Handelingen 5:17-25
Nooit is een goed werk gedaan met enigerlei hoop op voorspoed, of het vond tegenstand. Zij, die er op uit zijn kwaad te doen, kunnen niet in vrede leven met hen, die er zich op toeleggen om goed te doen. Satan, de verderver van het mensdom, is altijd geweest, en zal altijd zijn, de weerstreven van hen, die de weldoeners zijn van het menselijk geslacht, en het zou vreemd geweest zijn, indien de apostelen aldus zonder hinder of stoornis voort hadden kunnen gaan met prediken en genezen. In deze verzen zien wij, hoe de boosheid der hel en de genade des hemels om hen worstelen, de ene, om hen weg te drijven van het goede werk, de andere om er hen toe op te wekken en te bezielen.
I. De priesters waren verwoed op hen, en sloten hen in de gevangenis, vers 17, 18. Merk op:
1. Wie hun vijanden en vervolgers waren. De hogepriester was de aanvoerder, Annas of Kajafas, die zag, dat hun rijkdom en waardigheid, hun macht en tirannie, dat is hun al, op het spel stonden, en onvermijdelijk te gronde zouden gaan, indien de geestelijke en hemelse leer van Christus veld won en bij het volk de overhand zou krijgen. Zij, die zich hierin het ijverigst aan de zijde des hogepriesters schaarden, waren de sekte der Sadduceeën, die ene bijzondere vijandschap koesterden tegen het Evangelie van Christus, omdat het de leer der onzichtbare wereld bevestigde, de opstanding der doden en den toekomenden staat, die zij ontkenden. Het is niet vreemd, dat de mensen, die geen Godsdienst hebben, een dweepzieken ijver hebben in hun tegenstand tegen den waren en zuiveren Godsdienst.
2. Hun gezindheid jegens hen. Zij waren hun kwalijk genegen en ten uiterste verbitterd op hen. Toen zij hoorden en zagen welk een toeloop er was tot de apostelen, en van hoe veel gewicht en betekenis zij geworden waren, zijn zij in hun woede en hartstocht opgestaan, als mensen, die dit niet langer konden dragen of dulden, en vast besloten waren hun het hoofd te bieden, vervuld zijnde van nijdigheid wegens der apostelen prediking van de leer van Christus, en hun genezing der kranken: op het volk, omdat zij hen hoorden, en de kranken tot hen brachten om door hen te worden genezen- op zich zelven en op hun eigene partij, omdat zij dit alles zo lang hadden laten begaan, en het kwaad niet reeds terstond den kop hadden ingedrukt. Zo zijn de vijanden van Christus en van Zijn Evangelie ene kwelling voor zich zelven. De afgunst doodt den slechte.
3. Hoe zij tegen hen te werk gingen, vers 18. Zij sloegen hun handen aan de apostelen, misschien wel hun eigene handen (tot zulk ene laagte heeft hun kwaadwilligheid hen doen zinken) of liever, de handen hunner dienaren of beambten, en zetten hen in de gemene gevangenis, onder de ergste misdadigers. Hiermede hadden zij ten doel:
A. Een bedwang op hen te leggen. Hoewel zij hun niets misdadigs ten laste konden leggen, niets dat des doods of der banden waardig was, konden zij toch, zolang zij hen in de gevangenis hadden, hun beletten om met hun werk voort te gaan, en zij achtten, dat dit al veel gewonnen was. Zo vroeg reeds waren de gezanten van Christus in banden.
B. Hen te verschrikken, en hen alzo van hun werk weg te drijven. De laatste keer, dat zij hen voor zich lieten komen, hebben zij hen slechts gedreigd, Hoofdstuk 4:21, maar bevindende, dat dit van gene uitwerking op hen was, zetten zij hen nu gevangen, om hen bevreesd te maken. C. Om hun smaadheid aan te doen, en daarom sloten zij hen op in de gemene gevangenis, opdat, als zij aldus gehoond en vernederd waren, het volk hen niet langer in zo hoge achting zouden houden, als zij gedaan hadden. Satan heeft zijne boze bedoelingen tegen het Evangelie in grote mate ten uitvoer trachten te brengen door de predikers en belijders er van in een verachtelijk daglicht te stellen.
II. God heeft Zijn engel gezonden, om hen uit de gevangenis te voeren, en hun een vernieuwd bevel te brengen om het Evangelie te prediken. De machten der duisternis streden tegen hen, maar de Vader der lichten strijdt voor hen, en zendt een engel des lichts om hun zaak voor te staan. De Heere zal Zijne getuigen nooit verlaten, maar hen gewis bijstaan en beschermen.
1. De apostelen zijn wettig uit de gevangenis ontslagen, vers 19 :In weerwil van alle sloten en grendels opende de engel des Heeren des nachts de deuren der gevangenis, en in weerwil van de waakzaamheid der wachters, die buiten stonden voor de deuren, vers 23, leidde hij hen uit, gaf hun volmacht om de gevangenis te verlaten, en bracht hen door alle hindernissen heen naar buiten. Deze bevrijding wordt niet zo in bijzonderheden verhaald als die van Petrus, Hoofdstuk 12:7 en verder., maar hier geschiedde toch hetzelfde wonder. Er is gene gevangenis zo duister, en zo sterk, of God kan er Zijn volk in bezoeken, en, zo het Hem behaagt, er hen uit halen. Deze verlossing van de apostelen uit de gevangenis door een' engel, geleek op Christus' opstanding. Zijne bevrijding uit de gevangenis des grafs, en zal ene hulp wezen om de apostelen te bevestigen in hun prediking er van.
2. Hun wordt gelast, wettig gelast, voort te gaan met hun werk, zodat zij er door ontheven zijn van de verplichting om het verbod te eerbiedigen, dat de hogepriester hun had opgelegd. Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens, vers 20. Zij moeten niet denken, dat zij op wonderdadige wijze in vrijheid zijn gesteld om nu hun leven te redden, door uit de handen der vijanden te ontkomen. Neen, het was om met des te meer vrijmoedigheid voort te gaan met hun werk. Herstel uit ziekte, bevrijding van druk of benauwdheid, worden ons geschonken, en moeten door ons beschouwd worden als ons geschonken, niet om nu de gemakken en genoegens van het leven te genieten. maar opdat God geëerd en verheerlijkt zal worden door den dienst van ons leven. Laat mijne ziel leven, en zij zal U loven, Psalm 119: 175, Voer mijne ziel uit de gevangenis (zoals) hier de apostelen) om Uwen naam te loven, Psalm 142:8. Nu hebben wij in den last, die hun gegeven is, op te merken:
A. Waar zij moeten prediken: Spreekt in den tempel. Men zou zo gedacht hebben, dat hoewel zij niet mogen aflaten van hun werk, het nu toch voorzichtig zou zijn om het wat minder in het openbaar te doen, op ene plaats, waar het minder aanstoot zou geven aan de priesters dan in den tempel, zodat zij dan ook minder aan gevaar bloot zouden staan. Neen: "Spreekt in den tempel, want dat is de plaats der samenkomst des volks, dit is het huis uws Vaders, en nog moet het niet gans woest worden gelaten,'. Het betaamt den predikers van Christus' Evangelie niet, om zich in een' hoek terug te trekken, zolang zij nog gelegenheid hebben om het aan de grote gemeente te prediken.
B. Voor wie zij moeten prediken: "Spreekt tot het volk, niet tot de vorsten en oversten, want zij willen niet luisteren, maar tot het volk, tot hen, die bereid, ja verlangend zijn, om onderwezen te worden, en wier zielen even dierbaar zijn aan Christus, als de zielen der voornaamsten, en dit ook u behoren te zijn. Spreekt tot het volk, tot allen in het algemeen, want allen hebben er belang bij. C. Hoe zij moeten prediken: Gaat heen, en staat, en spreekt, hetgeen aanduidt, dat zij niet alleen in het openbaar moeten spreken, staande' ten einde door allen gehoord te worden, maar dat zij vrijmoedig en vastberaden moeten spreken: staat en spreekt, dat is: "Spreekt als mannen, die vast besloten zijn te blijven bij hetgeen zij zeggen, er mede te leven en te sterven".
D. Wat zij moeten spreken: Al de woorden dezes levens. Dezes levens, waarvan gij onder u zelven hebt gesproken, verwijzende wellicht naar hun samenspreking betreffende den hemel, die zij tot bemoediging van zich zelven en van elkaar in de gevangenis gehouden hadden. "Gaat heen, en predikt dit aan de wereld, opdat anderen vertroost zullen worden door de vertroosting met welke gij zelven van God vertroost wordt". Of wel: "dezes levens, dat de Sadduceeën loochenen, en waarvoor zij u vervolgen, predikt dit, hoewel gij weet, dat dit het is, waardoor zij met nijdigheid vervuld worden". Of, "dezes levens in nadrukkelijken zin, dit hemels, Goddelijk leven, waarbij vergeleken, het tegenwoordige aardse leven geen leven verdiend genoemd te worden". Of, deze levenswoorden, hetzelfde, dat gij gepredikt hebt, deze woorden, die de Heilige Geest u in den mond heeft gelegd". De woorden des Evangelies zijn woorden des levens, levenwekkende woorden, zij zijn geest en zij zijn leven, woorden, door welke wij zalig worden. -dat is hier hetzelfde, Hoofdstuk 11:14. Het Evangelie is het woord des levens, want het verzekert ons de voorrechten van den weg, zowel als die van ons tehuis, en de beloften des tegenwoordigen levens, zowel als die des toekomenden levens. En zelfs geestelijk en eeuwig leven zijn zo zeer in het Evangelie aan het licht gebracht, dat zij dit leven genoemd kunnen worden, want het woord is nabij u. Het Evangelie betreft zaken van leven en dood, en als zodanig moeten de leraren het prediken, en het volk het horen. Zij moeten spreken al de woorden dezes levens en er niets van verbergen uit vrees van ergernis te geven, of in de hoop van zich bij de oversten aangenaam te maken. Christus' getuigen zijn beëdigd om de gehele waarheid te zeggen.
III. Zij gingen voort met hun werk, vers 21.
Als zij nu dit gehoord hadden, als zij gehoord hadden, dat het de wil van God was, dat zij voort zouden gaan met in den tempel te prediken, keerden zij terug naar het voorhof van Salomo, vers 12.
1. Het was hun ene grote voldoening deze nieuwe orders te hebben ontvangen. Wellicht begonnen zij zich af te vragen, of zij, nadat zij in vrijheid zouden gesteld zijn, nog evenzo openlijk in den tempel zouden prediken als te voren, omdat hun gezegd was, dat zij, in de ene stad vervolgd wordende, naar ene andere moesten vlieden. Maar, nu de engel hun bevolen had te gaan en in den tempel te prediken, was hun weg effen en duidelijk, en zonder moeite of bezwaar waagden zij zich in den tempel, en vreesden het aangezicht des mensen niet. Indien wij slechts weten wat onze plicht is, dan hebben wij er ons stipt en nauwgezet aan te houden, en dan kunnen wij goedsmoeds op God vertrouwen voor onze veiligheid. Onmiddellijk hebben zij er zich dan ook toe begeven om het bevel te volvoeren, zonder tegenspraak en zonder uitstel. Zij gingen tegen den morgenstond in den tempel (zodra de deuren geopend werden, en het volk begon samen te komen), en leerden hun het Evangelie des koninkrijks, zonder in het minst te vrezen wat de mensen hun zouden kunnen doen. Het was hier een buitengewoon geval, hun is de ganse schat des Evangelies in handen gegeven, indien zij thans zwijgen, dan zijn de fonteinen verzegeld, dan valt geheel het werk ter aarde, en wordt tot stilstaan gebracht, hetgeen niet het geval is voor gewone leraren, die dus door dit voorbeeld niet verplicht zijn, om zich midden in het gevaar te begeven. Maar toch, als God ons ene gelegenheid geeft om goed te doen, dan behoren wij, al zijn wij ook onder het bedwang van verschrikking voor menselijke macht, veeleer ons leven te wagen, dan zulk ene gelegenheid ongebruikt te laten voorbijgaan.
IV. De hogepriester en zijne partij gingen voort met hun vervolging, vers 21. In de veronderstelling, dat zij de apostelen in verzekerde bewaring hadden gesteld, en dus in hun macht hadden, riepen zij den raad te zamen, een groten, buitengewonen raad, want zij riepen al de oudsten der kinderen Israël's op. Zie hier:
1. Hoe zij voorbereid waren, en vol verwachting het Evangelie van Christus en de predikers er van nu te zullen verpletteren, want zij riepen geheel hun macht bijeen. De laatste keer, dat zij de apostelen gevangen hadden genomen, hebben zij hen slechts voor ene commissie laten komen, samengesteld uit hen, die van des hogepriesters maagschap waren, die verplicht waren met voorzichtigheid te werk te gaan, maar om nu met meer gerustheid en meer kracht te kunnen optreden, riepen zij te zamen pasan tên gerousian -de gehele ouderlingschap, dat is (zegt Dr. Lightfoot), alle drie gerechtshoven van Jeruzalem, niet alleen het grote sanhedrin, bestaande uit zeventig oudsten, maar ook de twee andere gerechtshoven, die gevestigd waren, het ene in de buitenste tempelpoort, het andere in de binnenste, of de Schone poort, bestaande ieder uit drie en twintig rechters, zodat, indien zij allen verschenen, er honderd en zestien rechters bijeen waren. God heeft het alzo beschikt, opdat de beschaming der vijanden, en het getuigenis der apostelen tegen hen des te meer openbaar zijn zouden, en opdat diegenen het Evangelie zouden horen, die het niet anders dan voor de rechtbank zouden gehoord hebben. Evenwel-de hogepriester meende het niet zo, en zijn hart heeft alzo niet gedacht, maar wèl was het in zijn hart om al zijne macht bijeen te hebben tegen de apostelen, en hen met algemene instemming voor goed te vernietigen.
2. Hoe zij teleurgesteld en te schande werden gemaakt. Die in den hemel woont zal lachen en dat kunnen ook wij, als wij zien hoe plechtig en deftig het hof zitting neemt, en naar wij kunnen veronderstellen, hoe de hogepriester ene plechtige toespraak tot hen houdt, waarin hij het doel der bijeenkomst uiteenzet-dat nu onlangs ene zeer gevaarlijke factie in Jeruzalem was opgekomen door de prediking van de leer van Jezus, die ter instandhouding hunner kerk, (welke nog nooit zo bedreigd was als thans) snel en krachtig onderdrukt behoorde te worden-dat zij nu de macht hadden om dit te doen, daar hij de aanvoerders der factie in verzekerde bewaring had gesteld in de gemene gevangenis, om, met hun toestemming, nl. van het hof, met de uiterste strengheid tegen hen op te treden. Te dien einde wordt onmiddellijk een beambte afgezonden, om de gevangenen voor de balie te brengen. Maar zie nu, hoe zij teleurgesteld worden.
A. De beambten komen hun zeggen, dat zij niet in de gevangenis te vinden waren, vers 22, 23. De laatste keer kwamen zij, toen zij geroepen werden, Hoofdstuk 4:7. Maar nu waren zij weg en het bericht der dienaren luidt: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten (er was niets gedaan om de deuren des kerkers zwakker te maken, of te verbreken), de wachters waren niet te kort gekomen in hun plicht, wij vonden hen buiten staande voor de deuren, en niet beter wetende, of de gevangenen waren, daar binnen maar toen wij naar binnen gingen, vonden wij niemand daar binnen, dat is, niemand van hen, die wij moesten halen. Zeer waarschijnlijk hebben zij de andere, de gewone, gevangenen wèl gevonden. Hoe de engel hen had uitgeleid, of het was door ene achterdeur, of door de deur te openen en weer te sluiten (terwijl de wachters sliepen), wordt ons niet gezegd, maar hoe het ook geschied zij, zij waren weg. De Heere weet, hoewel wij het niet weten, hoe de Godvruchtigen te verlossen uit verzoeking, en hoe hen te ontbinden, die om Zijns naams wille in banden zijn, en evenals hier, zal Hij het doen, indien Hij hen tot Zijn dienst wil gebruiken. Stel u nu voor, hoe beschaamd en verlegen de rechters wel geweest moeten zijn, toen de dienaren met dit bericht van hun zending terugkwamen, vers 24. Toen nu de hogepriester, en de hoofdman des tempels, en de overpriesters, deze woorden hoorden, waren zij allen in verlegenheid, en zagen elkaar aan, twijfelmoedig zijnde over hen, wat toch dit worden zou. Zij waren in de uiterste verlegenheid, ten einde raad, daar zij nooit in hun leven zulk ene teleurstelling ondervonden hadden, en dat nog wel in iets, waarin zij zich zo zeker waanden. Allerlei gissingen werden gedaan, sommigen opperden het denkbeeld, dat zij uit de gevangenis weggetoverd waren, door toverkunsten waren ontkomen, anderen, dat de wachters hen hadden laten ontkomen, daar zij wisten hoe vele vrienden deze gevangenen hadden, en dat zij de lievelingen waren van het volk. Sommigen vreesden, dat zij, nu zij op zo wondere wijze waren ontkomen, nog veel meer volgelingen zouden hebben, anderen, dat zij, hoewel hen weggeschrikt hebbende van Jeruzalem, toch wel spoedig in een ander deel des lands van hen zouden horen, waar zij nog groter kwaad zouden aanrichten, terwijl zij het dan nog minder in hun macht zouden hebben om de besmetting te stuiten. En nu beginnen zij te vrezen, dat zij in plaats van het kwaad te hebben genezen, het nog verergerd hebben. Het gebeurt meermalen, dat mensen zich zelven kwellen en in moeilijkheid brengen, die bedoelen de zaak van Christus te bemoeilijken.
B. Nu wordt door een anderen bode hun twijfel ten dele opgelost, terwijl hun kwelling er echter nog door toeneemt. Die bode bericht hun, dat hun gevangenen prediken in den tempel, vers 25, Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt en voor uwe balie hebt willen laten komen, zijn nu in uwe nabijheid, zij staan in den tempel schier onder uwe ogen, en in weerwil van u, en leren het volk. Gevangenen, die losgebroken zijn, verbergen zich gewoonlijk, uit vrees van weer gegrepen te worden, maar deze gevangenen, die uit hun kerker ontkomen zijn, durven zich te vertonen in de plaats, waar hun vervolgers den grootsten invloed hebben. Dit nu bracht hen nog meer dan iets anders in verwarring en verlegenheid. Gewone misdadigers mogen de kunst bezitten van uit te breken, maar het zijn wel gans ongewone misdadigers, die den moed hebben er voor uit te komen, als zij het gedaan hebben.