Handelingen 27:12-20
In deze verzen hebben wij:
I. Het verhaal hoe men weer zee koos, en met een voor het ogenblik gunstigen wind de reis vervolgde.
1. Wat hen bewoog om van Schonehavens weg te gaan: dat zij de haven ongelegen achtten, om te overwinteren, zij was wel zeer aangenaam in den zomer, maar in den winter was het er onstuimig. Of misschien was zij om andere redenen ongelegen, wellicht waren er de levensmiddelen schaars en duur, en zo stortten zij zich in het ongeluk om een ongemak te ontwijken, zoals wij zo dikwijls doen. Sommigen van het scheepsvolk, of van hen, die geroepen waren, om raad te geven in de zaak, waren van mening, dat het beter was te blijven waar men was, dan om, nu het weer zo ongestadig was, weer in zee te steken. Het is beter veilig te zijn in ene ongelegene, ongeriefelijke haven, dan schipbreuk te lijden op ene stormachtige zee, maar dezen werden overstemd, het merendeel vond het geraden ook van daar te varen, maar zij wilden toch niet ver weggaan, maar slechts naar ene andere haven op hetzelfde eiland, hier Fenix genoemd, en sommigen denken dat die naam er aan gegeven was, omdat de Feniciërs, de kooplieden van Tyrus en Sidon, er zeer dikwijls kwamen. Zij wordt hier beschreven als liggende naar het Zuidwesten en Noordwesten. De haven lag waarschijnlijk tussen twee voorgebergten of landtongen, waarvan de een naar het Noordwesten, de andere naar het Zuidwesten uitstak, waardoor zij tegen de Zeewinden beschut was. Aldus heeft de wijsheid van den Schepper voor de verlichting en veiligheid gezorgd van hen, die met schepen ter zee afvaren, handel doende op de grote wateren. Te vergeefs zou de natuur ons van wateren voorzien hebben om te bevaren, indien zij ons niet ook van natuurlijke havens had voorzien, waarin wij ene toevlucht hebben tegen stormen.
2. Hoe zij in het begin aangemoedigd werden om hun reis voort te zetten, want zij zijn met gunstigen wind in zee gestoken, vers 13.
Alzo de Zuidenwind zacht waaide, vleiden zij zich met de hoop, dat zij hun voornemen verkrijgen zouden, en zo zeilden zij dicht voorbij Kreta henen, en waren niet bevreesd om op rotsen of zandbanken te stoten, omdat de wind zo zachtkens woei. Zij, die met nog zulk een gunstigen wind in zee steken, weten niet met wat stormen zij zullen te kampen hebben, en daarom moeten zij niet al te gerust zijn, noch er zo heel zeker van zijn, dat zij hun voornemen zullen verkrijgen. Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich losmaakt.
II. Weldra wordt het schip door een schrikkelijken storm belopen. Zij zagen op ondergeschikte oorzaken, en namen hun maatregelen naar de wenken, die zij hun gaven. Zij dachten, dat, omdat de Zuidenwind nu zachtkens woei, hij altijd zo zacht zou waaien. In dit vertrouwen staken zij in zee, maar weldra bespeurden zij hoe dwaas het van hen geweest is, om wèl te vertrouwen op een zachten wind, maar geen geloof te schenken aan het woord Gods in den mond van Paulus, dat hen behoorlijk voor dien komenden storm had gewaarschuwd.
1. Waarin hun gevaar en benauwdheid bestond. a. Er sloeg een stormwind tegen het schip, die hun niet slechts tegen was, zodat zij niet vooruit konden komen, maar zeer woest en onstuimig was, en de golven opjoeg, zoals de wind, die tegen Jona gezonden werd, hoewel Paulus God volgde en op den weg zijns plichts was, en niet gelijk Jona van God en zijn plicht wegvluchtte. De zeelieden noemden dezen wind Euroclydon, een Noordoosten wind, die op deze zeeën misschien als zeer bijzonder lastig en gevaarlijk was waargenomen. Het was ene soort van dwarlwind, want er wordt gezegd, dat het schip er door weggerukt werd, vers 15. Het was God, die dezen stormwind deed opstaan, om er voor zich zelven eer en heerlijkheid, en voor Paulus achting en aanzien uit te laten voortkomen, stormwinden uit zijne schatkamers voortbrengende, Psalm 135:7, zij doen Zijn woord, Psalm 148:8. b. Het schip werd geweldiglijk geslingerd, vers 18, het werd als een voetbal van golf op golf geworpen, de passagiers gelijk het zo sierlijk beschreven wordt in Psalm 107:26, 27, rijzen op naar den hemel, dalen neer tot in de afgronden, dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden. Het schip kon tegen den wind niet opzeilen, en daarom haalden zij de zeilen in, daar zij in zulk een storm wel gevaar voor hen opleverden, maar hun van generlei dienst konden zijn, en zo lieten zij het schip drijven, niet waarheen het wilde, maar waarheen de onstuimige baren het voortjoegen-Non quo voluit, sed quo rapit impetus undæ. Ovid. Trist. Waarschijnlijk waren zij reeds zeer dicht bij de haven van Fenix, toen deze storm opkwam, en dachten zij spoedig in ene kalme, veilige haven te zijn, verheugden zij zich reeds in het denkbeeld van daar te overwinteren, en zie, plotseling zijn zij nu in dit ontzettend gevaar. Laten wij ons daarom altijd verheugen met beving, en nooit volkomene rust en veiligheid verwachten voor wij in den hemel zijn.
c. In vele dagen zagen zij noch zon, noch gesternten, hierdoor was de storm des te ontzettender, wijl zij geheel in duisternis waren, en daar het kompas, dat den zeelieden den weg wijst, toen nog niet uitgevonden was, (zodat zij zon noch sterren kunnende zien, gans en al zonder gids waren) was hun toestand ten uiterste gevaarlijk. Even treurig is soms de toestand van het volk van God in geestelijk opzicht, zij wandelen in duisternis, en hebben geen licht. Er verschijnt zon, noch maan, zij zien nergens troost, vinden nergens bemoediging in. Zo kan het met hen wezen, terwijl dan toch licht voor hen gezaaid is. Zij hadden winterweder en werden door geen klein onweder gedrukt-cheimoon ouk oligos -kouden regen en sneeuw en al de strengheid van dat jaargetijde, zodat zij schier omkwamen van koude, en dit duurde vele dagen. Zie aan welke moeilijkheden en ontberingen diegenen blootstaan, die veel op zee zijn, behalve nog het levensgevaar waarin zij verkeren, en toch zijn er mensen, die dit alles niet tellen, zo zij slechts gewin kunnen verkrijgen, en het is een voorbeeld van de wijsheid der Goddelijke voorzienigheid, dat zij sommigen neiging en geschiktheid geeft voor dat beroep, in weerwil van al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, ten einde het verkeer tussen de volken in stand te houden, inzonderheid met de eilanden der Heidenen, en zo kan Zebulon zich even hartelijk verheugen over zijn uittocht, als Issaschar over zijne hutten. Wellicht heeft Christus Zijne dienstknechten uit zeevarenden gekozen, omdat zij aan moeilijkheden en ontberingen gewoon waren.
2. Welke middelen zij aanwendden ter hunner redding. Zij gebruikten al de armzalige hulpmiddeltjes (ik kan er geen anderen naam aan geven) waartoe zeelieden in gevaar gewoonlijk de toevlucht nemen.
a. Toen het schip niet tegen den wind kon opzeilen, lieten zij het drijven, daar zij bemerkten, dat het nutteloos was om, hetzij van de zeilen of de roeiriemen, gebruik te maken. Als het nutteloos is te worstelen, is het verstandig om toe te geven. b. Zij deden echter wat zij konden om aan het gevaar te ontkomen. Er was een eilandje, genaamd Clauda, toen zij in de nabijheid daarvan kwamen, hebben zij, hoewel hun reize niet kunnende voortzetten, toch gezorgd om daar schipbreuk te voorkomen, en daarom schikkingen getroffen om niet op rotsen te stoten, maar rustig onder het eiland te lopen, vers 16.
c. Toen zij vreesden het schip niet te kunnen behouden, deden zij hun best om de boot te redden, hetgeen hun met veel moeite gelukte.
Zij konden nauwelijks de boot machtig worden, vers 16, maar eindelijk haalden zij haar op, vers 17. Zij kon hun van dienst zijn in den nood, en daarom deden zij al het mogelijke om haar bij zich op het schip te krijgen.
d. Zij gebruikten middelen, die voor dien tijd zeer gepast waren, toen de zeevaartkunde nog lang niet op de hoogte was, die zijn u bereikt heeft, zij ondergordden het schip, vers 17. Zij bonden sterke kabeltouwen onder den bodem van het schip, om het voor ene volkomene van een splijting te behoeden.
e. Uit vrees van op de droogte Syrtis te vervallen, streken zij het zeil, en lieten toen het schip drijven, Het is verwonderlijk hoe lang een schip op zee tegen wind en golven bestand is, zo lang het nog zeeruimte heeft, dat is: zich in volle zee bevindt, en als de zeelieden de kust niet kunnen bereiken, dan is het in hun belang om er zo ver mogelijk van af te blijven.
f. Den volgenden dag deden zij een uitworp, dat is: zij wierpen de lading over boord, (zoals de zeelieden van Jona deden, Hoofdstuk 1:5) daar zij liever zonder de lading arm wilden wezen, dan met de lading om te komen. Huid voor huid en al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven. Zie nu wat de rijkdom dezer wereld is, al begeert men hem ook nog zo zeer en beschouwt hem als een zegen, de tijd kan komen, wanneer hij slechts een last is, niet slechts te zwaar om zelf veilig weggedragen te kunnen worden, maar zwaar genoeg, om ook hem, die hem draagt, er mede te doen verzinken. Rijkdommen worden dikwijls door de eigenaars er van gehouden tot hun schade, Prediker 5:13 1) en als zij er afstand van doen is het tot hun voordeel. Maar zie ook de dwaasheid van de kinderen dezer wereld: om hun leven te redden, kunnen zij er wel verkwistend mede wezen, maar voor werken der Godsvrucht of der barmhartigheid en in lijden voor Christus zijn zij er uiterst karig mede, hoewel hun door de eeuwige Waarheid zelf gezegd wordt, dat zij in de opstanding der rechtvaardigen meer dan duizendvoud vergoed zullen worden. Diegenen hebben naar het beginsel des geloofs gehandeld, die de roving hunner goederen met blijdschap hebben aangenomen, wetende, dat zij in hen zelven een beter en blijvend goed hebben in de hemelen. Hebr. 10:34. Iedereen zal liever schipbreuk lijden van zijne bezittingen dan van zijn leven, maar velen zullen liever schipbreuk lijden van het geloof en van een goed geweten, dan van hun bezittingen.
g. Op den derden dag wierpen zij het scheepsgereedschap uit, de armamenta, (zoals sommigen het overzetten) alsof het een oorlogsschip was. Bij ons is het gebruikelijk om in den uitersten nood van een zwaren storm de kanonnen over boord te werpen, maar wat zij voor zwaar geschut hadden, waarvan het nodig was het schip te ontlasten, weet ik niet, en ik vraag mij af, of het onder de zeelieden van dien tijd niet ene algemeen heersende dwaling was, om dingen, die zeer nuttig, maar volstrekt niet zeer zwaar zijn, in een storm over boord te werpen. Hoe zij toen tot wanhoop gebracht werden, vers 20. Zo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden ontnomen. De storm bleef aanhouden, en zij zagen gene tekenen dat hij tot bedaren zou komen. Wij kennen er voorbeelden van, dat zulk stormachtig weer weken lang aanhield. De middelen, door hen aangewend, baatten niet, en zo werd al hun wijsheid verslonden, en dit treurig vooruitzicht bracht zulk ene ontsteltenis bij hen teweeg, dat zij den moed niet hadden om te eten of te drinken. Zij hadden levensmiddelen genoeg aan boord, vers 38, maar de verschrikkingen des doods hadden hen in zulk ene benauwdheid des geestes doen komen, dat zij de steunsels des levens niet konden tot zich nemen. Waarom heeft Paulus niet door de kracht van Christus en in Zijn naam, dien storm doen stilstaan? Waarom heeft hij tot winden en baren niet gezegd: Zwijgt, weest stil, zoals zijn Meester gedaan heeft? Dit was voorzeker, omdat de apostelen wèl wonderen hebben gewrocht tot bevestiging hunner leer, maar niet voor iets dat hun of hunnen vrienden slechts ten gerieve was.