Handelingen 27:21-44
Wij zien hier hoe Paulus en zijne medereizigers gered zijn uit het gevaar, waarin zij zich bevonden. Zij behielden het leven, en dat was om Paulus' wil. Er wordt ons hier gezegd, vers 37, hoe groot het aantal was der opvarenden, zeelieden, kooplieden, krijgsknechten, gevangenen en andere passagiers, allen te zamen twee honderd zes en zeventig zielen. Hierop wordt de aandacht gevestigd om des te meer onze bezorgdheid voor hen gaande te maken onder het lezen van deze geschiedenis, daar het aantal zo groot was van hen, wier leven in zo groot gevaar was, en onder dezen Paulus, wiens leven meer waard was dan dat van al de anderen te zamen. Wij lieten hen in wanhoop, zich zelven reeds als verloren beschouwende. Er wordt ons niet gezegd, of ieder hunner tot zijn god riep, zoals Jona's zeelieden gedaan hebben. Het zou goed zijn, zo die loffelijke gewoonte, niet in onbruik geraakte, en er niet mede gespot werd. Maar Paulus was onder deze zeelieden niet, zoals Jona onder de zijnen, de oorzaak van den storm, maar wel hun vertrooster en bemoediger in den storm, en hij heeft het ambt van een apostel even zeer tot ere verstrekt, als Jona ene schandvlek was voor het ambt en de waardigheid van een profeet. Nu hebben wij hier:
I. De bemoediging, die Paulus hun gaf, door hun, in den naam van God, te verzekeren, dat hun aller leven behouden zou blijven, terwijl, naar menselijk inzien, hun alle hoop daarop benomen was. Paulus heeft hen eerst van hun wanhoop gered, opdat zij daaraan niet zouden sterven, zich uit vertwijfeling niet zouden laten doodhongeren, en toen waren zij ook goed op weg om uit hun gevaar gered te worden. Na zich lang van spijs onthouden te hebben, alsof zij besloten waren niet te eten voor zij wisten, of zij in het leven zouden blijven of sterven, stond Paulus op in het midden van hen. Gedurende de benauwdheid hield Paulus zich als een hunner in hun midden, was hij behulpzaam bij het over boord werpen van het scheepsgereedschap, vers 19, maar nu trad hij op den voorgrond, en, hoewel hij een gevangene was, nam hij het toch op zich om hun raadsman en vertrooster te wezen.
1. Hij bestraft hen, omdat zij niet naar zijn raad hebben willen horen, nl. om in de haven van Lasea te blijven, vers 8. Men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, waar wij goed genoeg hadden kunnen overwinteren, en dan zouden wij dezen hinder en schade niet gehad hebben, wij zouden er aan ontkomen zijn. Hinder en schade in deze wereld kunnen met recht een gewin genoemd worden, zo zij aan ons worden geheiligd, want zo zij ons spenen aan de tegenwoordige dingen, en ons opwekken om aan den toekomenden staat te denken, brengen zij ons voordeel en gewin aan. Merk hier op: Zij hebben niet naar Paulus geluisterd, toen hij hen waarschuwde voor het gevaar, maar zo zij nu hun dwaasheid willen erkennen en er berouw van hebben, dan zal hij, nu zij in het gevaar zijn, hun troost en moed geven, zo barmhartig is God voor hen, die in nood en ellende zijn, al zijn zij er ook door hun eigene gedachteloosheid, ja door hun eigenzinnigheid en minachting van goeden raad, in gekomen. Voordat Paulus hun troost toesprak, wilde hij hen eerst opmerkzaam maken op hun zonde van niet naar hem geluisterd te hebben. Door hun hun roekeloosheid te verwijten, en hun te spreken van den hinder en de schade, die verhoed hadden kunnen worden, doelt hij waarschijnlijk op hetgeen zij zich voorgesteld hebben met het vervolgen hunner reis, dat zij er tijd mede zouden winnen, allerlei er mede zouden winnen, "maar", zegt hij, "gij hebt er niets dan hinder en schade mede gewonnen, en hoe zult gij dat nu verantwoorden?" Hetgeen waar zij gelaakt om worden, was hun afvaren van Kreta, waar zij veilig waren. De meeste mensen halen zich allerlei moeite en ongemak op den hals, omdat zij niet weten wanneer zij het goed hebben, maar dan slechts schade en hinder oplopen, door, tegen allen goeden raad in. het goede dat zij hebben, nog beter te willen maken.
2. Hij verzekert hun, dat zij wèl het schip zullen verliezen, maar dat hun aller leven behouden zal blijven. "Gij ziet uwe dwaasheid, door u niet te laten leiden", maar nu zegt hij niet: "verwacht dan nu, dat het u dienovereenkomstig gaan zal, en gij hebt het u zelven te wijten, dat gij allen omkomt, want, die zich niet wil laten raden, kan niet verwachten geholpen te worden." Neen: "Toch is er nog hoop in Israël betreffende deze zaak. Uw toestand is treurig, maar niet wanhopig, alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn." Evenzo zeggen wij tot zondaren, die overtuigd zijn van hun zonde en dwaasheid, en hun dwaling inzien en betreuren: "Gij behoorde ons wel gehoor gegeven te hebben, en niets met zonde van doen moeten hebben, doch alsnu vermanen wij u goedsmoeds te zijn, al hebt gij onzen raad niet aangenomen, toen wij zeiden: Weest niet weerstrevend, zo neemt hem dan nu aan, als wij zeggen: wanhoopt niet." Zij hadden alles maar opgegeven, wilden gene hulpmiddelen meer te baat nemen, omdat alle hoop van behouden te worden hun was benomen. Nu wekt Paulus hen op om naar zelfbehoud te streven, door hun te zeggen, dat indien zij hun krachten wilden hernemen en gebruiken, hun leven gespaard zou blijven. Hij geeft hun deze verzekering nu zij tot het uiterste van wanhoop waren gekomen, want nu zal het hun dubbel welkom wezen de verzekering te horen, dat geen verlies van leven geleden zal worden, daar zij tot de overtuiging zijn gekomen, dat hun aller leven onvermijdelijk verloren was. Hij zegt hun, dat zij er op moeten rekenen het schip te zullen verliezen. Zij die belang hadden bij het schip en de lading, vormden waarschijnlijk dat merendeel, dat voor het voortzetten der reis was, en het waagstuk hebben doorgedreven, in weerwil van Paulus' vermaning, en nu hebben zij voor hun roekeloosheid te boeten. Hun schip zal vergaan. Om die ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid en kwelling des geestes, is menig schoon, rijk beladen schip in weinig tijds verloren gegaan op de grote wateren. Maar, zegt hij, geen enkel leven zal verloren gaan. Dat zal een blijde tijding geweest zijn voor hen, die uit vrees voor den dood, op het punt waren van te sterven, en voor wier schuldig geweten de dood wel in waarheid de koning der verschrikking moet geweest zijn.
3. Hij zegt hun op welken grond hij hun die verzekering gaf, dat dit geen spotten was met hen, gene ijdele belofte om hen in een goed humeur te krijgen, en dat het ook gene menselijke gissing was, maar dat hij er ene openbaring Gods voor had, en die evenzeer geloofde, als hij geloofde, dat God waarachtig is, daar hij er Zijn woord voor heeft. Een engel Gods is hem verschenen in den nacht, en heeft hem gezegd, dat om zijnentwil allen zullen behouden worden, vers 23-25, hetgeen de genade hunner behoudenis verdubbelde, daar zij die behoudenis niet alleen door de voorzienigheid, maar ook door de belofte Gods hadden, en als een bijzonder gunstbewijs jegens Paulus. Merk hier nu op:
a. Paulus' plechtige verklaring van zijne betrekking tot God, den God, van wie hij dit gunstig bericht had ontvangen. Het is Hij, wiens ik ben, en welken ik ook dien. Hij ziet op God als op zijn rechtmatigen Eigenaar, die een soeverein, onbetwistbaar recht op hem, en heerschappij over hem heeft, wiens ik ben. Omdat God ons heeft gemaakt, en niet wij, zijn wij ons zelfs niet, maar Zijner. Wij zijn de Zijnen door de schepping, want Hij heeft ons gemaakt, door bewaring, want Hij onderhoudt ons, door verlossing, want Hij heeft ons verlost en vrijgekocht. Wij zijn meer van Hem dan van ons zelven. Hij beschouwt Hem als zijn soevereinen Heer en Meester, die, hem het aanzijn hebbende gegeven, het recht heeft hem wetten voor te schrijven, welken ik ook dien. Omdat wij de Zijnen zijn, zijn wij gehouden en verplicht Hem te dienen, ons te wijden aan Zijne eer, bezig te zijn in Zijn werk. Het is Christus, op wie Paulus hier het oog heeft, Hij is God, de engelen zijn Zijner, en gaan uit op Zijne boodschappen. Paulus noemt zich dikwijls een dienstknecht van Jezus Christus. Hij is Zijner, en Hem dient hij, beide als Christen en als apostel. Hij zegt niet: "Wiens wij zijn, en welken wij ook dienen," want de meesten hunner waren vreemdelingen voor Hem, maar "Wie ik ben, en welken ik dien, wàt anderen ook mogen doen, ja in wiens werkelijken dienst ik mij thans bevind, nu ik naar Rome ga, niet zoals gij, die slechts op wereldlijke doeleinden uit zijt, want ik ga er heen als getuige voor Christus." Dit zegt hij hun, opdat zij, daar hun hulp en redding komt van zijn God, wiens hij was, en welken hij diende, hierdoor gedrongen mochten worden, om Hem ook als hun God aan te nemen, en Hem evenzo te dienen, om dezelfde reden, waarom Jona tot zijne zeelieden gezegd heeft: Ik vreze den Heere, den God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft, Jona 1:9.
b. Hoe hij hun verhaalt dat hij een visioen gehad heeft: Dezen zelfde nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, een boodschapper Gods, die hem te voren boodschappen van den hemel placht te brengen, hij stond bij hem, verscheen hem zichtbaar, toen hij wakker op zijn bed lag. Hij was ver weg op de zee, Psalm 65:6, aan het uiterste der zee, Psalm 139:9, maar dit is geen beletsel voor zijne gemeenschap met God, evenmin als om Goddelijk bezoek te ontvangen. Hij kan er een gebed opzenden tot God, en God kan er hem een engel zenden. Hij weet zelf niet, waar hij zich bevindt, maar Gods engel weet hem wel te vinden. Het schip wordt geslingerd door winden en baren, met het uiterste geweld heen en weer gedreven, en toch vindt de engel zijn weg er heen. Geen storm of onweer kan de mededeling verhinderen van Gods gunst aan Zijn volk, want Hij is ene Hulp in benauwdheden, ene nabij zijnde Hulp, zelfs als de wateren der zee bruisen en beroerd zijn, Psalm 46:2, 4. Wij kunnen onderstellen, dat Paulus, als gevangene, gene eigene hut had in het schip, en nog veel minder een bed in de hut van den kapitein, maar in het ruim geplaatst werd, (iedere donkere of vuile plek werd voor hem in gemeenschap met de andere gevangenen goed genoeg geacht) en toch heeft de engel Gods daar bij hem gestaan. Geringheid er armoede brengen iemand nooit op een' afstand van God en Zijne gunst. Toen Jakob slecht een steen voor hoofdkussen had, gene andere gordijnen had dan de wolken, had hij toch zijn visioen van engelen. Paulus heeft zijn visioen in dezen zelfde nacht gehad, dat is: in den nacht voor den dag, waarop hij het verhaalde. Door een vroeger visioen had hij zelf reeds de verzekering ontvangen, dat hij naar Rome zou gaan, Hoofdstuk 23:11, waaruit hij de gevolgtrekking kon afleiden, dat hij zelf veilig zou zijn, maar in dit nieuwe visioen werd hem de verzekering gegeven, dat ook allen, die nu met hem waren, veilig zullen zijn.
d. De bemoediging, die hem in dit visioen gegeven werd. a. Hij moet niet vrezen. Hoewel allen om hem heen ten einde raad zijn, en zich aan wanhoop overgeven, heet het tot hem: Vrees niet, Paulus. Vrees hun vreze niet, en verschrik niet, Jes.8:12. Laten de zondaren in Zion vrezen, maar laten de heiligen niet vrezen, neen, niet op de zee, niet in een storm, want de Heere der heirscharen is met hen, en de sterkten der steenrotsen zullen hun hoog vertrek zijn. Jesaja 33:14-16. b. Hem wordt verzekerd, dat hij veilig te Rome zal aankomen, gij moet voor den keizer gesteld worden. Evenmin als de woede der machtigste vijanden, kan de woede van de onstuimigste zee tegen Gods getuigen overmogen, voordat zij hun getuigenis voleindigd hebben. Paulus moet in dit gevaar worden beveiligd, omdat hij nog voor verderen dienst gespaard moet blijven. In benauwdheid en gevaar is het voor Gods getrouwe dienstknechten ene vertroosting, dat zo lang God nog werk voor hen te doen heeft, hun leven verlengd zal worden.
c. Dat ook allen, die met hem in het schip zijn, om zijnentwil behouden zullen worden, niet zullen omkomen in den storm. God heeft u geschonken allen, die met u varen. De engel, aan wie bevolen was hem deze boodschap te brengen, zou hem alleen uit al die ongelukkigen hebben kunnen uitkiezen, en met hem ook zijne vrienden, om hen veilig naar de kust te dragen, en de overigen laten omkomen, omdat zij niet naar Paulus' raad hadden willen horen. Maar God wil liever, door hen allen om zijnentwil te behouden, tonen welk een zegen Godvruchtige mensen zijn voor de wereld, dan door hem alleen te redden tonen, hoe de Godvruchtigen van de wereld worden onderscheiden. God heeft u geschonken allen, die met u varen dat is: op uw gebed, of om uwentwil zullen zij allen gespaard blijven. Soms gebeurt het, dat Godvruchtige mensen zonen noch dochters bevrijden, maar alleen hun eigene ziel. Ezechiël 14:18, 20. Maar Paulus bevrijdt hier de gehele bemanning van een schip met al de opvarenden, bijna drie honderd zielen. Het gebeurt dikwijls, dat God de bozen spaart om den wille der Godvruchtigen, zoals Zoar om Lots wil, en zoals Sodom gespaard had kunnen worden, indien er tien rechtvaardigen binnen deszelfs muren geweest waren. De Godvruchtigen worden in de wereld gehaat en vervolgd, alsof zij niet waard waren er in te leven, en toch is het wezenlijk om hunnentwil, dat de wereld bestaat. Indien Paulus zich nodeloos in slecht gezelschap had begeven, dan zou hij rechtvaardiglijk met hen hebben kunnen omkomen, maar daar God er hem geroepen heeft, worden zij met hem behouden. En er wordt te kennen gegeven, dat het ene grote gunst was jegens Paulus en als zodanig beschouwt hij het ook-dat anderen om zijnentwil behouden werden. Zij zijn u geschonken, een Godvruchtig man kent gene grotere voldoening dan te weten, dat hij een zegen is voor anderen.
4. Hij vertroost hen met dezelfde vertroosting, waarmee hij vertroost is geworden, vers 25.
"Daarom zijt goedsmoeds, mannen, gij zult zien, dat dit zelfs goed zal aflopen, want ik geloof God, en steun op Zijn woord, dat het alzo zijn zal gelijkerwijs het mij gezegd is." Hij eist niet, dat zij zullen geloven hetgeen hij zelf niet gelooft, daarom belijdt hij plechtig, dat hij het zelf gelooft, en dat dit geloof hem rust geeft. "Ik twijfel niet, dat het alzo zijn zal gelijkerwijs het mij gezegd is. Aldus heeft hij aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof. Zou God het zeggen en niet doen? Ongetwijfeld kan Hij het, ongetwijfeld zal Hij het, want God is geen man, dat Hij liegen zou. Zal het dus wezen zoals God gezegd heeft? Zo weest dan goedsmoeds. God is altijd getrouw, laten zij dus, die deel hebben aan Zijne belofte, immer goedsmoeds zijn. Indien zeggen en doen voor God niet twee zijn, dan moeten geloven en ons verblijden voor ons ook niet twee zijn.
5. Hij geeft hun een teken, daar hij hun nauwkeurig mededeelt, hoe deze stormachtige reize af zal lopen, vers 26. Wij moeten op een zeker eiland vervallen, en hierdoor zal het schip gebroken, maar de reizigers behouden worden, en in beide opzichten zal de voorzegging uitkomen. De stuurman had zijn post verlaten, het schip was aan zich zelven overgelaten, zij wisten niet op welke hoogte zij zich bevonden, en nog minder in welke richting zij sturen moesten, maar Gods voorzienigheid voert hen naar een eiland, dat hun een toevluchtsoord zal wezen. Als de kerke Gods evenals dit schip, door stormen heen en weer gedreven en niet vertroost wordt, als er niemand is, die haar zachtkens leidt, en niemand van alle de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt, kan en zal God haar toch veilig naar de kust brengen.
II. Hoe zij eindelijk aan ene onbekende kust voor anker kwamen, vers 27-29.
1. Zij hadden zich volle veertien dagen in den storm bevonden, steeds den dood voor ogen hebbende. In den veertienden nacht, en niet eerder, naderden zij land. In dien nacht werden zij in de Adriatische zee her- en derwaarts gedreven, niet in de Adriatische golf, waaraan Venetië ligt, maar in de Adriatische zee, een deel der Middellandse zee, die beiden de Siciliaanse en Ionische zeeën omvat, en zich uitstrekt tot aan de kust van Afrika, in deze zee nu, werden zij heen en weer gedreven, terwijl zij niet wisten, waar zij zich bevonden.
2. Omtrent het midden des nachts vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde, hetgeen bevestigde wat Paulus hun gezegd had, dat zij op een zeker eiland zouden vervallen. Om nu te zien, of dit al of niet zo was, wierpen zij het dieplood uit, om de diepte van het water te weten te komen, want naarmate zij ene kust naderen, zal het water ondieper worden. Bij deze eerste proeve vonden zij twintig vademen, en bij de volgende vijftien vademen, hetgeen een duidelijk bewijs was, dat zij ene kust naderden. God heeft met wijsheid zulk ene natuurlijke aanduiding voor zeelieden in het duister beschikt, opdat zij voorzichtigheid zullen gebruiken.
3. Zij begrepen den wenk, en bevreesd voor klippen nabij de kust, wierpen zij vier ankers uit, en wensten dat het dag werd. Uit vreze voor rotsen of klippen durfden zij niet voorwaarts te gaan, maar in de hoop ene schuilplaats te vinden, wilden zij ook niet achterwaarts gaan, maar liever wachten op den morgen, waarnaar zij hartelijk verlangden. Wie zou hen kunnen laken, nu er in hun toestand zulk ene crisis was gekomen? Toen zij licht hadden, was er geen land te zien, nu er land in hun nabijheid was, hadden zij geen licht om het te kunnen zien, geen wonder dus, dat zij wensten, dat het dag werd. Als zij, die God vrezen, in duisternis wandelen, en geen licht hebben, dan moeten zij toch niet zeggen: de Heere heeft ons verlaten, onze God heeft ons vergeten, maar laten zij doen, wat deze scheepslieden deden, zij wierpen het anker uit en wensten dat het dag werd, en wees er van verzekerd, de dag zal komen, zal aanbreken. Hoop is een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste voorhangsel. Houd daaraan vast, denk er niet aan om nogmaals zee te willen kiezen, maar blijf bij Christus, en wacht totdat de dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden.
III. Het beletten van de poging der scheepslieden om het schip te verlaten. Hierdoor ontstond een nieuw gevaar, waaraan zij ternauwernood zijn ontkomen. Merk op:
1. De verraderlijke bedoeling der scheepslieden, nl. om het zinkende schip te verlaten, hetgeen in anderen wel verstandig kan zijn, maar in hen, die met de zorge over het schip belast waren, het laaghartigste verraad was, vers 30. Zij zochten het schip te verlaten, daar zij niet anders dachten, of het zou gans en al gebroken worden, als zij bij de kust kwamen. Zij hadden het bevel over de boot, en nu was hun plan, dat zij er allen in zouden gaan om zich zelven te redden, en al de anderen te laten omkomen. Om dit laaghartig voornemen bedekt te houden, wendden zij voor, dat zij uit het voorschip de ankers wilden uitwerpen, of ze verder wegvoeren, en dat zij te dien einde de boot neerlieten, die zij opgehaald hadden, vers 16, 17, en er ingingen, maar onder elkaar hadden zij afgesproken, om, als zij er eens in waren, recht op de kust aan te houden. De verraderlijke scheepslieden zijn als de verraderlijke herder, die vlucht, als hij het gevaar ziet komen, en zijne hulp het meest nodig is, Johannes 10:12. Zo waar is het woord van Salomo: Het vertrouwen op een trouweloze ten dage der benauwdheid is als een gebroken tand en verstuikte voet. Zo moeten wij dan aflaten van den mens. Paulus had hun in den naam van God verzekerd, dat zij veilig aan land zouden komen, maar zij willen liever op hun toevlucht der leugens vertrouwen, dan op Gods woord van waarheid.
2. Paulus' ontdekking er van, en protest er tegen, vers 31. Zij allen zagen hen toebereidselen maken om in de boot te gaan, maar lieten zich misleiden door hun voorgeven. Paulus alleen doorzag het, en gaf er kennis van aan den hoofdman en de krijgsknechten, onomwonden zei hij hun: Indien dezen in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden. De bekwaamheid van een zeeman wordt gezien in een storm, en in nood voor het schip, dan is het de geschikte tijd voor hem om zijne bekwaamheden aan te wenden. Thans waren zij in de grootste moeilijkheden, het grootste gevaar, en daarom waren de scheepslieden nu meer dan ooit nodig. Het was voorzeker niet door hun bekwaamheid, dat zij aan land gebracht werden, want daartoe schoot zij te kort, maar nu zij nabij het land waren, moesten zij hun kunst aanwenden, om er het schip heen te brengen. Als God voor ons gedaan heeft wat wij niet konden, dan moeten wij nu voorts in Zijne kracht ons zelven helpen. Paulus spreekt naar den mens, als hij zegt: Indien dezen in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden, en hij verzwakt volstrekt niet de verzekering, die hij hun van Godswege had gegeven, dat zij voorzeker behouden zullen worden. God, die het einde, de uitkomst, had bepaald, nl. dat zij behouden zullen worden, heeft ook de middelen daartoe bepaald en vastgesteld, nl. dat zij behouden zullen worden door de hulp der scheepslieden, hoewel God, indien zij weggegaan waren, Zijn woord ongetwijfeld wel op ene andere wijze waar gemaakt zou hebben. Paulus spreekt als een verstandig, voorzichtig man, niet als een profeet, als hij zegt: dezen zijn nodig voor uwe behoudenis. Onzer is de plicht, Godes zijn de uitkomsten, en wij betrouwen niet op God, maar verzoeken Hem, als wij zeggen: "Wij stellen ons onder Zijne bescherming", terwijl wij de gepaste middelen niet gebruiken voor onze bescherming, die onder ons bereik zijn.
3. Hoe de krijgsknechten dit plan volkomen hebben verijdeld, vers 32. Het was geen tijd om met de scheepslieden over de zaak te redeneren, daarom maakten zij er kort en goed een einde aan door de touwen van de boot af te houwen. Hoewel zij hun goed van dienst had kunnen zijn in hun tegenwoordig gevaar, verkozen zij toch haar te laten afvallen, en haar te verliezen, veeleer dan toe te laten, dat zij hun schade zou berokkenen. En nu de scheepslieden tegen wil en dank genoodzaakt zijn in het schip te blijven, zijn zij tevens genoodzaakt zo hard als zij kunnen te werken voor het behoud van het schip, omdat zo de anderen omkomen zij met hen zullen omkomen.
IV. Hoe Paulus hen bezielde met nieuw leven door hen blijmoedig op te wekken om spijs te gebruiken met de herhaalde verzekering, dat hun leven gered zal worden, daar aan niemand van hen een haar van het hoofd zal vallen. Gelukkig waren zij, om iemand als Paulus in hun midden te hebben, die niet slechts gemeenschap had met den hemel, maar ook een opgewekten blijmoedigen aard had, die het aangezicht zijns naasten scherpt, zoals men ijzer scherpt. Zulk een vriend in den nood, als er van buiten strijd, en van binnen vrees is, is waarlijk een vriend. Olie en reukwerk verblijdt het hart, alzo is de zoetheid van iemands vriend vanwege den raad der ziel, Spreuken 27:9. Aldus was Paulus hier voor zijne metgezellen in de benauwdheid. De dag begon aan te breken. Zij, die wensten, dat het dag werd, moeten nog ene wijle wachten, en dan zullen zij hun' wens verkrijgen. Het morgenrood deed hun moed weer enigszins herleven, en toen heeft Paulus hen doen samenkomen.
1. Hij bestrafte hen om hun veronachtzamen van zich zelven, daar zij zo zeer aan wanhoop en vrees hadden toegegeven, dat zij vergaten te eten. Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten en niets hebt genomen, en dat is niet zoals het behoort, vers 33. Niet dat zij allen, of sommigen van hen, veertien dagen lang in het geheel niets hadden gegeten, maar zij hadden gedurende al dien tijd geen geregelden maaltijd gebruikt, zoals zij gewoon waren, zij aten zeer weinig, zo goed als niets. Of: "Gij zijt verwachtende gebleven zonder eten, gij hebt geen lust gehad tot uwe spijze, er vanwege uwe wanhoop en vrees geen smaak in gevonden." Hiermede wordt een zeer troosteloze toestand te kennen gegeven. Psalm 102:5. Ik heb vergeten mijn brood te eten. Het is zonde het lichaam te laten verhongeren, er het nodige voedsel aan te onthouden. Hij is voorzeker een onnatuurlijk mens, die zijn eigen vlees haat, het niet voedt en onderhoudt, en het is ene kwade smart onder de zon, om rijkdom, goederen en eer te hebben, aan geen ding gebrek te hebben van alles wat de ziel begeert, en de macht niet te hebben om daarvan te eten, er geen gebruik van te kunnen maken, Prediker 6:2. Indien dit voortkomt uit droefheid naar de wereld, of uit buitensporige vrees, dan zal die droefheid en vrees zo weinig ene verontschuldiging voor hen zijn, dat het, in tegendeel, ene nieuwe zonde is, die er aan toegevoegd wordt, want het is ontevredenheid, het is wantrouwen van God, het is alles verkeerd. Welk ene dwaasheid is het, te sterven uit vrees van te zullen sterven! Maar het is aldus, dat de droefheid der wereld den dood werkt, terwijl blijdschap in God leven is en vrede ook in de grootste benauwdheid en het grootste gevaar.
2. Hij wekt hen op om te eten, vers 34.
"Daarom vermaan ik u spijs te nemen. Wij zullen een harden kamp hebben: wij moeten zo goed wij kunnen aan land zien te komen, indien ons lichaam verzwakt is door vasten, dan zullen wij niet in staat zijn ons zelven te helpen." Sta op, eet, zei de engel tot Elia, want anders zou de weg voor u te veel zijn, 1 Koningen 19:7. Zo wil Paulus, dat deze lieden zullen eten, omdat anders de strijd tegen golven en baren te zwaar voor hen zijn zou. Ik bid u, ik vermaan u, zo gij naar m ij wilt luisteren, neemt enig voedsel, al hebt gij er ook geen lust in, al hebt gij ook door uw langdurig vasten uwen eetlust bedorven, laat u door rede en verstand er toe brengen, want dat dient tot uw behoud, uwe veiligheid, zonder voedsel hebt gij gene kracht om voor uw leven te zorgen. Evenals: dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete, zo moet hij, die werken wil, ook eten. Zwakke en sidderende Christenen, die zich overgeven aan twijfel en vrees ten opzichte van hun geestelijken staat, zich van des Heeren Avondmaal blijven onthouden, ook ten opzichte van Goddelijke vertroostingen blijven vasten, daar zij er het zielevoedsel niet van tot zich nemen, en dan klagen, dat zij niet voort kunnen in hun geestelijken arbeid en strijd, hebben dit zich zelven te wijten. Indien zij van de voorziening, die Christus voor hen gemaakt heeft, wilden genieten, zoals zij behoorden er van te genieten, zij zouden bekrachtigd worden, en het zou tot welzijn en behoudenis hunner ziel wezen.
3. Hij geeft hun de verzekering, dat zij behouden zullen worden. Niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. Dit is ene spreekwoordelijke uitdrukking. Zij is gebruikt in 1 Koningen 1:52, Lukas 21:18. "Gij kunt niet eten uit vrees van te zullen sterven, ik zeg u, dat gij voorzeker zult leven, en daarom, eet. Gij zult koud en doornat aan den oever komen, maar gezond en wel, uw haar zal nat zijn, maar geen haar zult gij verliezen."
4. Hij zelf richtte de tafel voor hen aan, want niemand hunner had er lust of moed toe, daar zij allen gans terneergeslagen waren. Als hij dit gezegd en brood genomen had, dat hij uit den voorraad van het schip genomen had, waartoe ieder wel vrijelijk toegang kon hebben, als niemand hunner lust tot spijze had. Zij waren niet op rantsoen gesteld, zoals zeelieden dit soms zijn, als zij door ongunstig weer langer op zee blijven, dan zij verwacht hadden, zij hadden overvloed, maar welk goed deed het hun, als zij geen eetlust hadden? Wij hebben veel reden om God te danken dat wij niet slechts spijs hebben naar onzen honger, maar eetlust naar onze spijze, en onze ziel zelfs de begeerlijke spijs niet verfoeit. Job 33:20, door ziekte of smart.
5. Hij was nu de scheepskapelaan, en zij hadden reden om fier te wezen op hun kapelaan. Hij dankte God in aller tegenwoordigheid. Wij hebben reden te denken, dat hij dikwijls met Lukas en Aristarchus gebeden heeft, en met welke anderen, onder hen, die Christenen waren, dat zij dagelijks te zamen hebben gebeden, maar of hij te voren met allen zonder onderscheid gebeden heeft, is niet zeker, nu dankte hij God in aller tegenwoordigheid, dat zij tot nu toe bewaard en in het leven gebleven waren, en dat zij de belofte hadden, dat hun leven ook in het thans naderend gevaar behouden zou blijven, hij dankte voor de spijze, die zij hadden, en bad om een zegen op die spijze. Wij moeten God danken in alles, en inzonderheid het oog hebben op God, als wij ons voedsel ontvangen, want het wordt ons geheiligd door het woord van God en het gebed, en moet met dankzegginggenomen worden. 1 Timotheus 4:3-5. En het is niet bij brood alleen, dat de mens leeft, maar bij het woord Gods. Hij dankte God in aller tegenwoordigheid, niet slechts om te tonen, dat hij een Meester diende, dien hij zich niet schaamde, maar ook om hen uit te nodigen zich in Zijn dienst te begeven. Als wij op de rechte wijze om een zegen bidden over onze spijze, en er voor danken, dan zullen wij niet slechts zelven ene troostrijke gemeenschap onderhouden met God, maar onze belijdenis eren, en haar in de goede mening van anderen aanbevelen.
6. Hij gaf hun een goed voorbeeld: Nadat hij God gedankt had, brak hij het brood (het was scheepsbeschuit) en begon te eten. Of zij nu al of niet bemoedigd wilden worden, hij wilde bemoedigd zijn. Indien zij somber en gemelijk wilden zijn, en, als kinderen, hun voedsel wilden weigeren, omdat hun niet alles naar den zin ging, hij wilde zijne spijze genieten, en er dankbaar voor zijn. Zij, die anderen onderwijzen, zijn onverschoonbaar, als zij zelven niet doen wat zij onderwijzen, en de krachtigste wijze van prediken, is door het voorbeeld te geven.
7. Dit oefende een gelukkigen invloed uit op allen, vers 36. Allen zijn zij goedsmoeds geworden. Toen waagden zij het de boodschap te geloven, die God hun door Paulus had gezonden, daar zij duidelijk bemerkten, dat Paulus zelf haar geloofde, die zich toch met hen in hetzelfde gevaar bevond. Aldus zendt God ene blijde boodschap aan de omkomende wereld van het mensdom, door hen, die hun gelijken zijn, zich met hen in hetzelfde gevaar bevinden, ook zelven zondaren zijn, die behouden moeten worden op dezelfde wijze als waarop zij anderen bewegen het te wagen, want het is ene gemene verlossing en zaligheid, waarvan zij de tijding brengen. En het is ene bemoediging voor de mensen, om zich aan Christus, als hun Zaligmaker over te geven, als zij, die hen hiertoe trachten te bewegen, tonen, dat zij dit ook zelven doen. Het is hier bij deze gelegenheid dat het getal der personen aan boord is opgegeven, zij waren in alles twee honderd zes en zeventig zielen. Zie op hoevelen invloed geoefend kan worden door het goede voorbeeld van een enkelen! Zij allen namen ook zelven spijs, zij aten en werden verzadigd, vers 38, deden een hartig maal, hetgeen de betekenis verklaart van hun te voren vasten gedurende veertien dagen, nl. niet, dat zij gedurende al dien tijd in het geheel niet hadden gegeten, maar dat zij gedurende al dien tijd niet, zoals nu, genoeg hadden gegeten.
8. Wederom lichtten zij het schip, opdat het te beter aan den schok weerstand zou kunnen bieden, dien het nu zou hebben te verduren. Te voren hadden zij de lading en het scheepsgereedschap overboord geworpen, en nu wierpen zij het koren uit in de zee, de victualiën, die zij aan boord hadden. Het was beter, dat zij dezen lieten verzinken, dan dat zij zich zelven er door lieten verzinken. Zie wat goede redenen onze Zaligmaker had om het voedsel voor ons lichaam te noemen spijze, die vergaat! Wij kunnen zelven in de noodzakelijkheid komen, om, ten einde ons leven te redden, weg te werpen hetgeen wij bijeen vergaderd hadden ter ondersteuning van ons leven. Waarschijnlijk was het schip te zwaar beladen door de menigte der opvarenden, want dit wordt gezegd onmiddellijk nadat hun getal was opgegeven) en dat dit hen genoodzaakt heeft zo dikwijls het schip te lichten.
V. Hoe zij aan land kwamen. Het was omstreeks het aanbreken van den dag, dat zij spijze genomen hadden, en toen het geheel dag was, begonnen zij om zich heen te zien, en hier wordt ons gezegd:
1. Dat zij niet wisten waar zij waren. Zij wisten niet welk land het was, aan welks kust zij zich nu bevonden, of het Europa, Azië, of Afrika was, want die allen hadden kusten, welke door de Adriatische Zee worden bespoeld. De scheepslieden hadden waarschijnlijk dikwijls in dien koers gevaren, en zij dachten ieder land te kennen, in welks nabijheid zij kwamen, en toch stonden zij hier nu verlegen, Dat dan de wijze zich niet beroeme in zijne wijsheid, daar zij hem zo zeer kan falen, zelfs in zijn eigen vak of beroep.
2. Zij merkten een zekeren inham, die een' oever had, tegen dewelke zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten, vers 39. Hoewel zij niet wisten welk land het was, noch of de inwoners vrienden of vijanden, beschaafde lieden of barbaren waren, besloten zij toch zich aan hun barmhartigheid over te geven, het was droog land, en dat zal zeer welkom zijn aan hen, die zo lang op zee hadden gezwalkt. Het was te betreuren, dat zij gene hulp van de kust konden krijgen, dat hun geen loods gezonden werd, die de kust kende, en het schip binnen had kunnen brengen, of een ander schip, dat sommigen van hen aan boord had kunnen nemen. Zij, die aan de zeekust wonen, hebben dikwijls gelegenheid om hun te hulp te komen, die in gevaar en benauwdheid op zee zijn, en om kostbare levens te redden, en daartoe behoren zij hun uiterste krachten in te spannen, met alle bereidwilligheid en blijmoedigheid, want het is ene grote zonde, die God zeer tot toorn verwekt, om zich te onthouden van degenen te redden, die ter dood gegrepen zijn en ter doding wankelen, en het zal gene verontschuldiging zijn te zeggen: Zie wij weten dat niet, wanneer wij of het wèl wisten, of het hadden kunnen en moeten weten, Spreuken 24:11, 12. Er is mij gezegd, dat er lieden zijn, en dat nog wel onder ons eigen volk, die, als zij van de kust een schip in nood zien, het door misleidende bakens, of op andere wijze, moedwillig in gevaar laten komen, ten einde de opvarenden te doen omkomen, zodat zij dan het schip kunnen plunderen. Men kan nauwelijks geloven, dat de menselijke natuur zo slecht kan wezen, zo barbaars onmenselijk, en dat er zoveel van den duivel is in zulke lieden. Indien er de zodanige zijn, laten zij dan waarlijk weten, dat een onbarmhartig oordeel zal gaan over degene, die gene barmhartigheid gedaan heeft.
3. Met wind en getij hielden zij recht op den oever aan, vers 40. Zij haalden de ankers op, de vier ankers, die zij van het achterschip hadden uitgeworpen, vers 29. Sommigen denken, dat zij zich de moeite gaven, om ze op te halen, in de hoop van er aan den oever nog gebruik van te kunnen maken, anderen, dat zij het zo haastig deden, dat zij genoodzaakt waren de kabels door te snijden, en ze te laten zinken, het oorspronkelijke laat beide opvattingen toe. Toen gaven zij het schip aan de zee over, de wind was gunstig om hen naar de haven te voeren, en zij maakten de roerbanden los, die gedurende den storm vastgemaakt waren, om aan het schip een meer gelijkmatigen gang te geven, maar nu zij de haven invoeren werden zij weer losgemaakt, opdat de stuurman met meer vrijheid sturen kon, en toen haalden zij het razeil op naar den wind en hielden naar den oever toe. De oorspronkelijke woorden, die hier gebruikt zijn voor roerbanden en razeil geven aan de critici heel veel werk en moeite om ze naar de hedendaagse termen te schikken. Maar voor ons behoeven zij gene moeilijkheid op te leveren, daar het ons genoeg is te weten, dat zij, toen zij de kust zagen, er zich zo snel mogelijk heen spoedden, en wellicht ging het daarbij naar het spreekwoord: "hoe meer haast, hoe minder spoed." En zou dan niet ene arme ziel, die lang met winden en stormen in deze wereld te kampen had, verlangen, om in de kalme, veilige haven der eeuwige rust te komen? Moet zij zich niet ontdoen van alles wat haar aan deze aarde kluistert, en de uitgangen van hare Godvruchtige neiging hemelwaarts belemmert? En moet zij dan niet het razeil ophalen van geloof naar den wind des Geestes, en aldus met smachtend verlangen naar den oever toe houden?
4. Zij lieten het schip stranden, op ene zandbank naar het scheen, of ene landtong, aan beide zijden door de zee bespoeld, waarom gezegd wordt, dat die plaats de zee aan beide zijden had, en dáár bleef het voorschip vastzitten, en toen, gene ruimte van beweging hebbende, zoals wanneer een schip voor anker ligt, maar onbeweeglijk blijvende, moest het achterschip wel spoedig door het geweld der baren worden gebroken. Of nu de scheepslieden hun plicht niet deden, omdat zij teleurgesteld waren in hun voornemen om het schip te verlaten, en het dus met opzet lieten stranden, of dat wij mogen onderstellen, dat zij wel hun uiterste best gedaan hebben om het te behouden, maar dat God in Zijne voorzienigheid het zo beschikt heeft, ter vervulling van Paulus' woord dat het schip verloren zou gaan, vers 22, zou ik niet kunnen zeggen, maar hiervan zijn wij zeker, nl. dat God het woord Zijns knechts bevestigt, en den raad Zijner boden volbrengt, Jesaja 44:26. Het schip, dat zo verwonderlijk den storm op de grote, ruime zee had doorstaan, waar het ruimte had om zich te bewegen, blijft nu vastzitten en wordt in stukken geslagen. Evenzo: als het hart vastgeworteld is in de wereld, in liefde er voor, en gehechtheid er aan, dan is het verloren. Satans verzoekingen stormen er tegen aan, en weg is het: maar zo lang het zich boven de wereld houdt, kan het wel door zorgen en opbruisende hartstochten heen en weer geslingerd worden, maar toch is er dan hoop voor. Zij hadden de kust in het gezicht, maar leden schipbreuk in de haven, en dit leert ons, om ons nooit al te veel aan gerustheid over te geven.
VI. Het bijzondere gevaar, waarin Paulus en de overige gevangenen zich bevonden, behalve nog hun delen in de algemene ramp, en hoe zij uit dit gevaar werden gered.
1. In dit hachelijk ogenblik, toen iedereen in twijfel was of hij het leven zou behouden, was de raadslag der krijgslieden, dat zij de gevangenen zouden doden, die in hun bewaring waren overgegeven, en van wie zij rekenschap hebben te geven, opdat niemand ontzwommen zijnde, zou ontvlieden, vers 42. Hiervoor bestond niet veel gevaar, want zij konden niet ver weg vluchten, zwak en uitgeput, als zij waren, en onder het oog van zo vele soldaten, die hen bewaakten, was het niet waarschijnlijk, dat zij het zouden beproeven. En al zou dit ook door sommigen van hen beproefd zijn, dan zouden zij, ofschoon aan de wet onderhevig wegens zulk ene ontvluchting, toch door de billijkheid der rechters wel vrij uitgegaan zijn. Maar het was een onmenselijk, barbaars voorstel, en zo veel te meer barbaars om zo luchtig en kwistig met het leven der mensen te zijn, als zij toch, indien er geen wonder van genade geschiedde, hun eigen leven zouden verliezen.
2. Om Paulus' wil heeft de hoofdman dit voorstel terstond op niets doen uitlopen. Paulus had genade gevonden bij hem, wiens gevangene hij was, zoals Jozef genade heeft gevonden in de ogen van den overste van het gevangenhuis. Hoewel Julius zijn raad had veracht, vers 11, heeft hij later toch zeer veel in hem gezien, dat hem achting afdwong, en daarom heeft hij, Paulus willende behouden, de uitvoering van dat bloedige plan belet. Het blijkt niet dat iemand hunner een veroordeelde kwaaddoener was, maar zij waren onder verdenking, en wachtten op hun verhoor voor het gerecht, en in zulk een geval is het beter, dat tien schuldigen ontkomen, dan dat een onschuldige gedood wordt. Gelijk God allen in het schip om Paulus' wil had behouden, zo redt hier de hoofdman om zijnentwil het leven der gevangenen, zulk een verspreidend goed is een Godvruchtig man!.
VII. Hoe door de wonderbare voorzienigheid Gods het leven van allen, die in het schip waren, gered werd. Toen het schip onder hen brak, was er voorzeker slechts ene schrede tussen hen en den dood, maar de oneindige genade trad tussen beiden, en die ene schrede werd niet gedaan.
1. Sommigen werden gered door zwemmen. De hoofdman beval, in de eerste plaats zijnen soldaten, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en aan land komen, gereed, om de gevangenen te ontvangen, en hun ontvluchting te beletten. De Romeinen leerden aan de jeugd, onder andere lichaamsoefeningen, ook zwemmen, en dit was hun dikwijls van dienst in hun oorlogen, Julius Caesar was een beroemd zwemmer. Zwemmen kan van groot nut zijn voor hen, die veel op zee moeten wezen, maar overigens gaan misschien door zwemmen, als sport, meer levens verloren, dan er door zwemmen in nood levens gered zijn.
2. De anderen kwamen met veel moeite aan land, sommigen op planken, die zij los bij zich hadden in het schip, en anderen op enige stukken van het schip, ieder trachtte zo goed mogelijk voor zich en zijne vrienden te zorgen, en zij deden te meer hun best, omdat zij wisten, dat hun moeite niet te vergeefs zou worden aangewend, en alzo is het geschied dat door Gods goede voorzienigheid niemand verongelukte, maar dat allen behouden aan land gekomen zijn. Zie hier een voorbeeld van de bijzondere voorzienigheid Gods in de bewaring van het leven der mensen, inzonderheid in de uitredding van zo velen uit de gevaren op de zee, als zij op het punt zijn van te verzinken, en toch voor verzinken worden behoed, er voor worden behoed, dat de diepte hen verslindt, en de watervloeden hen overstromen. De storm werd tot kalmte, zij waren gered van de gevreesde zee, en zij werden tot de haven hunner begeerte geleid. Laat hen voor den Heere Zijne goedertierenheid loven! Psalm 107:30, 31. Hier was een voorbeeld van de vervulling van een bijzonder woord van belofte, door God gegeven, dat allen, die in het schip waren, om Paulus' wil, behouden zouden worden. Hoewel er voor de beloofde verlossing grote moeilijkheden in den weg zijn, zal zij toch vervuld worden, en zelfs het wrak van het schip kan nog hulpmiddelen opleveren voor het behoud van levens, en als alles weg schijnt te zijn, blijkt nog alles veilig te wezen, al is het ook op planken en stukken van het schip.