Handelingen 22:1-2
In het laatste vers van het vorige hoofdstuk zagen wij, hoe Paulus veel gewonnen had door na zo luid geschreeuw zo grote stilte te verkrijgen. Merk híer nu op:
I. Met hoe bewonderenswaardig ene kalmte en tegenwoordigheid van geest hij zich tot spreken wendt. Nooit was iemand met meer woede en onstuimigheid aangevallen, en toch is er:
1. In hetgeen hij zei gene vrees te bespeuren, hij is kalm en bezadigd. Aldus werden zijne eigene woorden bewaarheid: Ik acht op geen ding, evenals die van David, Psalm 3:7.
Ik zal niet vrezen voor tien duizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
2. Er is gene drift of hartstocht te bespeuren. Hoewel alles wat tegen hem ingebracht werd even beuzelachtig en onrechtvaardig was, hoewel het iedereen geërgerd en vertoornd zou hebben om beschuldigd te worden van den tempel te hebben ontheiligd op het eigen ogenblik, dat hij er eerbied voor betoonde, barst hij toch niet los in toornige uitdrukkingen, maar is hij als een lam, dat ter slachtinggeleid wordt.
II. De eerbiedige benamingen, die hij geeft aan hen, die hem aldus mishandelden, en hoe nederig hij om hun aandacht verzoekt: "Mannen broeders en vaders, vers 1. Tot u, o mannen, roep ik, mannen, die naar rede behoort te luisteren, en er u door behoort te laten regeren, mannen, van wie men menselijkheid mag verwachten, tot u, broeders uit het gewone volk, u vaders uit de priesters." Aldus laat hij hun weten, dat hij een hunner was, dat hij zijne betrekking tot het Joodse volk niet had verloochend, maar nog altijd vol was van vriendelijke belangstelling voor hen. Wij moeten aan niemand vleiende, onware titels geven, maar wel behoren wij allen met benamingen van eerbied toe te spreken, en wij moeten ons er op toeleggen om hen, aan wie wij goed wensen te doen, niet tot toorn te prikkelen, hen niet te kwetsen. Hoewel hij nu uit hun handen bevrijd was, en zich onder de bescherming van den overste bevond, valt hij hen toch niet aan met: Hoort nu, gij rebellen, maar eert hij hen, door hen mannen, broeders en vaders te noemen. En merk op: hij komt niet met ene beschuldiging tegen hen, niet: hoort nu wat ik tegen u te zeggen heb, maar hoort nu wat ik voor mij zelven te zeggen heb, hoort mijne verdediging, een rechtvaardig en redelijk verzoek, want ieder, die beschuldigd is, heeft het recht zich te verantwoorden, en er wordt hem geen recht gedaan, zo hij niet geduldig en onpartijdig aangehoord wordt.
III. De taal, waarin hij sprak, en die hetgeen hij zei zijnen hoorders aanbeval, hij sprak in de Hebreeuwse taal, dat is: in de volkstaal der Joden, die in dien tijd niet meer het zuivere Oud- Testamentische Hebreeuws was, maar het Syrisch, een dialect van het Hebreeuws, of liever ene verdorvene afleiding er van, zoals het Italiaans en het Frans van het Latijn. Maar:
1. Hij toonde zijne blijvende achting voor zijne landslieden, de Joden, hoewel hij zoveel omgang heeft gehad met de Heidenen, behield hij toch de taal der Joden, en kon haar gemakkelijk spreken. Hieruit blijkt, dat hij een Jood is, want zijne spraak maakt hem openbaar.
2. Wat hij zei werd daarom ook te meer algemeen verstaan, want het was de taal, die iedereen sprak. In die taal te spreken was dus wezenlijk een beroep op het volk, waardoor hij wellicht hun genegenheid kon winnen, en daarom: als zij hoorden, dat hij hen in de Hebreeuwse taal aansprak, hielden zij zich te meer stil. Hoe kan men denken, dat de mensen aandacht zullen schenken aan hetgeen tot hen gezegd wordt in ene taal, die zij niet verstaan? De overste was verwonderd hem in het Grieks te horen spreken, Hoofdstuk 21:37, de Joden waren verwonderd hem Hebreeuws te horen spreken, en beiden vatten daardoor betere gedachten van hem op. Maar hoe verwonderd zouden zij geweest zijn, indien zij eens onderzocht hadden, gelijk zij hadden behoren te doen, en dan hadden bevonden in hoeveel verschillende talen de Geest hem gaf te spreken! 1 Corinthiërs 14:18. Ik spreek meer vreemde talen dan gij allen. Maar het is ene waarheid, dat vele wijze en goede mannen geminacht worden, omdat zij niet worden gekend.