Handelingen 25:13-27
Wij hebben hier de toebereidselen, die gemaakt werden voor nog een verhoor van Paulus voor koning Agrippa, niet opdat deze een oordeel over hem zou uitspreken, maar om betreffende hem van raad te dienen, of eigenlijk, om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen. Christus had van Zijne volgelingen gezegd, dat zij voor stadhouders en koningen geleid zullen worden, in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk is Paulus voor Festus, den stadhouder, geleid, hier, voor Agrippa, den koning, beiden tot een getuigenis. Hier is:
I. Het vriendelijk bezoek van koning Agrippa aan Festus bij diens komst aan het bestuur van deze provincie, vers 13. Na enige dagen kwam koning Agrippa te Cesarea. Hier is een koninklijk bezoek. Gewoonlijk achten koningen het voldoende om een ambassadeur te zenden om hun vrienden geluk te wensen, maar hier was een koning, die zelf kwam en de koninklijke majesteit achterstelde bij het genoegen van een vriend, want een persoonlijk onderhoud is het aangenaamst onder vrienden. Merk op:
1. Wie de bezoekers waren.
a. Koning Agrippa, de zoon van dien Herodes, bijgenaamd Agrippa, die den apostel Jakobus heeft ter dood gebracht, en zelf van de wormen gegeten werd en achterkleinzoon van Herodes den Grote, onder wiens regering Christus was geboren. Josephus noemt hem Agrippa den jongere. Keizer Claudius had hem tot koning aangesteld van Chalcis en viervorst van Trachonitis en Abilene, vermeld in Lukas 3:1. De Joodse schrijvers spreken van hem, en (naar Dr. Lightfoot ons mededeelt) verhalen onder anderen dat hij "in het laatste gedeelte van het jaar der vrijlating naar het bevel, in het openbaar de wet las, en, komende tot de woorden in Deuteronomium 17:15 :Gij zult ganselijk tot koning over u stellen dien de Heere uw God verkiezen zal, uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen, gij zult niet vermogen over u te zetten een' vreemden man, die uw broeder niet is, stroomden hem de tranen over de wangen, want hij was niet van het zaad Israël's, waarop de vergadering, dit bemerkende, hem toeriep: Schep moed, koning Agrippa, gij zijt onze broeder, want hij was van hun Godsdienst, al was hij niet van hun bloed."
b. Bernice vergezelde hem. Zij was zijne eigene zuster, thans weduwe van zijn oom Herodes, koning van Chalcis, na wiens dood zij bij dezen haren broeder woonde, dien men van al te gemeenzamen omgang met haar verdacht. Zij huwde voor de tweede maal Ptolemon, koning van Cilicië, van wie zij zich echter liet scheiden, en toen tot haren broeder, koning Agrippa, terugkeerde. Juvenal. Sat. 6. spreekt van een diamanten ring, dien Agrippa aan Bernice, zijne bloedschendige zuster, ten geschenke gaf. Berenices In digito factus pretiosior, hunc dedit olim Barbarus incestæ, dedit hunc Agrippa sorori,
Dat wijdvermaarde juweel, dat op den vinger schitterde van Bernice (daarom nog te kostbaarder) haar geschonken door een bloedschendigen broeder. -Gifford.
En beide Tacitus en Suetonius spreken van ene misdadige gemeenzaamheid later tussen haar en Titus Vespasianus. Drusilla, de vrouw van Felix was ook ene zuster van haar. Zo ontuchtig en ongebonden waren over het algemeen de groten der aarde in dien tijd! Zeg niet, dat de vorige dagen beter geweest zijn dan deze. 2. Wat het doel was van dit bezoek, zij kwamen om Festus te begroeten, hem geluk te wensen met zijne bevordering, en er hem voorspoed in te wensen, zij kwamen om hem te complimenteren bij zijne komst tot de regering, en om ene goede verstandhouding met hem te hebben, zodat Agrippa, die over Galilea regeerde, in overeenstemming kon handelen met Festus, die het bestuur had over Judea. Maar waarschijnlijk kwamen zij even veel tot hun eigen vermaak en genoegen, als om hem eer te bewijzen, deel te nemen aan de hoffeesten, en hun fraaie klederen te tonen, die anders ook aan ijdele lieden geen genoegen zouden verschaffen, als zij er niet mede in het openbaar verschenen.
II. Het bericht, dat Festus aan koning Agrippa van Paulus en zijne rechtszaak gaf:
1. Om hem genoegen te doen en vermaak te verschaffen. Het was ene zeer merkwaardige geschiedenis, wel waard om haar te horen, niet alleen omdat zij verrassend en onderhoudend was, maar ook, omdat zij, volledig en naar waarheid verhaald zijnde, zeer stichtelijk en leerrijk was, zeer bijzonder aangenaam aan Agrippa, niet alleen omdat hij een rechter was, en er punten van wet en praktijk in waren, ten volle zijne aandacht waardig, maar nog veel meer omdat hij een Jood was, en er punten van Godsdienst in waren, die zijne kennisneming er van verdienden.
2. Om zijn raad te hebben. Festus was pas onlangs in het rechterlijk ambt gekomen, ten minste in deze landen, en daarom wantrouwt hij zich zelven en zijne bekwaamheid, en wilde dus zeer gaarne den raad inwinnen van hen, die ouder waren en meer ervaring hadden, inzonderheid ten opzichte van ene zaak, waarin zo vele moeilijkheden waren, als de zaak van Paulus scheen te hebben, en daarom heeft hij haar aan den koning verhaald. Laat ons nu het bijzonder bericht nagaan, dat hij aan koning Agrippa betreffende Paulus gegeven heeft, vers 14-21. Hij vond hem als gevangene, toen hij aan de regering dezer provincie is gekomen, en daarom kon hij niet uit eigen wetenschap een bericht van zijne zaak geven van het begin af, hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten. Indien er dus iets verkeerds was in zijne gevangenneming, is Festus hier niet voor verantwoordelijk, want hij vond hem gevangen. Toen Felix, den Joden gunst willende bewijzen, Paulus gevangen liet, hoewel hij wist, dat hij onschuldig was, wist hij niet wat hij deed, wist hij niet, dat hij wel in erger handen kon vallen, hoewel de handen, waarin hij nu was, al niet van de besten waren. Het Joodse sanhedrin was ten uiterste tegen hem ingenomen. "Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem. Zij stelden hem voor als een gevaarlijk man, die niet waard is te leven, en daarom wensten zij hem ter dood te zien veroordeeld." Daar dezen nu aanspraak maakten op grote Godsdienstigheid, en men dus kan veronderstellen, dat zij mannen zijn van eer en oprechtheid, meent Festus, dat hij hun geloof moet schenken, maar Agrippa kent hen beter dan hij, en daarom begeert hij zijn raad in die zaak. Dat hij zich gehouden had aan de Romeinse wet ten gunste van den gevangene, en hem dus niet ongehoord wilde veroordelen, vers 16.
"De Romeinen hebben de gewoonte niet, daar zij zich hierin laten regeren door de wet der natuur en de grondbeginselen der gerechtigheid, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, hem aan het verderf, de verwoesting, te geven" (zoals de eigenlijke betekenis is van het woord) "zijnen vijanden genoegen te geven door zijn verderf, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, om hun getuigenis te confronteren, zodat hem tijd en verlof gegeven wordt, om zich te verdedigen." Hij schijnt hen te bestraffen, alsof zij ene ongunstige mening hadden te kennen gegeven van de Romeinen en de Romeinse regering door zo iets te vragen, te verwachten, dat zij een mens ongehoord ter dood zullen veroordelen. "Neen," zegt hij, "Weet, dat, wat gij zelven hieromtrent ook doet, of voor geoorloofd houdt, de Romeinen zulk ene ongerechtigheid niet toe laten onder elkaar." Audi et alteram partem Hoor ook de andere zijde, was een spreekwoord onder hen. Aan dezen regel moeten wij ons houden bij ons afkeurend oordeel in den gewonen dagelijksen omgang met de mensen. Wij moeten aan de mensen gene slechte hoedanigheden toeschrijven, hun woorden en daden niet veroordelen voor wij gehoord hebben wat ter hunner rechtvaardiging gezegd wordt. Johannes 7:51. Dat hij hem, volgens den plicht van zijn ambt voor den rechterstoel een verhoor heeft doen ondergaan, vers 17. Dat hij er met bekwamen spoed in heeft gehandeld, zodat de vervolgers gene reden hadden om over zijne traagheid te klagen, want als zij dan gezamenlijk hier gekomen waren, (en wij zijn er zeker van, dat zij geen tijd lieten verloren gaan), zo ben ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten. Hij had het verhoor ook op de plechtigste wijze doen plaats hebben. Hij zat op den rechterstoel, zoals het de gewoonte was voor de behandeling van gewichtige zaken, terwijl zij over zaken van mindere aangelegenheid de plano -op den platten grond, of gelijkvloers, oordeelden. Hij heeft voor het verhoor van Paulus met opzet den vollen raad bijeengebracht, opdat de uitspraak beslissend zou zijn, en de zaak aldus beëindigd zou worden. Dat hij uiterst teleurgesteld was in hetgeen zij hem ten laste legden, vers 18, 19. Over welken de beschuldigers hier staande, om hun aanklacht in te leveren, gene zaak hebben ingebracht, waarvan ik vermoedde. Vanwege hun heftigheid in de vervolging, en hun aandringen er van bij den enen Romeinsen stadhouder na den anderen, veronderstelde hij:
a. Dat zij hem hadden te beschuldigen van iets dat, hetzij den bijzonderen eigendom, hetzij den openbaren vrede in gevaar bracht. Dat zij hem konden bewijzen een rover of moordenaar, of een rebel tegen den Romeinsen staat te zijn, de wapens te hebben opgevat om een' opstand aan te voeren, want indien hij al de Egyptenaar niet was, die onlangs een oproer had verwekt, en ene bende moordenaars had aangevoerd, zoals de overste van hem gedacht heeft, zou hij toch wel iemand van dezelfde soort kunnen zijn. Zodanig was het geschreeuw tegen de eerste Christenen, zo luid en zo woest, dat de omstanders, die naar dat geschreeuw oordeelden, niet anders konden denken, dan dat zij de slechtsten der mensen waren, en hen als zodanig voor te stellen was ook het doel, waarmee zij dat geschreeuw aanhieven, zoals dit ook hun doel was bij hun geschreeuw tegen den Zaligmaker.
b. Dat zij hem van iets te beschuldigen hadden, waarvan de Romeinse gerechtshoven kennis moesten nemen, en waarover de stadhouder had te oordelen, zoals ook Gallio dit had verwacht, Hoofdstuk 18:14, want anders zou het ongerijmd en bespottelijk zijn hem er mede lastig te vallen, ja het zou eigenlijk ene belediging voor hem wezen. Maar tot zijne grote verwondering bevindt hij, dat de zaak zus noch zo was, zij hadden tegen hem enige vragen, in plaats dat zij bewijzen tegen hem hadden. Van het ergste wat zij tegen hem te zeggen hebben, was het nog zeer betwistbaar, of het al of niet ene misdaad was, betwistbare zaken, die tot eindeloze debatten zouden leiden, maar waaruit gene schuld voor hem zou blijken, vragen, die geschikter waren voor de scholen dan voor den rechterstoel. En het waren vragen van hun' bijgeloof, zoals hij hun Godsdienst, of liever dat onderdeel van hun Godsdienst noemde, waaraan, naar hun zeggen, Paulus schade toebracht. De Romeinen beschermden hun Godsdienst volgens hun wet, maar niet hun bijgeloof, niet de inzettingen der ouden. Maar de grote vraag schijnt te wezen betreffende zekeren Jezus, die gestorven was, welken Paulus zei te leven. Sommigen denken, dat het bijgeloof, waarvan hij spreekt, de Christelijke Godsdienst was, dien Paulus predikte, en waarvan Festus hetzelfde denkbeeld had als de Atheners, nl. dat het de invoering was van een' nieuwen dæmon, namelijk Jezus. Zie hoe minachtend deze Romein spreekt van Christus, en van Zijn dood en opstanding, en van het grote geschilpunt tussen de Joden en de Christenen, of Hij al of niet de beloofde Messias is. En van het grote bewijs, dat Hij de Messias is, nl. Zijne opstanding, spreekt hij, alsof het niets meer was dan dit: Er was een zekere Jezus, die gestorven was, welken Paulus zei te leven. Er zijn vele gevallen, waarin de rechterlijke beslissing wordt ingeroepen, of deze of die persoon, die lang afwezig is geweest, nog leeft of dood is, en voor beide meningen worden dan bewijzen bijgebracht, en nu wil Festus het doen voorkomen, alsof ook deze zaak van gene grotere betekenis of belang was. Terwijl toch deze Jezus, wie niet te kennen hem ene reden van trotsheid is, alsof Hij beneden zijne aandacht was, degene is, die dood geweest is, en levend is in alle eeuwigheid, en de sleutelen heeft der hel en des doods, Openbaring 1:18. Wat Paulus verklaarde van Jezus, nl. dat Hij leeft, is ene zaak van zo groot belang en gewicht, dat, indien zij niet waar is, wij allen verloren zijn. Dat hij daarom aan Paulus voorgesteld heeft, om de zaak voor de Joodse gerechtshoven te brengen, als het meest bevoegd en bekwaam om kennis te nemen van zaken van dien aard, vers 20. "Omdat ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, en mij zelven ongeschikt achtte om te oordelen over dingen, die ik niet begrijp, vroeg ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden, dus voor het grote sanhedrin wilde verschijnen." Hij wilde hem hiertoe niet dwingen, maar het zou hem verheugd hebben, als hij er in bewilligd had, zodat zijn geweten niet door ene zaak van dien aard bezwaard werd. Dat Paulus verkozen had zijne zaak veeleer te Rome dan te Jeruzalem behandeld te zien, daar hij meer onpartijdigheid verwachtte van den keizer dan van de priesters. "Hij beriep zich dat men hem tot de kennisneming des keizers bewaren zou, vers 21, geen ander middel hebbende om het proces voor dit lagere hof hier te doen eindigen, heb ik bevolen, dat hij bewaard zou worden onder strenge bewaking, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou, want ik heb gene reden gezien om zijn beroep te weigeren, en was er veeleer verheugd om."
III. Hoe hij nu voor Agrippa gebracht werd, om door hem over die zaak gehoord te worden.
1. De koning wenste het, vers 22. "Ik dank u voor uw bericht nopens hem, maar ik wilde ook zelf dien mens wel horen." Agrippa weet meer van deze zaak dan Festus, en hij weet ook meer van dien man. Hij heeft van Paulus gehoord, en hij weet van hoe groot belang deze vraag is, die Festus zo luchthartig bespreekt, nl. of deze Jezus al of niet levend is. En niets zou hem meer genoegen doen, dan Paulus te horen. Vele voorname lieden achten het beneden zich om kennis te nemen van zaken, die den Godsdienst aangaan, tenzij zij er op den rechterstoel van kunnen horen. Agrippa zou voor niets ter wereld naar ene bijeenkomst hebben willen gaan om Paulus te horen prediken, zoals Herodes Jezus niet zou hebben willen horen, en toch zijn beiden verheugd, dat zij voor hen gebracht worden, doch alleen om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Misschien heeft Agrippa gewenst hem te horen, om hem ene vriendelijkheid te bewijzen, hetgeen hij echter niet gedaan heeft, hij heeft hem slechts enige eer aangedaan.
2. Festus stond het verzoek toe, Morgen zult gij hem horen. Hierin was ene goede voorzienigheid Gods ter bemoediging van Paulus, die in zijne gevangenschap levend begraven scheen, van elke gelegenheid beroofd om goed te kunnen doen. Wij weten van geen brief van hem, die uit de gevangenis te Cesarea gedateerd was. De gelegenheid, die hij had om goed te doen aan de vrienden, die hem bezochten, en wellicht aan ene kleine vergadering van gelovigen, die hem iedere dag des Heeren bezocht, bood hem toch slechts een engen werkkring om er nuttig in te zijn ten dienste des Heeren, zodat hij op zij scheen geworpen, als een gebroken, veracht vat, waar men geen lust toe heeft. Maar dit geeft hem de gelegenheid om Christus te prediken voor een groot gehoor, ja voor een gehoor van groten der aarde. Felix hoorde hem in het geheim over het geloof van Christus. Maar Agrippa en Festus komen overeen, dat hij in het openbaar zal gehoord worden. En wij hebben reden te geloven, dat zijne rede, die in het volgende hoofdstuk staat opgetekend, hoewel zij niet zo vele bekeringen van zielen ten gevolge had als sommigen van zijne andere redevoeringen, toch evenzeer tot eer van Christus en het Christendom strekte, als welke andere redevoering ook, die hij ooit heeft uitgesproken.
3. Er worden grote toebereidselen voor gemaakt, vers 23. Des anderen daags kwam een grote toeloop van volk in het rechthuis, daar Paulus en zijne zaak veel besproken waren, en bovenal omdat er veel tegen gesproken werd. Agrippa en Bernice maakten gebruik van de gelegenheid om zich in alle staatsie en pracht te vertonen, en misschien hebben zij die gelegenheid gewenst, om te zien en gezien te worden, want zij kwamen met grote pracht, rijk gekleed met versierselen van paarlen en goud, een groot gevolg van dienaren in rijke livrei, hetgeen een prachtig gezicht opleverde, en de ogen der starende menigte verblindde. Zij kwamen meta pollêsphantasias -met grote verbeelding, zoals de betekenis is van het woord. Grote pracht is slechts grote verbeelding, zij geeft gene werkelijke voortreffelijkheid, en wint geen wezenlijken eerbied, maar voedt ene ijdelheid, die wijze lieden eerder zullen doden dan bevredigen. Het is slechts ene vertoning, een droom, iets fantastisch-gelijk de betekenis is van het woord-oppervlakkig en voorbijgaand. En de pracht van deze vertoning zou iemand voor altijd een afkeer kunnen inboezemen van pracht en praal, daar toch die pracht, waarin Agrippa en Bernice verschenen:
a. bevlekt was door hun ongebonden levenswandel, alle schoonheid er van bezoedeld, terwijl deugdzame lieden, die hen kenden, hen te midden van al die praal en pracht als verworpenen moesten veroordelen, Psalm 15:4. b. Overschitterd werd door de werkelijke heerlijkheid van den armen gevangene voor de balie. Wat was de heerlijkheid van hun fraaie klederen, vergeleken bij zijne wijsheid en genade, en heiligheid, zijn moed en zijne standvastigheid in het lijden voor Christus? Zijne banden om zo goed ene zaak waren heerlijker dan hun gouden ketenen, en zijne bewakers dan hun schitterend gevolg. Wie zou wereldlijke pracht kunnen beminnen, als men hier zo slecht ene vrouw er mede beladen ziet, en zo goed een man met het tegenovergestelde er van? De oversten en de mannen, die de voornaamsten der stad waren, gebruikten deze gelegenheid om aan Festus en zijne gasten hun eerbied te betonen. Zij diende tot hetzelfde doel als een hofbal, want zij bracht de voorname lieden bijeen in hun fraaie klederen, en strekte hun tot vermaak. Het is waarschijnlijk dat Festus aan Paulus er des avonds bericht van liet geven, dat hij zich gereed moest houden om den volgenden morgen voor Agrippa te verschijnen ten einde door hem verhoord te worden. En Paulus had zulk een vertrouwen in de belofte van Christus, dat het hem in die ure gegeven zal worden wat hij zal spreken, dat hij niet geklaagd heeft over den korten tijd van voorbereiding, dien men hem gaf, en er ook niet in verwarring door werd gebracht. Ik ben geneigd te denken, dat zij, die in pracht en praal verschenen, meer in zorge waren over hun kledij, dan Paulus, die daar als gevangene zou verschijnen, in zorge of bekommernis was over zijne zaak, want hij wist wie hij geloofd heeft, en wie met hem was om hem bij te staan.
IV. De rede van Festus ter inleiding van de rechtszaak, toen het hof, of liever de hoorders, gezeten waren, en ongeveer van dezelfden inhoud was als het bericht, dat hij er Agrippa van gegeven had.
1. Hij richt zich met eerbied tot de vergadering, Koning Agrippa, en alle gij mannen, die met ons hier tegenwoordig zijt. Hij spreekt tot alle de mannen-pantes andres, alsof hij ene stilzwijgende afkeuring wilde te kennen geven van Bernice, ene vrouw, wegens hare verschijning in ene vergadering van dien aard. Hij roept haar oordeel niet in, en begeert haren raad niet, maar "gij mannen alle, die met ons hier tegenwoordig zijt, ik wens, dat gij kennis zult nemen van deze zaak." Het woord, hier gebruikt, is het woord, dat mannen onderscheidt van vrouwen, wat had Bernice hier te doen?
2. Hij stelt den gevangene voor als iemand, tegen wie de Joden een sterken wrok koesterden, niet slechts de oversten, maar de ganse menigte beide te Jeruzalem en hier te Cesarea roepen, dat hij niet meer behoort te leven, want zij denken, dat hij reeds te lang geleefd heeft, en zo hij langer leefde, zou hij slechts nog meer kwaad doen. Zij konden hem van gene halsmisdaad beschuldigen, maar zij wensen hem uit den weg geruimd te zien.
3. Hij erkent de onschuld van den gevangene, en het was zeer tot eer van Paulus en van zijne banden, dat er zulk ene openlijke erkenning van zijne onschuld uit den mond van zijn' rechter gehoord werd, vers 25. Ik heb bevonden, dat hij niets des doods waardig gedaan heeft. Na een volledig verhoor, bleek het, dat er volstrekt gene bewijzen waren om de beschuldiging te staven, in weerwil dus van zijne neiging om den vervolgers gunst te betonen, is hij door zijn eigen geweten gedrongen Paulus onschuldig te verklaren. En waarom heeft hij hem dan niet uit de gevangenis ontslagen? Wel, daar werd zulk een geschreeuw tegen aangeheven, en hij bevond, dat dit geschreeuw tegen hem zelven zou aangeheven worden, indien hij hem vrijliet. Dit is wel te betreuren, want iedereen, die een geweten heeft, behoort den moed te hebben om naar de inspraak van dat geweten te handelen. Of misschien kwam hij, omdat er zoveel rook was, tot de gevolgtrekking, dat er ook wel vuur moest wezen, dat ten laatste wel ontdekt zou worden, zo hij hem, in de verwachting daarvan, gevangen hield.
4. Hij maakt hun bekend met den tegenwoordigen stand der zaak, dat de gevangene zich op den keizer had beroepen, (waarmee hij zijne zaak eerde, in de bewustheid, dat zij niet onwaardig was, dat de grootsten en voornaamsten der mensen er kennis van zouden nemen,) en dat hij dit zijn beroep had toegelaten: ik heb besloten hem te zenden. Zo was het, dat nu de zaak stond.
5. Hij verlangt hun hulp bij een kalm en onpartijdig onderzoek der zaak, nu er geen gevaar was, om zoals te voren, door het rumoer en geschreeuw der vervolgers gestoord te worden, zodat hij ten minste zulk een inzicht van de zaak kon verkrijgen als nodig was om haar den keizer voor te leggen, vers 26, 27. Hij achtte het onredelijk een gevangene te zenden, en dat wel heel naar Rome, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven, en de zaak zo goed mogelijk in gereedheid gebracht voor de kennisneming door den keizer en om door hem beslist te worden. Want hij-de keizer-wordt verondersteld een man te zijn van grote voortvarendheid in zaken, en daarom moeten zij hem zo beknopt mogelijk worden voorgesteld. Hij had nu nog niets zekers omtrent Paulus te schrijven. De berichten, die hij nopens hem had ontvangen, waren zo verward, en zo met elkaar in strijd, dat hij niet wist wat er van te denken. Daarom wenste hij hem nu in het openbaar een verhoor te laten ondergaan, opdat hij hun raad zou kunnen ontvangen over hetgeen hij zou schrijven. Zie aan welk een last en moeite, aan welk ene vertraging, ja aan welk gevaar diegenen blootstonden in de openbare rechtsbedeling, die op zulk een groten afstand van Rome waren, en toch onder de heerschappij waren van den keizer. Aan diezelfde moeite en kwelling was ons volk blootgesteld, dat in tegenovergestelde richting op ongeveer dezelfden afstand van Rome woont, toen wij voor kerkelijke zaken aan den Paus van Rome waren onderworpen, en bij alle gelegenheden een beroep op zijne rechtspraak gedaan werd, en hetzelfde kwaad, ja duizend maal erger, zouden diegenen over ons brengen, die ons wederom met dit juk der dienstbaarheid zouden willen bevangen. Handelingen 25:13-27
Wij hebben hier de toebereidselen, die gemaakt werden voor nog een verhoor van Paulus voor koning Agrippa, niet opdat deze een oordeel over hem zou uitspreken, maar om betreffende hem van raad te dienen, of eigenlijk, om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen. Christus had van Zijne volgelingen gezegd, dat zij voor stadhouders en koningen geleid zullen worden, in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk is Paulus voor Festus, den stadhouder, geleid, hier, voor Agrippa, den koning, beiden tot een getuigenis. Hier is:
I. Het vriendelijk bezoek van koning Agrippa aan Festus bij diens komst aan het bestuur van deze provincie, vers 13. Na enige dagen kwam koning Agrippa te Cesarea. Hier is een koninklijk bezoek. Gewoonlijk achten koningen het voldoende om een ambassadeur te zenden om hun vrienden geluk te wensen, maar hier was een koning, die zelf kwam en de koninklijke majesteit achterstelde bij het genoegen van een vriend, want een persoonlijk onderhoud is het aangenaamst onder vrienden. Merk op:
1. Wie de bezoekers waren.
a. Koning Agrippa, de zoon van dien Herodes, bijgenaamd Agrippa, die den apostel Jakobus heeft ter dood gebracht, en zelf van de wormen gegeten werd en achterkleinzoon van Herodes den Grote, onder wiens regering Christus was geboren. Josephus noemt hem Agrippa den jongere. Keizer Claudius had hem tot koning aangesteld van Chalcis en viervorst van Trachonitis en Abilene, vermeld in Lukas 3:1. De Joodse schrijvers spreken van hem, en (naar Dr. Lightfoot ons mededeelt) verhalen onder anderen dat hij "in het laatste gedeelte van het jaar der vrijlating naar het bevel, in het openbaar de wet las, en, komende tot de woorden in Deuteronomium 17:15 :Gij zult ganselijk tot koning over u stellen dien de Heere uw God verkiezen zal, uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen, gij zult niet vermogen over u te zetten een' vreemden man, die uw broeder niet is, stroomden hem de tranen over de wangen, want hij was niet van het zaad Israël's, waarop de vergadering, dit bemerkende, hem toeriep: Schep moed, koning Agrippa, gij zijt onze broeder, want hij was van hun Godsdienst, al was hij niet van hun bloed."
b. Bernice vergezelde hem. Zij was zijne eigene zuster, thans weduwe van zijn oom Herodes, koning van Chalcis, na wiens dood zij bij dezen haren broeder woonde, dien men van al te gemeenzamen omgang met haar verdacht. Zij huwde voor de tweede maal Ptolemon, koning van Cilicië, van wie zij zich echter liet scheiden, en toen tot haren broeder, koning Agrippa, terugkeerde. Juvenal. Sat. 6. spreekt van een diamanten ring, dien Agrippa aan Bernice, zijne bloedschendige zuster, ten geschenke gaf. Berenices In digito factus pretiosior, hunc dedit olim Barbarus incestæ, dedit hunc Agrippa sorori,
Dat wijdvermaarde juweel, dat op den vinger schitterde van Bernice (daarom nog te kostbaarder) haar geschonken door een bloedschendigen broeder. -Gifford.
En beide Tacitus en Suetonius spreken van ene misdadige gemeenzaamheid later tussen haar en Titus Vespasianus. Drusilla, de vrouw van Felix was ook ene zuster van haar. Zo ontuchtig en ongebonden waren over het algemeen de groten der aarde in dien tijd! Zeg niet, dat de vorige dagen beter geweest zijn dan deze. 2. Wat het doel was van dit bezoek, zij kwamen om Festus te begroeten, hem geluk te wensen met zijne bevordering, en er hem voorspoed in te wensen, zij kwamen om hem te complimenteren bij zijne komst tot de regering, en om ene goede verstandhouding met hem te hebben, zodat Agrippa, die over Galilea regeerde, in overeenstemming kon handelen met Festus, die het bestuur had over Judea. Maar waarschijnlijk kwamen zij even veel tot hun eigen vermaak en genoegen, als om hem eer te bewijzen, deel te nemen aan de hoffeesten, en hun fraaie klederen te tonen, die anders ook aan ijdele lieden geen genoegen zouden verschaffen, als zij er niet mede in het openbaar verschenen.
II. Het bericht, dat Festus aan koning Agrippa van Paulus en zijne rechtszaak gaf:
1. Om hem genoegen te doen en vermaak te verschaffen. Het was ene zeer merkwaardige geschiedenis, wel waard om haar te horen, niet alleen omdat zij verrassend en onderhoudend was, maar ook, omdat zij, volledig en naar waarheid verhaald zijnde, zeer stichtelijk en leerrijk was, zeer bijzonder aangenaam aan Agrippa, niet alleen omdat hij een rechter was, en er punten van wet en praktijk in waren, ten volle zijne aandacht waardig, maar nog veel meer omdat hij een Jood was, en er punten van Godsdienst in waren, die zijne kennisneming er van verdienden.
2. Om zijn raad te hebben. Festus was pas onlangs in het rechterlijk ambt gekomen, ten minste in deze landen, en daarom wantrouwt hij zich zelven en zijne bekwaamheid, en wilde dus zeer gaarne den raad inwinnen van hen, die ouder waren en meer ervaring hadden, inzonderheid ten opzichte van ene zaak, waarin zo vele moeilijkheden waren, als de zaak van Paulus scheen te hebben, en daarom heeft hij haar aan den koning verhaald. Laat ons nu het bijzonder bericht nagaan, dat hij aan koning Agrippa betreffende Paulus gegeven heeft, vers 14-21. Hij vond hem als gevangene, toen hij aan de regering dezer provincie is gekomen, en daarom kon hij niet uit eigen wetenschap een bericht van zijne zaak geven van het begin af, hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten. Indien er dus iets verkeerds was in zijne gevangenneming, is Festus hier niet voor verantwoordelijk, want hij vond hem gevangen. Toen Felix, den Joden gunst willende bewijzen, Paulus gevangen liet, hoewel hij wist, dat hij onschuldig was, wist hij niet wat hij deed, wist hij niet, dat hij wel in erger handen kon vallen, hoewel de handen, waarin hij nu was, al niet van de besten waren. Het Joodse sanhedrin was ten uiterste tegen hem ingenomen. "Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem. Zij stelden hem voor als een gevaarlijk man, die niet waard is te leven, en daarom wensten zij hem ter dood te zien veroordeeld." Daar dezen nu aanspraak maakten op grote Godsdienstigheid, en men dus kan veronderstellen, dat zij mannen zijn van eer en oprechtheid, meent Festus, dat hij hun geloof moet schenken, maar Agrippa kent hen beter dan hij, en daarom begeert hij zijn raad in die zaak. Dat hij zich gehouden had aan de Romeinse wet ten gunste van den gevangene, en hem dus niet ongehoord wilde veroordelen, vers 16.
"De Romeinen hebben de gewoonte niet, daar zij zich hierin laten regeren door de wet der natuur en de grondbeginselen der gerechtigheid, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, hem aan het verderf, de verwoesting, te geven" (zoals de eigenlijke betekenis is van het woord) "zijnen vijanden genoegen te geven door zijn verderf, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, om hun getuigenis te confronteren, zodat hem tijd en verlof gegeven wordt, om zich te verdedigen." Hij schijnt hen te bestraffen, alsof zij ene ongunstige mening hadden te kennen gegeven van de Romeinen en de Romeinse regering door zo iets te vragen, te verwachten, dat zij een mens ongehoord ter dood zullen veroordelen. "Neen," zegt hij, "Weet, dat, wat gij zelven hieromtrent ook doet, of voor geoorloofd houdt, de Romeinen zulk ene ongerechtigheid niet toe laten onder elkaar." Audi et alteram partem Hoor ook de andere zijde, was een spreekwoord onder hen. Aan dezen regel moeten wij ons houden bij ons afkeurend oordeel in den gewonen dagelijksen omgang met de mensen. Wij moeten aan de mensen gene slechte hoedanigheden toeschrijven, hun woorden en daden niet veroordelen voor wij gehoord hebben wat ter hunner rechtvaardiging gezegd wordt. Johannes 7:51. Dat hij hem, volgens den plicht van zijn ambt voor den rechterstoel een verhoor heeft doen ondergaan, vers 17. Dat hij er met bekwamen spoed in heeft gehandeld, zodat de vervolgers gene reden hadden om over zijne traagheid te klagen, want als zij dan gezamenlijk hier gekomen waren, (en wij zijn er zeker van, dat zij geen tijd lieten verloren gaan), zo ben ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten. Hij had het verhoor ook op de plechtigste wijze doen plaats hebben. Hij zat op den rechterstoel, zoals het de gewoonte was voor de behandeling van gewichtige zaken, terwijl zij over zaken van mindere aangelegenheid de plano -op den platten grond, of gelijkvloers, oordeelden. Hij heeft voor het verhoor van Paulus met opzet den vollen raad bijeengebracht, opdat de uitspraak beslissend zou zijn, en de zaak aldus beëindigd zou worden. Dat hij uiterst teleurgesteld was in hetgeen zij hem ten laste legden, vers 18, 19. Over welken de beschuldigers hier staande, om hun aanklacht in te leveren, gene zaak hebben ingebracht, waarvan ik vermoedde. Vanwege hun heftigheid in de vervolging, en hun aandringen er van bij den enen Romeinsen stadhouder na den anderen, veronderstelde hij:
a. Dat zij hem hadden te beschuldigen van iets dat, hetzij den bijzonderen eigendom, hetzij den openbaren vrede in gevaar bracht. Dat zij hem konden bewijzen een rover of moordenaar, of een rebel tegen den Romeinsen staat te zijn, de wapens te hebben opgevat om een' opstand aan te voeren, want indien hij al de Egyptenaar niet was, die onlangs een oproer had verwekt, en ene bende moordenaars had aangevoerd, zoals de overste van hem gedacht heeft, zou hij toch wel iemand van dezelfde soort kunnen zijn. Zodanig was het geschreeuw tegen de eerste Christenen, zo luid en zo woest, dat de omstanders, die naar dat geschreeuw oordeelden, niet anders konden denken, dan dat zij de slechtsten der mensen waren, en hen als zodanig voor te stellen was ook het doel, waarmee zij dat geschreeuw aanhieven, zoals dit ook hun doel was bij hun geschreeuw tegen den Zaligmaker.
b. Dat zij hem van iets te beschuldigen hadden, waarvan de Romeinse gerechtshoven kennis moesten nemen, en waarover de stadhouder had te oordelen, zoals ook Gallio dit had verwacht, Hoofdstuk 18:14, want anders zou het ongerijmd en bespottelijk zijn hem er mede lastig te vallen, ja het zou eigenlijk ene belediging voor hem wezen. Maar tot zijne grote verwondering bevindt hij, dat de zaak zus noch zo was, zij hadden tegen hem enige vragen, in plaats dat zij bewijzen tegen hem hadden. Van het ergste wat zij tegen hem te zeggen hebben, was het nog zeer betwistbaar, of het al of niet ene misdaad was, betwistbare zaken, die tot eindeloze debatten zouden leiden, maar waaruit gene schuld voor hem zou blijken, vragen, die geschikter waren voor de scholen dan voor den rechterstoel. En het waren vragen van hun' bijgeloof, zoals hij hun Godsdienst, of liever dat onderdeel van hun Godsdienst noemde, waaraan, naar hun zeggen, Paulus schade toebracht. De Romeinen beschermden hun Godsdienst volgens hun wet, maar niet hun bijgeloof, niet de inzettingen der ouden. Maar de grote vraag schijnt te wezen betreffende zekeren Jezus, die gestorven was, welken Paulus zei te leven. Sommigen denken, dat het bijgeloof, waarvan hij spreekt, de Christelijke Godsdienst was, dien Paulus predikte, en waarvan Festus hetzelfde denkbeeld had als de Atheners, nl. dat het de invoering was van een' nieuwen dæmon, namelijk Jezus. Zie hoe minachtend deze Romein spreekt van Christus, en van Zijn dood en opstanding, en van het grote geschilpunt tussen de Joden en de Christenen, of Hij al of niet de beloofde Messias is. En van het grote bewijs, dat Hij de Messias is, nl. Zijne opstanding, spreekt hij, alsof het niets meer was dan dit: Er was een zekere Jezus, die gestorven was, welken Paulus zei te leven. Er zijn vele gevallen, waarin de rechterlijke beslissing wordt ingeroepen, of deze of die persoon, die lang afwezig is geweest, nog leeft of dood is, en voor beide meningen worden dan bewijzen bijgebracht, en nu wil Festus het doen voorkomen, alsof ook deze zaak van gene grotere betekenis of belang was. Terwijl toch deze Jezus, wie niet te kennen hem ene reden van trotsheid is, alsof Hij beneden zijne aandacht was, degene is, die dood geweest is, en levend is in alle eeuwigheid, en de sleutelen heeft der hel en des doods, Openbaring 1:18. Wat Paulus verklaarde van Jezus, nl. dat Hij leeft, is ene zaak van zo groot belang en gewicht, dat, indien zij niet waar is, wij allen verloren zijn. Dat hij daarom aan Paulus voorgesteld heeft, om de zaak voor de Joodse gerechtshoven te brengen, als het meest bevoegd en bekwaam om kennis te nemen van zaken van dien aard, vers 20. "Omdat ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, en mij zelven ongeschikt achtte om te oordelen over dingen, die ik niet begrijp, vroeg ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden, dus voor het grote sanhedrin wilde verschijnen." Hij wilde hem hiertoe niet dwingen, maar het zou hem verheugd hebben, als hij er in bewilligd had, zodat zijn geweten niet door ene zaak van dien aard bezwaard werd. Dat Paulus verkozen had zijne zaak veeleer te Rome dan te Jeruzalem behandeld te zien, daar hij meer onpartijdigheid verwachtte van den keizer dan van de priesters. "Hij beriep zich dat men hem tot de kennisneming des keizers bewaren zou, vers 21, geen ander middel hebbende om het proces voor dit lagere hof hier te doen eindigen, heb ik bevolen, dat hij bewaard zou worden onder strenge bewaking, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou, want ik heb gene reden gezien om zijn beroep te weigeren, en was er veeleer verheugd om."
III. Hoe hij nu voor Agrippa gebracht werd, om door hem over die zaak gehoord te worden.
1. De koning wenste het, vers 22. "Ik dank u voor uw bericht nopens hem, maar ik wilde ook zelf dien mens wel horen." Agrippa weet meer van deze zaak dan Festus, en hij weet ook meer van dien man. Hij heeft van Paulus gehoord, en hij weet van hoe groot belang deze vraag is, die Festus zo luchthartig bespreekt, nl. of deze Jezus al of niet levend is. En niets zou hem meer genoegen doen, dan Paulus te horen. Vele voorname lieden achten het beneden zich om kennis te nemen van zaken, die den Godsdienst aangaan, tenzij zij er op den rechterstoel van kunnen horen. Agrippa zou voor niets ter wereld naar ene bijeenkomst hebben willen gaan om Paulus te horen prediken, zoals Herodes Jezus niet zou hebben willen horen, en toch zijn beiden verheugd, dat zij voor hen gebracht worden, doch alleen om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Misschien heeft Agrippa gewenst hem te horen, om hem ene vriendelijkheid te bewijzen, hetgeen hij echter niet gedaan heeft, hij heeft hem slechts enige eer aangedaan.
2. Festus stond het verzoek toe, Morgen zult gij hem horen. Hierin was ene goede voorzienigheid Gods ter bemoediging van Paulus, die in zijne gevangenschap levend begraven scheen, van elke gelegenheid beroofd om goed te kunnen doen. Wij weten van geen brief van hem, die uit de gevangenis te Cesarea gedateerd was. De gelegenheid, die hij had om goed te doen aan de vrienden, die hem bezochten, en wellicht aan ene kleine vergadering van gelovigen, die hem iedere dag des Heeren bezocht, bood hem toch slechts een engen werkkring om er nuttig in te zijn ten dienste des Heeren, zodat hij op zij scheen geworpen, als een gebroken, veracht vat, waar men geen lust toe heeft. Maar dit geeft hem de gelegenheid om Christus te prediken voor een groot gehoor, ja voor een gehoor van groten der aarde. Felix hoorde hem in het geheim over het geloof van Christus. Maar Agrippa en Festus komen overeen, dat hij in het openbaar zal gehoord worden. En wij hebben reden te geloven, dat zijne rede, die in het volgende hoofdstuk staat opgetekend, hoewel zij niet zo vele bekeringen van zielen ten gevolge had als sommigen van zijne andere redevoeringen, toch evenzeer tot eer van Christus en het Christendom strekte, als welke andere redevoering ook, die hij ooit heeft uitgesproken.
3. Er worden grote toebereidselen voor gemaakt, vers 23. Des anderen daags kwam een grote toeloop van volk in het rechthuis, daar Paulus en zijne zaak veel besproken waren, en bovenal omdat er veel tegen gesproken werd. Agrippa en Bernice maakten gebruik van de gelegenheid om zich in alle staatsie en pracht te vertonen, en misschien hebben zij die gelegenheid gewenst, om te zien en gezien te worden, want zij kwamen met grote pracht, rijk gekleed met versierselen van paarlen en goud, een groot gevolg van dienaren in rijke livrei, hetgeen een prachtig gezicht opleverde, en de ogen der starende menigte verblindde. Zij kwamen meta pollêsphantasias -met grote verbeelding, zoals de betekenis is van het woord. Grote pracht is slechts grote verbeelding, zij geeft gene werkelijke voortreffelijkheid, en wint geen wezenlijken eerbied, maar voedt ene ijdelheid, die wijze lieden eerder zullen doden dan bevredigen. Het is slechts ene vertoning, een droom, iets fantastisch-gelijk de betekenis is van het woord-oppervlakkig en voorbijgaand. En de pracht van deze vertoning zou iemand voor altijd een afkeer kunnen inboezemen van pracht en praal, daar toch die pracht, waarin Agrippa en Bernice verschenen:
a. bevlekt was door hun ongebonden levenswandel, alle schoonheid er van bezoedeld, terwijl deugdzame lieden, die hen kenden, hen te midden van al die praal en pracht als verworpenen moesten veroordelen, Psalm 15:4. b. Overschitterd werd door de werkelijke heerlijkheid van den armen gevangene voor de balie. Wat was de heerlijkheid van hun fraaie klederen, vergeleken bij zijne wijsheid en genade, en heiligheid, zijn moed en zijne standvastigheid in het lijden voor Christus? Zijne banden om zo goed ene zaak waren heerlijker dan hun gouden ketenen, en zijne bewakers dan hun schitterend gevolg. Wie zou wereldlijke pracht kunnen beminnen, als men hier zo slecht ene vrouw er mede beladen ziet, en zo goed een man met het tegenovergestelde er van? De oversten en de mannen, die de voornaamsten der stad waren, gebruikten deze gelegenheid om aan Festus en zijne gasten hun eerbied te betonen. Zij diende tot hetzelfde doel als een hofbal, want zij bracht de voorname lieden bijeen in hun fraaie klederen, en strekte hun tot vermaak. Het is waarschijnlijk dat Festus aan Paulus er des avonds bericht van liet geven, dat hij zich gereed moest houden om den volgenden morgen voor Agrippa te verschijnen ten einde door hem verhoord te worden. En Paulus had zulk een vertrouwen in de belofte van Christus, dat het hem in die ure gegeven zal worden wat hij zal spreken, dat hij niet geklaagd heeft over den korten tijd van voorbereiding, dien men hem gaf, en er ook niet in verwarring door werd gebracht. Ik ben geneigd te denken, dat zij, die in pracht en praal verschenen, meer in zorge waren over hun kledij, dan Paulus, die daar als gevangene zou verschijnen, in zorge of bekommernis was over zijne zaak, want hij wist wie hij geloofd heeft, en wie met hem was om hem bij te staan.
IV. De rede van Festus ter inleiding van de rechtszaak, toen het hof, of liever de hoorders, gezeten waren, en ongeveer van dezelfden inhoud was als het bericht, dat hij er Agrippa van gegeven had.
1. Hij richt zich met eerbied tot de vergadering, Koning Agrippa, en alle gij mannen, die met ons hier tegenwoordig zijt. Hij spreekt tot alle de mannen-pantes andres, alsof hij ene stilzwijgende afkeuring wilde te kennen geven van Bernice, ene vrouw, wegens hare verschijning in ene vergadering van dien aard. Hij roept haar oordeel niet in, en begeert haren raad niet, maar "gij mannen alle, die met ons hier tegenwoordig zijt, ik wens, dat gij kennis zult nemen van deze zaak." Het woord, hier gebruikt, is het woord, dat mannen onderscheidt van vrouwen, wat had Bernice hier te doen?
2. Hij stelt den gevangene voor als iemand, tegen wie de Joden een sterken wrok koesterden, niet slechts de oversten, maar de ganse menigte beide te Jeruzalem en hier te Cesarea roepen, dat hij niet meer behoort te leven, want zij denken, dat hij reeds te lang geleefd heeft, en zo hij langer leefde, zou hij slechts nog meer kwaad doen. Zij konden hem van gene halsmisdaad beschuldigen, maar zij wensen hem uit den weg geruimd te zien.
3. Hij erkent de onschuld van den gevangene, en het was zeer tot eer van Paulus en van zijne banden, dat er zulk ene openlijke erkenning van zijne onschuld uit den mond van zijn' rechter gehoord werd, vers 25. Ik heb bevonden, dat hij niets des doods waardig gedaan heeft. Na een volledig verhoor, bleek het, dat er volstrekt gene bewijzen waren om de beschuldiging te staven, in weerwil dus van zijne neiging om den vervolgers gunst te betonen, is hij door zijn eigen geweten gedrongen Paulus onschuldig te verklaren. En waarom heeft hij hem dan niet uit de gevangenis ontslagen? Wel, daar werd zulk een geschreeuw tegen aangeheven, en hij bevond, dat dit geschreeuw tegen hem zelven zou aangeheven worden, indien hij hem vrijliet. Dit is wel te betreuren, want iedereen, die een geweten heeft, behoort den moed te hebben om naar de inspraak van dat geweten te handelen. Of misschien kwam hij, omdat er zoveel rook was, tot de gevolgtrekking, dat er ook wel vuur moest wezen, dat ten laatste wel ontdekt zou worden, zo hij hem, in de verwachting daarvan, gevangen hield.
4. Hij maakt hun bekend met den tegenwoordigen stand der zaak, dat de gevangene zich op den keizer had beroepen, (waarmee hij zijne zaak eerde, in de bewustheid, dat zij niet onwaardig was, dat de grootsten en voornaamsten der mensen er kennis van zouden nemen,) en dat hij dit zijn beroep had toegelaten: ik heb besloten hem te zenden. Zo was het, dat nu de zaak stond.
5. Hij verlangt hun hulp bij een kalm en onpartijdig onderzoek der zaak, nu er geen gevaar was, om zoals te voren, door het rumoer en geschreeuw der vervolgers gestoord te worden, zodat hij ten minste zulk een inzicht van de zaak kon verkrijgen als nodig was om haar den keizer voor te leggen, vers 26, 27. Hij achtte het onredelijk een gevangene te zenden, en dat wel heel naar Rome, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven, en de zaak zo goed mogelijk in gereedheid gebracht voor de kennisneming door den keizer en om door hem beslist te worden. Want hij-de keizer-wordt verondersteld een man te zijn van grote voortvarendheid in zaken, en daarom moeten zij hem zo beknopt mogelijk worden voorgesteld. Hij had nu nog niets zekers omtrent Paulus te schrijven. De berichten, die hij nopens hem had ontvangen, waren zo verward, en zo met elkaar in strijd, dat hij niet wist wat er van te denken. Daarom wenste hij hem nu in het openbaar een verhoor te laten ondergaan, opdat hij hun raad zou kunnen ontvangen over hetgeen hij zou schrijven. Zie aan welk een last en moeite, aan welk ene vertraging, ja aan welk gevaar diegenen blootstonden in de openbare rechtsbedeling, die op zulk een groten afstand van Rome waren, en toch onder de heerschappij waren van den keizer. Aan diezelfde moeite en kwelling was ons volk blootgesteld, dat in tegenovergestelde richting op ongeveer dezelfden afstand van Rome woont, toen wij voor kerkelijke zaken aan den Paus van Rome waren onderworpen, en bij alle gelegenheden een beroep op zijne rechtspraak gedaan werd, en hetzelfde kwaad, ja duizend maal erger, zouden diegenen over ons brengen, die ons wederom met dit juk der dienstbaarheid zouden willen bevangen.