Handelingen 18:12-17
Wij hebben hier een bericht van de moeilijkheden en onrust aan Paulus en zijne vrienden veroorzaakt te Corinthe, maar veel kwaad werd er niet door aangericht, en het werk van Christus werd er ook niet zeer door gehinderd.
I. Paulus wordt door de Joden bij den Romeinsen stadhouder aangeklaagd, vers 12, 13. De stadhouder was Gallio, proconsul van Achaje, want Achaje was toen ene consulaire provincie van het Romeinse rijk. Deze Gallio was een oudere broeder van den vermaarden Seneca, in zijne jeugd werd hij Novatus genoemd, maar door Julius Gallio geadopteerd zijnde, heeft hij den naam Gallio aangenomen. Seneca, zijn broeder, beschrijft hem als een man van groot verstand en bekwaamheid, en van een eerlijk, rechtschapen karakter en zeer zacht van aard, om zijne vriendelijkheid van inborst werd hij Dulcis Gallio -de Zachte, of Zoete Gallio genoemd, en, naar men zei, was hij algemeen bemind. Merk nu op:
1. Op wat ruwe wijze Paulus als een misdadiger wordt gevat en voor Gallio gebracht: De Joden stonden eendrachtelijk tegen Paulus op. Zij waren de aanvoerders in al het kwaad tegen Paulus, en zij verbonden zich met elkaar om hem schade en nadeel toe te brengen. Zij waren hierin eendrachtig, zij vielen hem allen te zamen aan om deze boosheid ten uitvoer te brengen. Zij deden het in woede en gebruikten geweld, zij maakten een opstand ter verstoring van den openbaren vrede, en joegen Paulus voort naar den rechterstoel, en voor zoveel blijkt, gunden zij hem niet eens den tijd om zich voor zijn verhoor voor te bereiden.
2. Hoe valselijk Paulus bij Gallio wordt beschuldigd, vers 13, Deze raadt den mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet. Zij konden hem niet beschuldigen, den mensen aan te raden, dat zij God in het geheel niet zouden dienen, of dat zij andere goden zouden dienen, Deuteronomium 13:2, maar alleen, dat zij God zouden dienen tegen de wet. De Romeinen stonden aan de Joden in hun provincies de vrijheid toe om hun eigene wet waar te nemen. Maar moeten nu daarom diegenen als misdadigers vervolgd worden, die God op ene andere wijze dienen? Sluit de verdraagzaamheid jegens hen in, dat zij macht hebben tot wetgeving? De beschuldiging was daarenboven onrechtvaardig, want hun eigene wet hield de belofte in van een Profeet, dien God hun zou verwekken, naar wie zij moesten horen. Nu heeft Paulus hun aangeraden in dezen Profeet te geloven, die gekomen was, en Hem te horen, hetgeen overeenkomstig de wet was, want Hij is gekomen, niet om de wet te ontbinden, maar te vervullen. De wet op den tempeldienst konden deze Joden te Corinthe niet waarnemen, wegens den afstand van Jeruzalem, en er was niets in hun synagoge-diensten, dat Paulus wedersprak. Wanneer dus den mensen geleerd wordt God te dienen in Christus, en Hem te aanbidden in geest en waarheid, dan zijn zij dadelijk tot twisten geneigd, alsof hun geleerd was Hem te dienen tegen de wet, terwijl het juist tot de volmaaktheid der wet leidende is.
II. Op het eerste horen, of liever zonder hen te willen horen, verklaart Gallio hen niet ontvankelijk, en weigert dus kennis van de zaak te nemen, vers 14, 15. Paulus was bereid zijne verdediging voor te dragen, en aan te tonen, dat hij den mensen niet leerde God te dienen op ene wijze, die tegen de wet was, maar de rechter, besloten zijnde geen oordeel over deze zaak uit te spreken, wilde zich ook de moeite niet geven haar te onderzoeken. Merk op: 1. Dat hij zich zeer bereid toonde als rechter op te treden, in enigerlei zaak waarvan hij voegzaam kennis kon nemen. Hij zei tot de Joden, die de vervolgers, of eisers waren: "Zo daar enig ongelijk of kwaad stuk begaan was, indien gij den beklaagde kon beschuldigen van diefstal of bedrog, van moord of roof, of van enigerlei daad van onzedelijkheid, ik zou mij verplicht achten ulieden te verdragen in uwe aanklacht, al gaat gij er ook onstuimig en rumoerig bij te werk", want de ruwheid en lompheid van de eisers was gene goede reden, waarom, indien hun zaak rechtvaardig was, hun geen recht zou gedaan worden. Het is de plicht der overheid om aan de verongelijkten recht te verschaffen, en al wordt de klacht dan ook niet met al de betamelijkheid ingebracht, welke in acht genomen behoort te worden, moet hun toch gehoor verleend worden. Maar:
2. Hij wil hun geenszins toestaan met klachten bij hem te komen, over zaken, die niet tot zijne rechtsmacht behoren, vers 15. "Indien daar geschil is over een woord en namen, en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien, beslecht die zaak onder u zelven, zo goed gij kunt, want ik wil over deze dingen geen rechter zijn, gij zult noch aan mijn geduld den last opleggen van er naar te luisteren, noch mijn geweten den last opleggen van er over te oordelen", en daarom heeft hij hen, toen zij nog verder aandrongen om gehoord te worden, van den rechterstoel weggedreven, vers 16, en geboden, dat ene andere zaak voorgebracht zou worden. Nu was hier in Gallio's handelwijze:
a. iets dat goed en prijzenswaardig was: -dat hij niet wilde oordelen over dingen, waarvan hij geen verstand had: dat hij de Joden overliet aan hen zelven ten opzichte van zaken, die hun eigen Godsdienst raakten, maar hun, onder voorgeven daarvan, toch niet wilde toelaten Paulus te mishandelen of te smaden, hij wilde ten minste niet zelf het werktuig wezen hunner kwaadwilligheid door hem te veroordelen. Hij beschouwde de zaak als niet behorende tot zijne competentie, en dus wilde hij er zich ook niet mede inlaten. Maar:
b. Het was voorzeker verkeerd, om met zo veel geringachting te spreken van ene wet en een Godsdienst, die hij kon weten van God te zijn, en waarmee hij zich bekend had behoren te maken. Op wat wijze God gediend moet worden, of Jezus de Messias is, of het Evangelie ene Goddelijke openbaring is, dat waren gene geschillen over woorden en namen, zoals hij minachtend en op onheilige wijze zei, het zijn zaken van zeer groot gewicht en belang, zaken, die hem zelven grotelijks aangingen, zoals hij zelf wel ingezien zou hebben, indien hij ze recht begrepen had. Hij spreekt, alsof hij roemt op zijne onwetendheid omtrent de Schriften, er zich op laat voorstaan, alsof het beneden hem was om kennis te nemen van de wet Gods, of er onderzoek naar te doen.
III. De mishandeling van Sosthenes en Gallio's onverschilligheid hieromtrent, vers 17.
1. De tegenpartij betoonde het hof grote minachting, toen zij Sosthenes namen en hem sloegen voor den rechterstoel. Er zijn velerlei gissingen omtrent deze zaak, omdat het niet zeker is wie deze Sosthenes was, en wie de Grieken waren, die hem mishandelden. Het aannemelijkst schijnt, dat Sosthenes een Christen was, en een bijzondere vriend van Paulus, die bij deze gelegenheid voor hem optrad om hem te verdedigen en waarschijnlijk maatregelen had genomen voor zijne veiligheid en hem dus van daar had weggevoerd, toen Gallio de zaak had afgewezen, zodat zij, toen Paulus buiten hun bereik was, hun woede koelden aan zijn beschermer. Het is zeker, dat er een Sosthenes geweest is, die een vriend was van Paulus, en welbekend was te Corinthe, waarschijnlijk een Evangeliedienaar, want Paulus noemt hem broeder, en voegt hem samen met zich zelven in zijn eersten brief aan de gemeente te Corinthe, 1 Corinthiërs 1:1, zoals hij dit doet met Timotheus in zijn tweeden brief, en waarschijnlijk was hij het. Hij wordt gezegd een overste van de synagoge te zijn, hetzij een medeoverste met Crispus, vers 8, of een overste van ene synagoge, zoals Crispus overste was van ene andere synagoge. Wat nu betreft de Grieken, die hem mishandelden, zeer waarschijnlijk waren het of Hellenistische Joden, of Joodse Grieken, de zodanige, die zich met de Joden verenigden om het Evangelie tegen te staan, vers 4. 6, en dat de geboren Joden hen hiertoe hebben aangezet, denkende, dat het hun minder ten kwade geduid zou worden. Zij waren zo verwoed op Paulus, dat zij Sosthenes sloegen, en zo verwoed op Gallio, omdat hij hen niet wilde steunen in hun vervolging, dat zij hem (Sosthenes) sloegen voor den rechterstoel, waarmee zij aan den stadhouder eigenlijk te kennen gaven, dat zij zich niet om hem bekommerden, indien hij hun scherprechter niet wilde wezen, dan zullen zij wel hun eigene rechters zijn.
2. Het hof deed niet minder smaadheid beide aan de zaak en aan de personen: Gallio trok zich geen van deze dingen aan. Indien hiermede bedoeld wordt, dat hij zich om de beledigingen van slechte mensen niet bekommerde, dan was dit prijzenswaardig. Zolang hij zich aan de wetten en de regelen der billijkheid hield, kon hij hun minachting verachten, maar indien het betekent, (en ik denk, dat het die betekenis heeft) dat hij zich niet bekommerde om de mishandeling, die aan een goed man werd aangedaan, dan gaat zijne onverschilligheid te ver en toont hij een slecht karakter te hebben. Hier wordt goddeloosheid gepleegd ter plaatse des gerichts, (waarover Salomo klaagt, Prediker 3:16) en er geschiedt niets om het af te keuren en te verhinderen. Als rechter had Gallio Sosthenes moeten beschermen, en de Grieken, die hem sloegen, moeten weerhouden en straffen, want het is wellicht niet gemakkelijk te voorkomen, dat iemand op straat, of op de markt door het grauw mishandeld wordt, maar als dit in een gerechtshof plaats heeft, voor den rechterstoel, terwijl het hof tegenwoordig is, zitting houdt, maar het begaan laat, dan blijkt hieruit, dat de waarheid struikelt op de straat, en dat wat recht is niet in kan gaan, want wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof, Jesaja 59:14, 15. Zij, die het lijden van Gods volk zien en horen, en geen medegevoel met hen hebben, of zich niet om hen bekommeren, geen medelijden met hen hebben, en niet voor hen bidden, daar er hun niets aan gelegen is, of het met de zaak van den Godsdienst goed of slecht gaat, zijn van den geest en de gezindheid van Gallio, die, toen een goed man voor zijne ogen mishandeld werd, zich geen van deze dingen aantrok, evenals de gerusten te Zion, die zich niet bekommeren over de verbreking Jozefs, Amos 6:6, en als de koning en Haman, die zaten en dronken toen de stad Susan verward was, Esther 3:15.