Handelingen 26:12-23
Allen, die in een God geloven en eerbied hebben voor Zijne vrijmacht, moeten erkennen, dat zij, die onder Zijne leiding en bestuur spreken en handelen, en door Hem gevolmachtigd zijn, niet tegengestaan mogen worden, want dat zou strijden tegen God zijn. Nu toont Paulus hier aan deze aanzienlijke vergadering door zijn eenvoudig en getrouw verhaal der feiten, dat hij onmiddellijk door den hemel geroepen was om het Evangelie van Christus in de Heidenwereld te gaan prediken, hetgeen de zaak was waarom de Joden zo zeer in toorn tegen hem waren ontstoken. Hier toont hij aan:
I. Dat hij door ene Goddelijke kracht tot Christen was gemaakt. In weerwil van al zijne vooroordelen tegen dien weg, heeft de hand des Heeren er hem plotseling op gebracht, niet door uitwendige macht gedwongen Christus te belijden, zoals hij anderen gedwongen had Christus te lasteren, maar door ene geestelijke kracht, door dat Christus van Boven aan hem en in hem werd geopenbaard, en dat wel toen hij in den vollen ren was van zijne zonde, gaande naar Damascus om er door de vervolging der Christenen het Christendom ten onder te brengen, even ijverig in die zaak als ooit te voren, zijne vervolgingswoede niet in het minst verflauwd of afgenomen. Hij is ook niet in verzoeking gekomen om de zaak maar op te geven, doordat zijne vrienden hem in den steek lieten, want hij had ene even ruime volmacht en opdracht van de overpriesters om het Christendom te vervolgen, als hij ooit te voren gehad heeft, toen hij door ene hogere macht genoodzaakt werd om die volmacht op te geven, en ene andere opdracht te aanvaarden, die namelijk van het Christendom te prediken. Twee dingen hebben die verbazingwekkende verandering teweeggebracht: een visioen van den hemel, en ene stem van den hemel, die de kennis van Christus tot hem brachten door de twee zintuigen der lering, die van het gezicht en van het gehoor.
1. Hij zag een hemels gezicht, in omstandigheden waardoor het niet mogelijk was aan zinsbedrog - deceptio visus -te denken, het was zonder enigen twijfel ene Goddelijke verschijning. Hij zag een groot licht, een licht van den hemel, een licht dat door gene kunst kon worden voortgebracht, want het was niet in den nacht, maar in het midden van den dag, het was niet in een huis, waar men hem door kunstgrepen kon misleiden, maar op den weg, in de open lucht, het was een licht boven den glans der zon, dat haar overschitterde en verduisterde, Jesaja 24:23. En het kon geen voortbrengsel zijn van Paulus' verbeelding, want het omscheen hem en degenen, die met hem reisden. Zij waren zich allen bewust van omgeven te zijn van dezen vloed van licht, waardoor de zon zelf in hun ogen tot een kleiner, minder licht werd. De kracht en macht van dit licht bleek in de uitwerkselen er van, toen zij het zagen werden zij door zulk ene ontsteltenis aangegrepen, dat zij allen ter aarde vielen. In kracht was dit licht een bliksem, maar het ging niet als een bliksem voorbij, het bleef hen omschijnen. In Oud-Testamentische tijden heeft God zich gewoonlijk geopenbaard in de dikke duisternis, en maakte die tot Zijne tent, 2 Kronieken 6:1. Hij sprak tot Abraham in ene grote duisternis, Genesis 15:12, want dat was ene duistere bedeling, maar nu zijn leven en onsterfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie, Christus verscheen in een groot licht. In de schepping der genade, evenals in die der wereld, is het eerste wat geschapen is, licht 2 Corinthiërs 4:6. Christus zelf is hem verschenen, vers 16, hiertoe ben Ik u verschenen. Christus was in dit licht, hoewel zij, die met Paulus reisden, alleen het licht zagen, en niet Christus in het licht. Niet alle kennis maakt ons tot Christenen, het moet de kennis wezen van Christus. 2. Hij hoorde ene hemelse stem, ene duidelijke stem, tot hem sprekende. Hier wordt gezegd, dat het was in de Hebreeuwse taal (waarvan te voren geen nota genomen is) zijne moedertaal, de taal van zijn Godsdienst, om hem te kennen te geven, dat hij, hoewel hij naar de Heidenen gezonden moet worden, toch niet moet vergeten, dat hij een Hebreeër is, geen vreemdeling moet worden voor de Hebreeuwse taal, er zich niet aan moet ontwennen. In hetgeen Christus tot hem zei, kunnen wij opmerken:
a. Dat Hij hem bij zijn naam noemde, en dien naam herhaalde: Saul, Saul, hetgeen hem zal verrassen, hem zal doen opschrikken, te meer wijl hij zich nu in ene vreemde plaats bevond, waar hij dacht, dat hem niemand kende.
b. Dat Hij hem overtuigde van zonde, van de grote zonde, die hij nu ging bedrijven, de zonde van de Christenen te vervolgen, en Hij toont er hem de dwaasheid, het ongerijmde van aan.
c. Dat Hij belang stelt in het lijden Zijner volgelingen, er in deelt: wat vervolgt gij Mij vers 14, en wederom: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt, vers 15. Weinig heeft Paulus gedacht, toen hij hen vertrad, die hij als den last en de schandvlek der aarde beschouwde, dat hij Hem beledigde, die de heerlijkheid des hemels is.
d. Dat Hij hem bestrafte wegens zijn moedwillig weerstaan van die overtuigingen: Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan, als een ongewend kalf. Paulus' gemoed begon misschien er tegen op te komen, maar hem wordt gezegd, dat dit gevaarlijk voor hem is, en nu geeft hij zich gewonnen. Of het was gezegd bij wijze van waarschuwing: "Hoed u van deze overtuigingen te weerstaan, want zij zijn bestemd tot uw heil, niet om u te beledigen."
e. Dat Hij, op zijne vraag, zich aan hem bekend maakt. Paulus vraagt, vers 15, "Wie zijt Gij Heere? Laat mij weten wie het is, die met mij spreekt van den hemel, opdat ik dienovereenkomstig antwoorde." En Hij zei: "Ik ben Jezus, dien gij veracht en haat en hoont. Ik draag den naam, dien gij zo gehaat hebt gemaakt, tot ene misdaad hebt gemaakt hem te noemen." Paulus dacht, dat Jezus begraven was in de aarde, en dat Hij, hoewel gestolen uit Zijn eigen graf, toch in een ander was gelegd. Aan alle Joden was geleerd dit te zeggen, en daarom was hij verbaasd Hem van den hemel te horen spreken, Hem van al die heerlijkheid omringd te zien, dien hij met allen mogelijken smaad had overladen. Dit gaf hem de overtuiging, dat de leer van Jezus Goddelijk en hemels was, niet slechts niet tegengestaan mocht worden, maar van harte moest worden aangenomen, dat Jezus de Messias is, want niet slechts is Hij opgestaan van de doden, maar Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen. Dit is genoeg om hem terstond tot een Christen te maken, het gezelschap der vervolgers, tegen hetwelk de Heere van den hemel aldus verschijnt, te verlaten, en zich te voegen bij het gezelschap der vervolgden voor hetwelk de Heere van den hemel aldus verschijnt.
II. Dat hij op Goddelijk gezag tot een leraar was aangesteld, dat dezelfde Jezus, die hem in dit heerlijk licht is verschenen, hem gebood het Evangelie den Heidenen te gaan prediken. Hij is niet gegaan zonder gezonden te zijn, en hij is niet gezonden door mensen, maar door Hem, dien de Vader gezonden heeft, Johannes 20:21. Wat gezegd wordt van zijn gezonden zijn als apostel wordt hier gevoegd bij hetgeen tot hem gezegd was op den weg, maar uit Hoofdstuk 9:15, en 22:15, 17 enz. blijkt, dat het naderhand tot hem gesproken werd, maar kortheidshalve voegt hij de twee bij elkaar: Richt u op en sta op uwe voeten. Zij, die door Christus door het licht Zijns Evangelies neergeworpen worden in verootmoediging wegens hun zonde, zullen bevinden dat het was om hen op te richten en op hun voeten te doen staan in geestelijke genade, kracht en vertroosting. Als Christus verscheurd heeft, dan was het om te genezen, als Hij ter neer geworpen heeft, dan was het om op te richten. Schud u uit het stof, maak u op, Jesaja 52:2, help u zelven en Christus zal u helpen. Hij moet opstaan, want Christus heeft werk voor hem te doen, heeft ene boodschap, en wel ene zeer belangrijke, waarop Hij hem uit wil zenden, Ik ben u verschenen om u te stellen tot een dienaar. Christus stelt zelf Zijne dienaren aan, zij ontvangen van Hem hun bevoegdheid en hun opdracht. Paulus dankt Christus Jezus, die Hem in de bediening gesteld heeft, 1 Timotheus 1:12. Christus is hem verschenen om hem tot een dienaar te stellen. Op de ene of andere wijze zal Christus zich openbaren aan allen, die Hij tot Zijne dienaren stelt, want hoe kunnen zij Hem prediken, die Hem niet kennen? En hoe kunnen zij Hem kennen, aan wie Hij zich door Zijn Geest niet bekend gemaakt heeft? Merk op:
1. Het ambt, waartoe Paulus aangesteld is. Hij wordt tot een dienaar gesteld om Christus te dienen, als Zijn getuige voor Hem te handelen, voor Zijne zaak te getuigen en voor de waarheid Zijner leer, hij moet het Evangelie der genade Gods betuigen, Christus is hem verschenen, opdat hij voor Christus zal verschijnen voor de mensen.
2. Wat Paulus moet getuigen. Hij moet aan de wereld bericht geven:
a. Van de dingen, die hij gezien heeft, die hij thans heeft gezien, hij moet aan de mensen verhalen, dat Christus hem op den weg verschenen is, en wat Hij tot hem gezegd heeft. Hij heeft die dingen gezien, ten einde ze bekend te maken, en hij heeft alle gelegenheden te baat genomen, om ze bekend te maken, zoals hier, en te voren, hoofdstuk 22.
b. En die in welke Hij hem nog zal verschijnen. Christus is nu ene gemeenschapsoefening met Paulus begonnen, die Hij later zal onderhouden, nu zei Hij hem slechts, dat hij nog verder van Hem zal horen. Paulus had in het begin slechts verwarde denkbeelden van het Evangelie, totdat Christus hem verscheen en hem vollediger instructies gaf. Het Evangelie, dat hij predikte, heeft hij onmiddellijk van Christus ontvangen. Galaten 1:12, maar hij ontving het trapsgewijze, iets op den enen tijd, en nog iets op een anderen tijd, naar de behoefte het meebracht. Christus is dikwijls aan Paulus verschenen, waarschijnlijk meer dikwijls dan vermeld wordt, en bleef hem onderrichten, opdat hij zijn volk nog wijsheid zou leren.
3. Hoe hij, terwijl hij aldus als Christus' getuige arbeidde, onder geestelijke bescherming was, alle de machten der duisternis konden niet tegen hem overmogen, totdat hij zijn getuigenis voleindigd had, vers 17, verlossende u van dit volk en van de Heidenen, tot dewelke Ik u nu zend. Christus' getuigen staan onder Zijne bijzondere hoede en zorg, en ofschoon zij in de handen hunner vijanden kunnen vallen, zal Hij hen uit hun handen verlossen, en Hij weet hoe dit te doen. Christus heeft Paulus toen getoond hoe veel hij lijden moest, Hoofdstuk 9:16, en toch zegt Hij hem hier, dat Hij hem van dit volk zal verlossen. Veel lijden is volkomen verenigbaar met de belofte van verlossing van Gods volk, want er is niet beloofd, dat zij voor benauwdheid bewaard zullen worden, maar wel dat God in de benauwdheid met hen zijn zal om hen door te helpen, en soms geeft God hen over in de handen hunner vervolgers, opdat Hij de ere zal hebben om hen uit hun handen te verlossen. 4. De bijzondere opdracht, die Hij hem gaf om onder de Heidenen te gaan, en de boodschap waarmee Hij hem tot hen zond. Het was enige jaren na Paulus' bekering, eer hij tot de Heidenen gezonden werd, of-voor zoveel blijkt-er iets van wist, dat hij hiervoor bestemd was, zie Hoofdstuk 22:21, maar eindelijk wordt hem bevolen, zijn koers daarheen te richten. Er is een groot werk tot stand te brengen onder de Heidenen, en Paulus moet er het middel voor wezen. Er moeten twee dingen gedaan worden.
a. Ene wereld, die in duisternis is gezeten, moet verlicht worden. Zij moeten er toe gebracht worden om te bekennen wat tot hun eeuwigen vrede dient, die daar nu nog onbekend mede zijn, God te kennen als hun Einde, hun Doel, en Christus als den Weg, die nu van die beiden nog niets weten. Hij wordt gezonden om hun ogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht. Zijne prediking zal hen niet slechts bekend maken met de dingen, waarvan zij te voren nooit hadden gehoord, maar zal ook het voertuig zijn voor de Goddelijke genade en kracht, door welke hun verstand zal verlicht worden, om die dingen aan te nemen en ze welkom te heten. Aldus zal hij hun ogen openen, die te voren gesloten waren voor het licht, en zij zullen zich zelven, hun toestand en hun belang willen verstaan. Christus opent het hart door de ogen te openen, Hij leidt de mensen niet geblinddoekt, maar doet hen hun weg zien. Hij is gezonden niet slechts om hun ogen te openen voor nu, voor het ogenblik, maar om ze open te houden, om hen te bekeren van de duisternis tot het licht, hen terug te houden van het volgen van blinde leidslieden, hun orakelen, hun voorspellingen en bijgelovige gebruiken, die zij bij overlevering van hun vaderen hebben ontvangen, en de verdorvene begrippen en denkbeelden, die zij hadden van hun goden, ten einde ene Goddelijke openbaring van ontwijfelbare zekerheid en waarheid te volgen. Dit was: hen bekeren van de duisternis tot het licht, hen van de wegen der duisternis af te keren tot die, waarop het licht schijnt. Het grote doeleinde van het Evangelie is de onwetenden te onderwijzen, en de vergissingen te herstellen van hen, die in dwaling zijn, zodat de dingen in het ware licht gesteld en gezien mogen worden.
b. Ene wereld, die in het boze ligt, in den boze, moet geheiligd en hervormd worden. Het is niet genoeg, dat hun ogen geopend worden, hun hart moet ook worden vernieuwd, niet genoeg, dat zij bekeerd worden van de duisternis tot het licht, zij moeten ook bekeerd worden van de macht van Satan tot God, hetgeen er als van zelf uit zal volgen, want Satan heerst door de macht der duisternis, en God door het overtuigend bewijs van licht. Zondaren zijn onder de macht van Satan, afgodendienaars waren het in bijzonderen zin, zij brachten hulde aan duivelen. Alle zondaren zijn onder den invloed zijner verzoekingen, geven zich aan hem gevangen, staan hem ten dienste. Bekerende genade voert hen weg van onder de heerschappij van Satan, en brengt hen tot onderworpenheid aan God, om zich te gedragen naar de regelen van Zijn woord, en in te stemmen met de voorschriften en aanwijzingen van Zijn' Geest, Hij trekt ons uit de macht der duisternis en zet ons over in het koninkrijk van den Zoon Zijner liefde. Als Godvruchtige neigingen sterk zijn in de ziel (zoals vroeger verdorvene en zondige neigingen) dan is zij bekeerd van de macht van Satan tot God. Er is grote zaligheid voor de Heidenen bedoeld door dat werk-opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, zij zijn bekeerd van de duisternis der zonde tot het licht der heiligheid, van de slavernij van Satan tot den dienst van God, niet opdat God iets door hen zou winnen, maar opdat zij alles zouden winnen door Hem.
a. Dat zij hersteld zullen worden in Zijne gunst, die zij door de zonde hebben verbeurd, vergeving van zonden zullen ontvangen. Zij zijn verlost van de heerschappij der zonde, opdat zij behouden, gered zullen worden van dien dood, die de bezoldiging is der zonde. Niet, dat zij vergeving verdienen, als ene schuld, die hun betaald, of ene beloning, die hun gegeven wordt, maar opdat zij haar ontvangen als ene vrije gave, bekwaam zullen gemaakt worden om er de vertroosting van te ontvangen. Zij worden bewogen om de wapens neer te leggen, en weer te keren tot hun trouw, teneinde het voordeel te hebben van de acte van kwijtschelding, en er op te kunnen pleiten in het oordeel tegen hen.
b. Dat zij zalig zullen zijn in het genieten van Hem, niet slechts, dat hun zonden zullen vergeven worden, maar dat zij een erfdeel zullen hebben onder de geheiligden, door het geloof in Mij. De hemel is een erfdeel, dat tot alle kinderen Gods komt, want indien zij kinderen zijn dan zijn zij erfgenamen. Opdat zij klêron een lot -zullen hebben (zo kan de zin ook gelezen worden,) zinspelende op de erfdelen van Kanaän, die door het lot werden toegewezen, en ook dat is de daad Gods, het gehele beleid daarvan is van den Heere. Opdat zij een recht zullen hebben, -zo lezen sommigen den zin-niet door verdienste, maar zuiver en alleen door genade. Allen, die krachtdadiglijk bekeerd worden van de zonde tot God, ontvangen niet alleen vergeving, zij worden ook bevorderd, de verbeurdverklaring wordt niet slechts herroepen, hun wordt ook eer gegeven, en een rijk erfdeel. En de vergeving der zonde bereidt den weg tot dit erfdeel, door datgene uit den weg te ruimen, dat er alleen de verhindering van is geweest. Allen, die hiernamaals zalig worden, worden nu geheiligd, zij die het hemelse erfdeel hebben, moeten het op die wijze hebben: zij moeten er voor bereid en geschikt gemaakt worden, wie niet heilig is, kan ook niet zalig zijn, er zullen gene heiligen in den hemel zijn, die niet eerst heiligen op aarde geweest zijn. Er is niets meer nodig om ons gelukkig, zalig te maken, dan dat ons lot is onder hen, die geheiligd zijn, dat het ons gaat, zoals het hun gaat, dat is ons lot te hebben onder de uitverkorenen, want zij zijn tot de zaligheid verkoren door de heiligmaking, zij, die geheiligd zijn, zullen verheerlijkt worden. Laat ons dan nu reeds deel en lot met hen hebben door de gemeenschap der heiligen, bereid zijn om lief en leed met hen te delen, met hen te delen in hun beproevingen, hoe smartelijk ook, dat ons rijkelijk vergoed zal worden met hen in de erfenis te delen. Wij worden geheiligd en behouden door het geloof in Christus. Sommigen brengen het in verband met het voorafgaande woord, geheiligden door het geloof, want het geloof reinigt het hart, en past deze dierbare beloften toe op de ziel, en onderwerpt de ziel aan den invloed dier genade, door welke wij der Goddelijke natuur deelachtig zijn. Anderen brengen het in verband beide met vergeving en het erfdeel, het is door geloof, dat de schenking aanneemt, maar het komt alles op hetzelfde neer, want het is door geloof, dat wij gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt worden, door het geloof, têi eis eme -het geloof, dat in Mij is, er is nadruk in die zinsnede: het geloof, dat niet slechts de Goddelijke openbaring aanneemt in het algemeen, maar dat zeer bijzonder in Jezus Christus is en in Zijn Middelaarswerk, waardoor wij steunen op Christus als den Heere onze gerechtigheid, ons aan Hem overgeven, als aan den Heere, onzen Bestuurder, dit is het waardoor wij de vergeving onzer zonden ontvangen, de gave des Heiligen Geestes, en het eeuwige leven.
III. Dat hij door de hulpe Gods en onder Zijne leiding en bescherming zich ingevolge van zijn last van zijn dienstwerk had gekweten. God, die hem geroepen had om een apostel te zijn, steunde hem, erkende hem in zijn apostolischen arbeid door er hem zegen en voorspoed op te geven.
1. God heeft hem een hart gegeven om te berusten in de roeping, vers 19, ik ben dat hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest. Hemelse visioenen hebben ene gebiedende macht over aardse raadslagen, en wee ons, zo wij er ongehoorzaam aan zijn. Indien Paulus met vlees en bloed te rade was gegaan, zich had laten beheersen door zijn wereldlijk belang, hij zou als Jona gedaan hebben, overal heen zijn gegaan, veeleer dan op die boodschap uit te gaan, maar God heeft zijn oor geopend, en hij is niet weerspannig geweest, hij nam de opdracht aan, en zijne instructies ontvangen hebbende, heeft hij dienovereenkomstig gehandeld.
2. Hij heeft hem in staat gesteld om zeer veel werk te doen, hoewel hij er vele en grote moeilijkheden bij ondervond, vers 20. Hij heeft zich met kracht toegelegd op de prediking van het Evangelie. Hij begon te Damascus, waar hij bekeerd was, want hij had besloten geen tijd te verliezen, Hoofdstuk 9:20. Toen hij te Jeruzalem kwam, waar hij opgevoed was, heeft hij daar voor Christus getuigd, waar hij zich het woedendst tegen Hem gesteld heeft, Hoofdstuk 9:29. Hij predikte in al de landpalen van Judea, in de steden en dorpen, zoals Christus ook gedaan heeft. De eerste aanbieding van het Evangelie deed hij aan de Joden, zoals Christus bevolen had, hij heeft hen niet verlaten, voor zij moedwillig het Evangelie hadden verworpen, en toen keerde hij zich tot de Heidenen, gaf hij zich ten koste voor het welzijn hunner zielen, overvloediger arbeidende dan iemand anders der apostelen, ja wellicht overvloediger dan allen te zamen.
3. Zijne prediking was geheel en al praktisch, hij heeft niet gepoogd der mensen hoofd te vullen met luchtige begrippen, hen niet vermaakt met ingewikkelde bespiegelingen, hen niet onenig gemaakt door twistige samensprekingen, maar hij toonde hun helder en duidelijk met onomstotelijke bewijzen, dat zij:
a. Zich moeten bekeren van hun zonden, er berouw van moeten hebben, ze moeten belijden, en in verbond er tegen moeten komen. Zij moeten zich bedenken, zo als de eigenlijke betekenis is van het woord metanoein, zij moeten van zin veranderen, hun wijze van doen veranderen, ongedaan maken wat zij verkeerd gedaan hebben.
b. Zich tot God bekeren. Zij moeten niet slechts een tegenzin opvatten tegen de zonde, maar in gelijkvormigheid komen met God, niet slechts zich afkeren van hetgeen slecht is, maar zich wenden tot hetgeen goed is. Zij moeten zich tot God wenden in liefde en aanhankelijkheid, tot God wederkeren in gehoorzaamheid en plichtsbetrachting, zich afkeren van de wereld en het vlees, dit is het wat geëist wordt van het ganse rebellerende, verdorvene geslacht der mensheid, beide van Joden en Heidenen, epistrephein epi ton Theon -weer te keren tot God, ons tot Hem te wenden als tot ons voornaamste Goed en hoogste Doeleinde, als tot onzen Bestierder en ons Deel, ons oog op Hem te richten, ons hart tot Hem te wenden, en onze voeten te keren tot Zijne getuigenissen.
c. Werken te doen der bekering waardig. Dit was het wat Johannes heeft gepredikt, die de eerste Evangelieprediker is geweest, Mattheus 3:8. Zij, die bekering belijden, moeten haar beoefenen, moeten een leven leiden van berouw, moeten zich in alles gedragen zoals het boetvaardigen betaamt. Het is niet genoeg woorden van berouw te spreken, wij moeten werken doen, die met deze woorden in overeenstemming zijn. Evenals het ware geloof, zo zal ook het ware berouw, de ware bekering werken. Wat nu was er op zulk ene prediking aan te merken, wat verkeerds was er in? Had zij niet de onmiddellijke strekking om de wereld te hervormen, hare grieven te herstellen, en den natuurlijken Godsdienst te doen herleven?
4. De Joden hadden om generlei andere zaak iets tegen hem, dan dat hij alles deed wat hij kon om de mensen te bewegen Godsdienstig te zijn, hen tot God te brengen door hen tot Christus te brengen, vers 21. Het was om dezer zaken wil, en om gene andere, dat mij de Joden in den tempel gegrepen hebben en gepoogd mij om te brengen, en laat nu iemand oordelen, of dit misdaden waren, des doods of der banden waardig. Hij heeft kwaad geleden, niet slechts omdat hij zelf wel deed, maar ook omdat hij goed deed aan anderen. Zij poogden hem om te brengen, het was zijne kostelijke ziel, dat is: zijn leven, dat zij joegen en haatten, omdat het een nuttig leven was. Zij grepen hem in den tempel, terwijl hij er God aanbad, dáár vielen zij op hem aan, alsof zij dachten: hoe heiliger de plaats, hoe beter de daad.
5. Hij had gene andere hulp dan van den hemel, door God ondersteund heeft hij zijn groot werk voortgezet, vers 22. "Hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, hestêka -ik heb gestaan, mijn leven is gespaard gebleven, en mijn arbeid is voortgezet. Ik heb stand gehouden, en werd niet tot wijken genoodzaakt, ik stond, of bleef, bij wat ik gezegd heb, ik vreesde niet, en ik schaamde mij niet om er in te volharden." Het was nu meer dan twintig jaren sedert Paulus bekeerd was, en gedurende al dien tijd heeft hij ijverig en vurig te midden van allerlei gevaren het Evangelie gepredikt, en wat was het, dat hem steunde en sterkte? Gene kracht van eigen willen of besluiten, maar hulp van God verkregen hebbende, want, daar het werk zo groot was, en hij er zoveel tegenstand in ontmoette, zou hij er niet anders mede hebben kunnen voortgaan, dan door de hulp, die hij van God had verkregen. Zij, die arbeiden voor God, zullen van God hulp verkrijgen, want Hij zal Zijnen dienstknechten de hun nodige hulp niet onthouden. En ons staan tot op dezen dag moet toegeschreven worden aan hulp van God verkregen, wij zouden bezweken zijn, indien Hij ons niet had ondersteund, en dit moet met dank en lof aan Hem erkend worden. Paulus maakt er melding van om ook hiermede te bewijzen, dat hij zijne opdracht van God heeft ontvangen, daar Hij ook van Hem de kracht en bekwaamheid heeft ontvangen om haar te volvoeren. De predikers van het Evangelie zouden nooit hebben kunnen doen en lijden, wat zij gedaan en geleden hebben, niet zulk een voorspoed op hun arbeid kunnen hebben, als zij gehad hebben, indien hun niet onmiddellijk van den hemel hulp was verleend, die hun niet verleend zou zijn, indien het niet Gods zaak was, die zij bepleitten.
6. Hij predikte gene andere leer, dan die in overeenstemming was met de Schriften van het Oude- Testament, hij betuigde beiden klein en groot, aan jongen en ouden, aan geleerden en ongeleerden, aan geringen en aanzienlijken, daar allen er belang bij hadden. Het was een blijk en bewijs van Gods ontfermende genade, dat het Evangelie ook aan de geringsten betuigd werd, dat de armen welkom waren aan de kennis er van, alsmede van de onbetwistbare waarheid en kracht er van, daar men zich niet behoefde te schamen om het ook aan de grootsten en aanzienlijksten onder de ogen te laten komen. Paulus' vijanden wierpen hem tegen, dat hij nog iets anders predikte, dan dat de mensen zich zouden beteren en tot God bekeren, en werken doen der bekering waardig, dat hebben ook de profeten van het Oude Testament gepredikt, maar hij had ook Christus gepredikt, Zijn dood en Zijne opstanding, en dat was het, waarom zij in toorn tegen hem waren ontstoken, zoals blijkt uit Hoofdstuk 25:19, dat hij Jezus verklaarde te leven. "Dat heb ik ook gedaan", zegt Paulus, "en dat doe ik nog, maar ook hierin zeg ik niets buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zou, en wat groter eer kan hun aangedaan worden dan aan te tonen, dat het- geen zij voorzegd hebben, vervuld is, en dat wel op den bestemden tijd, dat gekomen is, hetgeen zij zeiden te zullen komen, en dat wel op den vooraf bepaalden tijd?" Drie dingen hebben zij geprofeteerd, en heeft Paulus gepredikt:
a. Dat de Christus lijden moest -dat de Messias een Lijder-pathetos zijn zou, niet slechts een Mens, vatbaar om te lijden, maar dat Hij als Messias bestemd zou zijn tot lijden, dat Zijn smadelijke dood niet slechts bestaanbaar, maar in overeenstemming zou zijn met Zijne onderneming. Het kruis van Christus was den Joden ene ergernis, en dat Paulus het predikte was de grote zaak, die hen verbitterde, maar Paulus blijft er bij, dat hij dit predikende, de vervulling predikte van de Oud- Testamentische voorzeggingen, daarom moeten zij zich niet ergeren aan hetgeen hij predikt, maar het geloven, er mede instemmen.
b. Dat Hij de Eerste uit de opstanding der doden zou zijn, niet de Eerste naar tijdsorde, maar de Eerste in invloed, dat Hij de Voornaamste, het Hoofd der opstanding zou zijn, prootos ex anastioos, in dezelfden zin, waarin Hij de Eerstgeborene uit de doden genoemd wordt, Openbaring 1:5, Colossenzen 1:18. Hij opende de baarmoeder van het graf, zoals van de eerstgeborenen gezegd wordt, dat zij de baarmoeder openen, en Hij heeft den weg geopend voor onze opstanding, en Hij wordt gezegd de eersteling te zijn dergenen, die ontslapen zijn, 1 Corinthiërs 15:20, want Hij heeft den oogst geheiligd. Hij was de eerste, die opstond van de doden, om niet meer te sterven, en om te tonen dat de opstanding van al de gelovigen krachtens Zijne opstanding geschiedt, zijn vele lichamen der heiligen uit de graven uitgegaan na Zijne opstanding, en zijn in de heilige stad gekomen, Mattheus 27:53.
c. Dat Hij licht zou verkondigen dezen volke en den Heidenen, van het volk der Joden in de eerste plaats, want Hij moest de heerlijkheid wezen van Zijn volk Israël. Hun heeft Hij zelf het licht verkondigd, en den Heidenen door den dienst der apostelen, want Hij zou een Licht wezen voor hen, die in duisternis zijn gezeten. Hierin verwijst Paulus naar zijne opdracht, vers 18, hen te bekeren van de duisternis tot het licht. Hij is opgestaan van de doden ten einde den volke een licht te verkondigen, een overtuigend bewijs te leveren van de waarheid Zijner leer, en het met zo veel te meer kracht tot Joden en Heidenen te zenden. Ook dit was door de Oud-Testamentische profeten voorzegd, dat de Heidenen door den Messias tot de kennis van God zouden gebracht worden, en wat was er nu in dat alles waarop de Joden met recht misnoegd konden zijn?