ongelovige Joden, als hij toch zo duidelijk voorzegd was door hun eigene profeten, en zo noodzakelijk was voor de volbrenging van Zijne onderneming! De ergernis van het kruis is daarmee weggenomen.
B. Dat Hij onrechtvaardiglijk ter dood gebracht zal worden, Zijn oordeel is weggenomen, Hem geschiedt gene gerechtigheid, want Hij moet uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn, of, het zal zonder Zijne schuld zijn.
C. Dat Hij geduldig zal sterven, gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, ja, en ook voor dien, die het slacht, alzo doet Hij Zijn mond niet open. Nooit was er een voorbeeld van zoveel geduld, als dat van onzen Heere Jezus onder Zijn lijden: toen Hij beschuldigd en gescholden werd, zweeg Hij, heeft Hij niet weder gescholden, noch gedreigd.
D. Dat Hij toch tot in eeuwigheid zal leven, tot in eeuwen, die niet geteld kunnen worden, want aldus versta ik de woorden: Wie zal Zijn geslacht verhalen. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de duur van een leven, Prediker 1:4. Wie nu kan zich voorstellen of uitdrukken, hoe lang Hij, niettegenstaande dit alles, voortduren zal, want Zijn leven wordt slechts van de aarde weggenomen, in den hemel zal Hij ontelbare eeuwen, ja eindeloos, leven, zo als volgt in Jesaja 53:10 :Hij zal de dagen verlengen.
2. De vraag van den kamerling luidt: Van wie zegt de profeet dit? vers 34. Hij verlangt van Filippus gene kritische opmerkingen op de woorden of uitdrukkingen, of op de idiomen van de taal, maar dat hij hem bekend zal maken met de algemene strekking en het doel der profetie, hem een sleutel zal geven bij welks gebruik hij, door het ene met het andere te vergelijken, tot de betekenis der bijzondere plaatsen kan doordringen. In profetieën is gewoonlijk iets duisters, totdat zij verklaard worden door de vervulling, zoals dit ook met deze profetie het geval was. Het is ene gewichtige vraag, die hij doet, en ook ene zeer verstandige: "Zegt de profeet dit van zich zelven, in de verwachting van evenals de andere profeten behandeld, of liever mishandeld te worden, of zegt hij het van iemand anders, in zijn eigen tijd, of in een toekomenden tijd?" Hoewel de hedendaagse Joden niet willen erkennen, dat dit van den Messias gezegd werd, hebben hun leraren van ouds het toch aldus verklaard, en wellicht heeft de kamerling dit geweten, en heeft hij het ten dele zelf aldus verstaan, heeft hij de vraag slechts gesteld, om er een gesprek met Filippus over aan te knopen. Want het middel om toe te nemen in wetenschap is de geleerden te raadplegen. Gelijk men uit den mond des priesters de wet moet zoeken, Maleachi 2:7, zo moet men het Evangelie, inzonderheid dat deel van den schat, dat verborgen is in den akker van het Oude Testament, zoeken uit den mond der dienaren van Christus. Het middel om goed onderricht te verkrijgen, is goede vragen te doen.
3. De schone gelegenheid, die hem gegeven wordt, gebruikt Filippus om de grote verborgenheid te ontsluiten van het Evangelie betreffende Jezus Christus, en dien gekruist. Hij begon van die Schrift, nam dit voor zijn tekst, (zoals Christus ene andere plaats uit diezelfde profetie genomen heeft, Lukas 4:21,) en verkondigde hem Jezus, vers 35. Dat is geheel het verslag, dat ons van Filippus' leerrede gegeven wordt, omdat zij in doel en strekking gelijk was aan die van Petrus, die ons te voren werd meegedeeld. Wat Evangeliedienaren te doen hebben, is Jezus te prediken, en dat is de prediking, waarvan het waarschijnlijk is te achten. dat zij goed zal doen. Waarschijnlijk heeft Filippus nu gebruik kunnen maken van de gave der talen, zodat hij aan dezen Ethiopiër Christus kon prediken in de taal van zijn land. En hier hebben wij een voorbeeld van het spreken over de dingen Gods, en dat wel met zeer uitnemend gevolg, niet slechts als wij in ons huis zitten, maar ook als wij op den weg gaan, volgens dien regel in Deuteronomium 6:7.
V. De kamerling wordt gedoopt in den naam van Christus, vers 36-38. Het is waarschijnlijk, dat de kamerling te Jeruzalem van de leer van Christus had gehoord, zodat zij niet gans en al nieuw voor hem was. Maar gesteld, dat dit zo was, wat vermocht dit dan voor het snelle winnen van zijn hart voor Christus? Het was ene krachtige werking des Geestes met en door de prediking van Filippus, die dat doel heeft bereikt. Nu hebben wij hier:
1. Het bescheiden voorstel van den kamerling om gedoopt te worden, vers 36. Als zij overweg reisden, sprekende van Christus, de kamerling nog meer vragen doende, die door Filippus naar zijn genoegen beantwoord werden, kwamen zij aan een zeker water, ene bron, rivier, of poel, welks aanblik den kamerling de gedachte ingaf om gedoopt te worden. Aldus herinnert God Zijn volk soms door wenken Zijner voorzienigheid, die toevallig schijnen, aan hun plicht, waaraan zij anders wellicht niet gedacht zouden hebben. De kamerling wist niet hoe klein ene wijle Filippus misschien bij hem blijven zou, noch waar hij later onderzoek naar hem zou kunnen doen. Hij kon niet verwachten, dat hij met hem tot aan de volgende pleisterplaats zou reizen, indien Filippus het dus goed acht, dan zou hij van de gelegenheid, die zich nu aanbood, gebruik willen maken, om gedoopt te worden. "Ziedaar water, dat wij misschien in lang niet weer ontmoeten zullen, wat verhindert mij gedoopt te worden? Kunt gij mij ene reden aantonen, waarom ik niet door den doop als een discipel en volgeling van Christus zou toegelaten worden?" Hij eist niet gedoopt te worden, hij zegt niet: Hier is water, en hier ben ik, vast besloten om gedoopt te worden" want indien Filippus er bezwaar tegen heeft, dan is hij bereid om er voor het ogenblik van af te zien. Indien hij hem niet geschikt vindt, om gedoopt te worden, of indien er in de vastgestelde wet van deze instelling iets is, dat zulk ene spoedige toediening er van niet toelaat, dan wil hij er niet op aandringen. De grootste ijver en vurigheid moet zich toch aan orde en regel onderwerpen. Maar wèl begeert hij den doop, en, tenzij Filippus hem kan aantonen waarom het niet mag, begeert hij hem thans, en wil hij hem niet uitgesteld zien. In de plechtige toewijding van ons zelven aan God is het goed te haasten en niet te vertragen, Psalm 119:60, want de tegenwoordige tijd is de beste tijd. Zij, die de zaak hebben ontvangen, waarvan de doop het teken is, moeten niet uitstellen ook het teken te ontvangen. De kamerling vreesde, dat de goede gezindheid, die thans in hem werkte, zou verkoelen en afnemen, en daarom wenste hij zijne ziel onmiddellijk aan den Heere verbonden te zien door de banden des doops.
2. Hoe Filippus hem rond en open verklaarde op welke voorwaarden hij het voorrecht des doops ontvangen kon, vers 37. Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd, dat is: "Indien gij de leer gelooft, die ik u heb gepredikt, betreffende Jezus, indien gij het getuigenis aanneemt, dat God Hem betreffende gegeven heeft, en verzegelt, dat zij waar is". Hij moet van ganser harte geloven, want met het hart gelooft men, niet alleen met het hoofd door de toestemming van de waarheden des Evangelies met het verstand, maar met het hart door ene toestemming van den wil in de voorwaarden des Evangelies. "Indien gij waarlijk van ganser harte gelooft, dan zijt gij hierdoor met Christus verenigd, en indien gij hiervan de blijken en bewijzen geeft, dan kunt gij door den doop bij de kerk worden ingelijfd.
3. De geloofsbelijdenis, afgelegd door den kamerling om gedoopt te worden. Zij is zeer kort, maar veelomvattend en ter zake, en dat was voldoende: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon Gods is. Te voren was hij reeds een aanbidder van den waren God, zodat alles, wat hij nu te doen had, was: Christus Jezus den Heere aan te nemen. Hij gelooft, dat Jezus is de Christus, de ware Messias, beloofd aan de vaderen, de Gezalfde. Hij gelooft, dat Christus is Jezus -een Zaligmaker, de enige Zaligmaker Zijns volks van hun zonden. En hij gelooft, dat deze Jezus Christus de Zoon Gods is, dat Hij ene Goddelijke natuur heeft, daar de Zoon van dezelfde natuur is als de Vader, en dat Hij, de Zoon Gods zijnde, Erfgenaam is van alle dingen. Dit is de voornaamste, bijzondere leerstelling van het Christendom, en allen, die dit van ganser harte geloven, en het belijden, zullen, zij en hun zaad, gedoopt worden.
4. Zijn doop, die nu volgde. De kamerling gebood den wagen stil te houden. Het was de beste pleisterplaats, die hij ooit op zijne reizen gezien had. Zij daalden beiden af in het water, want zij hadden, daar zij op reis waren, gene gevoegelijke schalen of vaten bij zich, waarmee zij het water konden scheppen, en dus moeten zij er in afdalen, niet, dat zij zich van hun klederen ontdeden en naakt in het water gingen, maar, naar het gebruik, barrevoets gaande, gingen zij wellicht tot aan de enkelen in het water, en toen heeft Filippus water op hem gesprenkeld, overeenkomstig de profetie, die de kamerling waarschijnlijk juist gelezen had, want zij staat slechts enige verzen voor die, waarmee Filippus hem bezig vond, en was zeer toepasselijk op hem, Jesaja 52:15, Alzo zal hij vele Heidenen besprengen, ja de koningen -en aanzienlijke mannen-zullen hun mond over hem toehouden -zullen zich aan Hem onderwerpen-want hetgeen hun niet verkondigd was, zullen zij zien, en wat zij niet gehoord hebben, zullen zij verstaan. Merk hier op, dat Filippus, hoewel hij nog zeer onlangs bedrogen was in Simon den tovenaar, dien hij tot den doop had toegelaten, ofschoon hij later gebleken is niet waarlijk bekeerd te zijn, daarom toch niet geaarzeld heeft den kamerling op zijne belijdenis des geloofs onmiddellijk te dopen, zonder hem een langeren proeftijd op te leggen. Indien geveinsden in de kerk komen, die later ene droefheid en ergernis voor ons worden, dan moeten wij daarom de deur der toelating toch niet enger maken, dan Christus haar gemaakt heeft, zij zullen hun afval hebben te verantwoorden, niet wij.
VI. Filippus en de kamerling zullen zo aanstonds scheiden, en dit is even verrassend als de andere voorvallen in het verhaal. Men zou gedacht hebben, dat of de kamerling bij Filippus zou blijven, of dat hij hem medegenomen zou hebben naar zijn land, en, daar er hier zo vele leraren waren, zou hij gemist hebben kunnen worden, en het zou de moeite wèl hebben geloond. Maar God heeft het anders beschikt. Zodra zij uit het water waren opgekomen, en eer de kamerling nog weer op zijn' wagen was geklommen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, vers 39, en gaf hem geen tijd om nog ene vermaning tot den kamerling te richten, want die wegneming schijnt wonderdadig geweest te zijn, hij werd opgenomen in de lucht, terwijl de kamerling het zag, en aldus buiten zijn gezicht gebracht. En dit wonder, aan Filippus geschied, was ene bevestiging van zijne leer, evengoed, als een wonder, door hem gedaan, dit geweest zou zijn. Hij was weggenomen, en de kamerling zag hem niet meer, maar, zijn leraar verloren hebbende, keerde hij terug tot zijn Bijbel. Nu wordt ons hier gezegd:
1. In welken gemoedstoestand de kamerling was: hij reisde zijn weg met blijdschap. Hij vervolgde zijne reize, zijne plichten riepen hem naar huis, en hij moet er zich heen spoeden, want dit was volstrekt niet onbestaanbaar met zijn Christendom, hetwelk er geen heiligheid of volmaaktheid in stelt, dat de mensen kluizenaars worden, want het is een Godsdienst, die de mensen in de zaken van dit leven mogen en moeten medevoeren. Maar hij ging voort, zich verblijdende, zo ver was hij er vandaan om met enig leedwezen terug te zien op die plotselinge verandering, of liever vordering in zijn Godsdienst, dat hij door verder na te denken er nog meer in bevestigd werd, en zo trok hij daarheen, zich verheugende met ene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, nooit in zijn leven heeft hij meer genot gesmaakt. Hij verheugde zich omdat hij zelf met Christus was verenigd, en deel in Hem had. En hij verheugde zich, omdat hij deze goede tijding aan zijne landslieden kon brengen, met het vooruitzicht, dat hij, door zijn invloed op hen, ook hen in gemeenschap met Christus kon brengen, want hij keerde terug, niet slechts als Christen, maar als leraar. Sommige handschriften geven dit vers aldus te lezen: En toen zij opkwamen uit het water, viel de Heilige Geest op den kamerling, (zonder de plechtigheid van de handoplegging door den apostel,) maar de engel des Heeren nam Filippus weg.
2. Hoe er over Filippus beschikt werd, vers 40. Hij werd gevonden te Azotus, of Asdod, voormaals ene stad der Filistijnen. Dáár heeft de engel, of de Geest des Heeren, hem nedergezet, en die plaats was op meer dan dertig mijlen afstands van Gaza, waar de kamerling zich heen begaf, en waar, Dr. Lightfoot denkt, dat hij zich ingescheept heeft, om over zee naar zijn land terug te keren. Maar Filippus kon, wáár hij zich ook bevond, niet ledig of werkeloos blijven, het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam. Dáár vestigde hij zich, en daar schijnt hij voortaan voornamelijk gewoond te hebben, want wij vinden hem te Cesarea in zijn eigen huis, Hoofdstuk 21:8. Hij, die als reizend prediker getrouw was in zijn arbeid voor Christus, heeft ten laatste ene vestiging verkregen.