Prediker 6:11-12
1. Hier geeft Salomo de gevolgtrekking waartoe hij gekomen is en die hij op zich heeft genomen te bewijzen, als hetgeen ten volle bevestigd is door hetgeen hij tevoren heeft aangetoond. Daar zijn vele dingen, die de ijdelheid vermeerderen. Het leven van de mens is op zijn best genomen ijdel, en er zijn zeer vele omstandigheden, die daartoe medewerken, zelfs hetgeen voorgeeft de rijkdom en het genot te vermeerderen, vermeerdert slechts de ijdelheid en maakt haar meer kwellend.
2. Hieruit leidt hij enige gevolgtrekkingen af, welke dienen om er nog verder de waarheid van te doen uitkomen.
A. Dat een mens om de overvloed, die hij in de wereld heeft, niet nader bij waar geluk is. Wat heeft de mens te meer vanwege zijn rijkdom en zijn genietingen, zijn eer en zijn hoge rang? Wat blijft de mens over? Welk overschot heeft hij, welk wezenlijk voordeel, als hij er toe komt om zijn rekening op te maken? Niets dat hem enigerlei goed kan doen, dat hem voordeel kan opleveren.
B. Dat wij niet weten wat te wensen, omdat hetgeen, waarvan wij ons de meeste voldoening beloofden, dikwijls zeer kwellend voor ons blijkt te zijn. Wie weet wat goed is voor de mens in dit leven, als alles ijdelheid is en alles, zelfs hetgeen wij het meest begeren, kan blijken een ramp voor ons te zijn? Bedachtzame mensen zijn in zorg om, voorzover zij weten, alles ten beste te doen, maar gelijk het een voorbeeld is van de verdorvenheid van ons hart, dat wij geneigd zijn datgene te begeren als goed voor ons, dat in werkelijkheid schadelijk voor ons is, zoals kinderen, die huilen om een mes, waarmee zij zich in de vingers snijden zo is het een voorbeeld van de ijdelheid van deze wereld, dat, hetgeen naar alle waarschijnlijke gissingen ten beste schijnt te zijn, dikwijls geheel anders blijkt te wezen, zo kortzichtig zijn wij ten opzichte van de uitkomst van de dingen en zulke gebroken rietstaven blijken alle de schepselen te zijn, waarop wij vertrouwen. Wij weten niet hoe anderen ten beste te raden, noch hoe zelf te handelen, omdat hetgeen wij denken tot ons welzijn te wezen, een valstrik kan worden.
C. Dat wij daarom geen reden hebben om een groot welbehagen te hebben in ons leven op aarde, of te vertrouwen op de voortduur ervan. Het moet berekend of geschat worden naar dagen, het is slechts een ijdel leven, en wij brengen het door als een schaduw, zo weinig wezenlijkheid is er in, zo voorbijgaand, zo onzeker is het, en zo weinig is er in om lief te hebben of om op te bebouwen. Indien al de genietingen van het leven ijdelheid zijn, dan kan er in het leven zelf geen grote werkelijkheid zijn om ons gelukkig te maken.
D. Dat onze verwachtingen van deze wereld even onzeker en bedrieglijk zijn als onze genietingen. Daar alles ijdelheid is, wie kan dan de mens aanzeggen wat na hem wezen zal onder de zon? Hij kan zich niet meer vleien met de hoop op hetgeen na hem zijn zal met zijn kinderen en zijn gezin, dan hij zich verlustigen kan in hetgeen hij nu heeft, daar hij noch zelf voorzien kan noch iemand hem voorzeggen kan wat na hem zal zijn, ook zal er hem geen bericht van worden gezonden als hij heengegaan is, zijn zonen komen tot eer en hij weet het niet, zodat, hoe men de dingen ook beschouwt en waarheen men ook de blik richt: IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.