Handelingen 19:13-20
De predikers van het Evangelie waren uitgezonden om krijg te voeren tegen Satan, en hierin is Christus uitgegaan overwinnende, en opdat Hij overwonne. Het uitwerpen van boze geesten uit bezetenen was een voorbeeld van Christus' overwinning over Satan, maar om te tonen op hoe velerlei wijze Christus over dien groten vijand heeft getriomfeerd, hebben wij hier in deze verzen twee merkwaardige voorbeelden van Satans overwinning niet slechts over hen, die gewelddadig door hem bezeten waren, maar ook over hen, die zich gewillig aan hem hadden overgegeven, en hem vrijwillig dienden.
I. Hier is de beschaming van sommigen van Satans dienstknechten, enige omzwervende Joden, die duivelbezweerders waren, maakten in hun duivelse kunstenarijen op Godslasterlijke wijze gebruik van Christus' naam, maar het is hun duur te staan gekomen. Let op:
1. De algemene aanduiding van het karakter, de hoedanigheid van hen, die zich aan die vermetelheid hebben schuldig gemaakt. Zij waren Joden, maar omzwervende Joden. Zij behoorden tot den Joodsen Godsdienst en volk, gingen van stad tot stad om met hun bezweringen geld te verkrijgen, zij liepen overal rond om den lieden de toekomst te voorspellen, en beweerden dat zij door hun tovermiddelen ziekten konden genezen, mensen, die aan naargeestigheid leden, of geheel waanzinnig waren, weer tot hun verstand konden brengen. Zij noemden zich bezweerders, omdat zij in hun kunstenarijen gebruik maakten van bezweringsformules, en die uitspraken in den een of anderen groten heiligen naam. Om aan deze toverkunsten een goeden naam te bezorgen, hebben de bijgelovige Joden de ontdekking er van goddelooslijk aan Salomo toegeschreven. Zo zegt Josephus (Antiquit. lib. 8 cap. dat Salomo tovermiddelen heeft samengesteld, door welke krankheden genezen en duivelen zo volkomen uitgeworpen werden, dat zij niet terugkeerden, en dat deze werkingen onder de Joden gedaan werden tot aan zijn tijd. Christus schijnt hiernaar te verwijzen, Mattheus 12:27, Door wie werpen ze dan uwe zonen uit?
2. Een bijzonder bericht omtrent sommigen te Efeziërs , die zulk ene levenswijze volgden, en op hun reizen daarheen gekomen waren, het waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, vers 14. Het is treurig het huis van Jakob aldus ontaard te zien, en nog veel meer het huis van Aäron, het geslacht, dat op bijzondere wijze aan God gewijd was, o het is in waarheid zeer treurig iemand uit dat volk met Satan verbonden te zien. Hun vader was een overpriester, het hoofd van een der vier en twintig afdelingen der priesters. Men zou denken, dat er ín den tempel genoeg werk en genoeg aanmoediging was voor de zonen van een overpriester, al zouden er ook tweemaal zoveel van hen geweest zijn. Maar waarschijnlijk was het ene ijdele, zwerfzieke, ongebondene geaardheid, die hen allen er toe bracht, om kwakzalvers te worden, en door de wereld te zwerven, voorgevende waanzinnigen te genezen.
3. De goddeloosheid, waaraan zij zich schuldig maakten: zij hebben zich onderwonden den naam des Heeren Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, niet als degenen, die eerbied hadden voor Christus, en vertrouwen hadden in Zijn naam, zoals wij lezen van sommigen, die in Christus' naam duivelen hebben uitgeworpen, en Hem toch niet met de discipelen hebben gevolgd, Lukas 9:49, en die Hij toch niet ontmoedigd wilde hebben, maar als degenen, die alle methodes beproeven om hun goddeloos bedrijf uit te oefenen, en er, naar het schijnt, deze bedoeling mede hadden: indien de boze geesten weken voor de bezwering, in den naam van Jezus gedaan door hen, die niet in Hem geloofden, dan zouden zij zeggen, dat het gene bevestiging was van Zijne leer voor hen, die wèl in Hem geloofden, want, of zij geloofden, of niet geloofden, het was toch een en hetzelfde. Indien zij er niet voor weken, dan zouden zij zeggen, dat de naam van Christus niet zo machtig was als de andere namen, die zij gebruikten, waarvoor de duivelen dikwijls door samenspanning met hen geweken waren. Wij bezweren u bij Jezus, dien Paulus predikt, zeiden zij, niet "in wie wij geloven, of op wie wij steunen. of, van wie wij gezag hebben ontvangen", maar dien Paulus predikt, alsof zij gezegd hadden: "Wij willen eens zien wat die naam doen zal." De bezweerders in de Roomse kerk, die voorgeven duivelen uit te werpen uit zwaarmoedige personen door toverwoorden en tovermiddelen, die zij niet begrijpen, en die, daar er gene Goddelijke machtiging voor is, niet in het geloof gebruikt kunnen worden, zijn de volgelingen van deze omzwervende Joden.
4. Hoe zij in hun goddeloos bedrijf te schande gemaakt werden. Laten zij zich niet bedriegen, God laat zich niet bespotten, en de hoogheerlijke naam van Jezus zal niet voor zulke lage doeleinden onteerd worden, wat gemeenschap heeft Christus met Belial? a, De boze geest gaf hun een snijdend antwoord, vers 15. "Jezus ken ik, en van Paulus weet ik, maar gijlieden, wie zijt gij? Ik weet, dat Jezus overheden en machten heeft overwonnen, en dat Paulus macht heeft om in Zijn naam duivelen uit te werpen, maar welke macht hebt gij om ons in Zijn' naam te gebieden, of wie heeft u zodanige macht gegeven? Wat hebt gij de macht van Jezus te vertellen, of Zijn verbond en Zijne geboden in uwen mond te nemen, dewijl gij de tucht haat? Psalm 50:16, 17. Dit werd door de kracht van God aan den mond van den bozen geest ontwrongen om het Evangelie te eren, en hen te schande te maken, die op zo goddeloze wijze den naam van Christus hebben misbruikt. Anti-christelijke machten en partijen wenden een groten ijver voor Jezus en Paulus, en beweren, dat zij macht van hen hebben, maar als men dan de zaak van nabij beziet, dan is het slechts een wereldlijk en aards belang dat er door gediend wordt, ja meer, het is vijandschap tegen den waren Godsdienst, Jezus kennen wij, en van Paulus weten wij, maar gijlieden, wie zijt gij?
b. De mens, in welken de boze geest was, gaf hun een warm onthaal, hij viel hen aan, in zijne woede en razernij sprong hij op hen, en is hen meester geworden, verkreeg de overhand tegen hen en hun toverijen, en was hun in alle opzichten te sterk, zodat zij het huis ontvloden, niet slechts naakt, maar ook gewond, daar hun de klederen van het lijf gescheurd en het hoofd gewond was. Dit is geschreven tot ene waarschuwing van allen, die den naam van Christus noemen, maar niet afstaan van ongerechtigheid. Dezelfde vijand, die hen meester wordt met zijne verzoekingen, zal hen ook overmeesteren met zijne verschrikkingen, en hun bezweren van hem in den naam van Christus zal hen niet beveiligen. Indien wij door een oprecht en levendig geloof in Christus den duivel weerstaan, dan zal hij van ons vlieden, maar als wij wanen hem door het bloot gebruik van Christus' naam of door enig woord van Hem, of door een tovermiddel te kunnen weerstaan, dan zal hij tegen ons overmogen.
5. Hoe dit door allen werd opgemerkt, en de goede indruk, die er op velen door werd teweeggebracht, vers 17. Dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Efeziërs woonden. Iedereen in de stad sprak er over, en het gevolg er van was:
a. Dat de mensen verschrikt werden: daar viel ene vrees over hen allen. Uit dit voorval bleek hun de boosaardigheid van den duivel, dien zij dienden, en de macht van Christus, dien zij tegenstonden, en die beide overwegingen waren wel geschikt om ontsteltenis bij hen teweeg te brengen. Zij zagen, dat er met den naam van Christus niet geschertst of gebeuzeld moet worden, en dat Zijn Godsdienst niet met de Heidense bijgelovigheden vermengd moet worden.
b. Dat God verheerlijkt werd, de naam des Heeren Jezus, door welken Zijne getrouwe dienstknechten, zonder enigerlei tegenstand, duivelen uitwierpen en krankheden genazen, werd groot gemaakt, want nu bleek het een naam te zijn boven alle naam.
II. Wij hebben nu de bekering van andere dienstknechten van Satan, en het blijk hunner bekering.
1. Zij, die zich aan boze praktijken schuldig hadden gemaakt, beleden ze, vers 18. Velen dergenen, die geloofden, en gedoopt waren, maar toen niet zo nauwgezet hun zonden hadden beleden, als zij moesten, waren zo verschrikt door deze voorbeelden van grootmaking van den naam van Jezus Christus, dat zij tot Paulus kwamen, of tot enigen van de andere leraren, die met hem waren, en beleden, welk een slecht leven zij geleid hadden, en van hoeveel verborgene goddeloosheid hun eigen geweten hen beschuldigde, maar waarvan de wereld niets wist: geheime bedriegerijen en verborgene onreinheid, zij verkondigden hun daden, waren beschaamd, en gaven Gode eer en heerlijkheid, en ene waarschuwing aan anderen. Deze bekentenissen waren hun niet afgedwongen, zij werden vrijwillig afgelegd ter verlichting van hun geweten, dat door de plaats gehad hebbende wonderen verschrikt was. Waar oprecht berouw is van de zonde, daar zal ook ene oprechte belijdenis van zonde aan God wezen in elk gebed, en ook aan den mens, tegen wie wij misdreven hebben, als de omstandigheden dit vereisen.
2. Zij, die zich zelven en anderen door slechte boeken hadden verdorven, verbrandden ze, vers 19. Velen ook dergenen, die ijdele, of zeldzame , kunsten gepleegd hadden, ta perierga - onvoegzame, of ijdele dingen, multa nihil ad se pertinentia satagentes, die zich op de studie van toverij en waarzeggerij toelegden, in boeken over sterrenwichelarij, het horoscoop trokken, de toekomst voorspelden, geesten opriepen of bezwoeren, dromen uitlegden en dergelijke dingen meer, waaraan, naar sommigen denken, nog toegevoegd moeten worden: toneelstukken, romans, liefdesgeschiedenissen, onkuise gedichten - histrionica, amatoria, saltatoria, Stres. Daar het geweten dezer lieden meer dan ooit ontwaakt was om het kwaad in te zien van de kunsten, waarin deze boeken hen onderwezen, brachten zij de boeken bijeen en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid. Efeziërs was vermaard wegens de beoefening van deze ijdele, of zeldzame, kunsten, vandaar dat toverformules en tovermiddelen Literæ Ephesiæ werden genoemd. Hier voorzagen de mensen zich van al die soorten van boeken, en waarschijnlijk waren er ook onderwijzers om hen in die zwarte kunsten te onderwijzen. Het was dus grotelijks tot eer van Christus en het Evangelie, dat er zulk een schoon getuigenis afgelegd werd tegen deze zeldzame kunsten, op ene plaats, waar zij zo zeer in aanzien waren. Men had als ontwijfelbaar aangenomen, dat zij overtuigd waren van het kwaad van deze kunsten, en besloten hadden er zich niet langer mede bezig te houden, maar zij achtten dit niet voldoende, tenzij zij die boeken verbrandden.
a. Aldus toonden zij ene heilige verontwaardiging over de zonde, waaraan zij zich hadden schuldig gemaakt, zoals de afgodendienaars, die, toen zij tot bekering waren gebracht, tot hun afgoden zeiden: Henen uit! Jesaja 30:22. En zelfs die van goud en zilver gemaakt waren, wegwierpen voor de mollen en de vleermuizen, Jesaja 2:20. Aldus hebben zij op Godvruchtige wijze wraak geoefend op de dingen die voor hen de werktuigen zijn geweest van zonde. En zij toonden hoe krachtig zij overtuigd waren van het kwaad er van, en hoe diezelfde dingen hun nu een verfoeisel waren, waarin zij vroeger genot en welbehagen vonden.
b. Aldus toonden zij ook hun vast besluit om nooit meer terug te keren tot die kunsten en tot de boeken, die er over handelden. Zij waren zo ten volle overtuigd van het kwaad en het gevaarlijke er van, dat zij die boeken niet wilden ter zijde werpen, op zulk ene wijze, dat zij nog binnen hun bereik bleven om ze terug te kunnen nemen, in geval zij van zin of gevoelen zouden veranderen, maar vast besloten zijnde ze nooit weer te gebruiken, hebben zij ze verbrand.
c. Aldus hebben zij de verzoeking afgesneden om er toe weer te keren. Hadden zij de boeken bij zich gehouden, dan liepen zij gevaar, om, als de warmte van hun tegenwoordige overtuiging wat afgekoeld was, toe te geven aan ene soort van nieuwsgierigheid om ze nog eens in te zien, en dus ook in gevaar te wezen van er weer van te gaan houden, en daarom hebben zij ze verbrand. Zij, die waarlijk berouw hebben van de zonde, zullen zich zo veel mogelijk verre houden van de gelegenheid er toe.
d. Aldus hebben zij het voorkomen, dat er kwaad mede gedaan werd aan anderen. Indien Judas er bij ware geweest, dan zou hij gezegd hebben: "Verkoopt ze, en geeft het geld aan de armen", of: "Koopt er Bijbels en andere goede boeken voor." Maar wie zou dan kunnen zeggen, aan wie deze gevaarlijke boeken in handen zouden komen, en welk kwaad er door gesticht zou worden, het was dus de veiligste weg om ze allen aan de vlammen prijs te geven. Zij, die zelven van zonde verlost zijn, zullen alles doen wat zij kunnen om anderen er voor te bewaren, en zullen veel meer bevreesd zijn om ene gelegenheid tot zondigen op den weg te leggen van anderen.
e. Aldus toonden zij hun minachting voor den rijkdom dezer wereld, want de prijs der boeken was berekend, waarschijnlijk door hen, die hen wilden bewegen ze niet te verbranden, en geschat op vijftig duizend zilveren penningen, hetgeen, naar sommiger berekening een bedrag was van f 18000 van ons geld. Waarschijnlijk waren die boeken zeldzaam, misschien wel verboden, en daarom duur. Waarschijnlijk hebben zij zelven er dien prijs voor betaald, maar daar zij des duivels boeken waren, hebben zij, al waren zij ook zo dwaas geweest van ze te kopen, niet gedacht, dat dit hen rechtvaardigde om slecht genoeg te zijn van ze te verkopen.
f. Aldus hebben zij openlijk hun blijdschap betuigd over hun bekering van die goddeloze praktijken, zoals Mattheus zijne blijdschap getoond heeft in het feestmaal, dat hij aanrichtte, toen Christus hem uit het tolhuis had geroepen. Deze bekeerlingen hebben zich te zamen verenigd om dit vreugdevuur te ontsteken in aller tegenwoordigheid. Zij hadden de boeken wel in stilte kunnen verbranden, ieder in zijn eigen huis, maar zij gaven er de voorkeur aan het gezamenlijk te doen, met wederzijds goedvinden, en zo publiek mogelijk, opdat Christus en Zijne genade in hen te meer grootgemaakt, en allen, die hen omringden, te meer gesticht zouden worden.
III. Wij hebben nu een algemeen bericht van den voortgang en voorspoed van het Evangelie in en rondom Efeziërs , vers 20. Alzo wies het woord des Heeren met macht en nam de overhand. Het is heerlijk om het woord Gods te zien toenemen en de overhand hebben, zoals dit hier gezien werd.
1. Het te zien toenemen door de toevoeging van velen tot de gemeente. Wanneer al meer en meer onder den invloed komen van het Evangelie, zodat zij er zich naar gedragen, er hun leven naar inrichten, dan wast het woord Gods, wanneer zij, van wie men dit het minst zou gedacht hebben er zich aan onderwerpen, en zij die het het meest en het hardnekkigst hebben tegengestaan, gevangen worden en onder deszelfs gehoorzaamheid worden gebracht, dan kan gezegd worden, dat het woord Gods wast met macht.
2. Het te zien overmogen door dat zij, die toegedaan werden tot de gemeente toenemen in kennis en genade, als een krachtig bederf ten onder gehouden wordt, slechte gewoonten afgelegd worden, met slechte zeden, die lang geheerst hebben, wordt gebroken, als voor het vlees aangename, winstgevende, in de grote wereld algemeen gangbare zonden opgegeven worden, dan heeft het woord Gods de overhand, en in hetzelve gaat Christus uit overwinnende, en opdat Hij overwonne.