3. Allermeest omdat ik weet dat gij kennis hebt van alle gewoonten en twistpunten die er onder de Joden zijn. De Romeinse overheden hebben daarvan geen kennis en kunnen dus ook de zaak niet met juistheid beoordelen. Daarom vraag ik u dat gij mij lankmoediglijk hoort bij hetgeen ik u nu zal voordragen.
Naar de wijze van de Romeinse redenaars strekte hij de rechterhand uit, de drie voorste vingers opwaarts geheven, de twee andere naar binnen gebogen, en vangt hij op die toon van plechtige ernst aan, waarvan het onderscheid met die van zijn rede voor de opgeruide menigte (hoofdstuk 22), tot in de bijzonderheden van vorm en inhoud bij de herinnering of vergelijking onmiskenbaar is. Het is een koninklijk woord tegenover zijn naar de wereld en alleen naar de wereld, koninklijke hoorders, zoals de verantwoording te Jeruzalem een woord van verootmoedigde en tot verootmoediging roepende liefde van een zondaar en voormalige Zeloot tegen medezondaren en blinde ijveraars was.
De inleiding van de rede die hier voor ons ligt, is waardig en zakelijk; want als de apostel zegt dat hij zich gelukkig achtte heden voor Agrippa te mogen spreken, dan is dat geenszins als een vleierij te beschouwen, maar als een ware uitdrukking van hetgeen hij in zijn binnenste voelde. Hij hield in waarheid deze dag voor één van de verblijdendste van zijn leven, omdat het hem vergund was zijn getuigenis van Christus werkelijk voor een koning te mogen afleggen en wel zelfs voor een koning van de Joden, van wie hij kon veronderstellen, als van een kennen van Joodse zeden en begrippen, die geen blind ijveraar voor enige sekte was, behoorlijk begrepen te zullen worden, zodat hij zich voor deze des te beter en duidelijker omtrent alle beschuldigingen kon verantwoorden, die door de Joden tegen hem waren ingebracht. Hij hoopte toch misschien de koning Agrippa zelf voor de Heer te winnen, tenminste zover te brengen dat deze als een persoon, die bij Festus vertrouwen genoot, (terwijl de landvoogd nog vrij onbekend was met Joodse godsdienstzaken en hij een bericht naar Rome moest afzenden) hem zou overtuigen dat het christelijk geloof feitelijk in overeenstemming was met de ware Joodse godsdienst. De apostel kon niet verwachten dat hij door zijn verdediging zijn dadelijke vrijspraak zou kunnen verwerven, dit had hij door zijn beroep op de keizer onmogelijk gemaakt. Hij kon slechts verwachten dat hij met de Romeinse overheid, die hem binnenkort naar Rome zou laten voeren, in een verhouding werd gebracht die de zaak, door hem voorgestaan, zoveel mogelijk zou bevorderen. Uitdrukkelijk stelt hij in zijn verdedigingsrede op de voorgrond dat het christelijk geloof met het ware Jodendom, dat toen in het Romeinse rijk bij de wet werd geduld, in overeenstemming was, zodat de weg voor de Romeinse staat reeds was gebaand om het christendom als een geoorloofde godsdienst te erkennen. Zo ligt nu de grote wereldhistorische betekenis van het te Cesarea gevoerde proces daarin dat hier, waar de Romeinse overheid voor de eerste maal op officiële wijze zich met de rechtsvraag omtrent het christendom bezig hield, de beslissing zo uitviel dat men dit niet gevaarlijk voor de staat hield. Zo heeft de apostel vooral op het oog dat de eenheid van het christendom en het echte Jodendom, waarvan de verwachtingen in Jezus vervuld zijn, door de getuigenis van koning Agrippa, die die bevestigde, voor de Romeinse overheid boven alle twijfel werd verheven. Dan was voor het rijk van God tenminste in de eerste plaats dat recht van bestaan in het Romeinse rijk erkend en de verdere uitbreiding in de landen van dit rijk gemakkelijker gemaakt.
De gehoorzaal van de landvoogd te Cesarea 1) een pronkzaal van wereldse heerlijkheid door de pracht van de vergaderde heersers; 2) een gehoorzaal van heilige waarheden door het getuigenis van de apostel; 3) een gerechtszaal van goddelijke majesteit door de indruk van de apostolische prediking, die de grond van de harten bloot legt.