Lukas 9:43-50
Wij kunnen hier opmerken:
I. Den indruk, door Christus' wonderen teweeggebracht op allen, die ze gezien hebben, vers 43 :Zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods, die zij wel moesten bemerken in al de wonderen, door Christus gewrocht. De werken van Gods almachtige kracht zijn verbazingwekkend, inzonderheid die, welke door de hand van den Heere Jezus gewrocht zijn, want Hij is de kracht Gods en Zijn naam is Wonderlijk. Hun verbazing was algemeen, zij allen verwonderden zich. De oorzaken er van waren algemeen: zij verwonderden zich over al de dingen, die Jezus gedaan had. In al Zijne daden en handelingen was iets buitengewoons en verrassends.
II. Hoe Christus Zijn aanstaand lijden aankondigde aan Zijne discipelen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in der mensen handen, in de handen van goddeloze mensen, mensen van het slechtste karakter, het zal hun toegelaten worden Hem naar welgegevallen te mishandelen. Wat de andere evangelisten hebben uitgedrukt, wordt hier stilzwijgend te kennen gegeven: Zij zullen Hem doden. Maar wat hier bijzonder opgemerkt moet worden is:
1. Het verband hiervan met hetgeen onmiddellijk voorafgaat. de verwondering des volks bij het zien van Christus' wonderen, vers 43 :Als zij allen zich verwonderden over al de dingen die Jezus gedaan had, zei Hij tot Zijne discipelen. Zij hadden een geliefkoosd denkbeeld van Zijn tijdelijk koninkrijk, dat Hij zou heersen, en zij met Hem in wereldlijke praal en macht, en nu dachten zij, dat door Zijn grootmachtige daden de zaak gemakkelijk tot stand kon worden gebracht, en dat de invloed, dien Hij door Zijne wonderen op het volk had verkregen, hiertoe zou medewerken. Daarom heeft Christus, die wist wat er in hun hart was, deze gelegenheid gebruikt om hun nogmaals te zeggen, wat Hij hun tevoren reeds gezegd had, dat het er zo ver vandaan was, dat Hem mensen overgeleverd zouden worden, dat Hij integendeel overgeleverd zal worden in de handen der mensen, dat Hij, wel verre van in ere te leven, een schandelijken dood zal sterven, en dat al Zijne wonderen en de invloed, dien Hij er door verkregen heeft op het hart des volks, dit niet zullen kunnen beletten.
2. De plechtige inleiding, waarmee Hij hun dit bekend maakt: "Legt gij deze woorden in uwe oren, geeft zeer bijzonder acht op hetgeen Ik u zeg, en mengt er geloof mede, laat uwe denkbeelden omtrent het tijdelijk koninkrijk van den Messias uwe oren er niet voor toestoppen, noch u onwillig maken om het te geloven. Stemt toe wat Ik zeg, en onderwerpt u er aan." Laat het doordringen tot uw hart, luidt het in de Syrische en Arabische overzetting. Het woord van Christus doet ons geen goed, tenzij wij het laten doordringen tot ons verstand en ons hart.
3. De onverklaarbare stompzinnigheid der discipelen ten opzichte van de voorzegging van Christus' lijden. In Markus wordt gezegd: Zij verstonden dat woord niet. Het was duidelijk genoeg, maar zij wilden het niet verstaan in den letterlijken zin, omdat dit niet strookte met hun denkbeelden, en zij konden het niet verstaan in een anderen zin, en zij vreesden van dat woord Hem te vragen, opdat zij niet ontgoocheld en uit hun lieflijken droom opgewekt zouden worden. Maar hier wordt er bijgevoegd: het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen, vanwege de zwakheid van het geloof en de kracht van het vooroordeel. Wij kunnen niet denken, dat het in genade voor hen verborgen was, opdat zij niet als verzwolgen zouden worden door overgrote smart bij het vooruitzicht er van, maar het scheen een paradox, omdat zij het zelf tot een paradox voor zich maakten.
III. De bestraffing door Christus van Zijne discipelen wegens hun twisten over wie van hen de meeste ware, vers 46-48. Wij hebben dit reeds vroeger gehad en treurig genoeg, wij zullen het nogmaals ontmoeten. Merk hier op dat:
1. Eerzucht en strijd om voorkeur en voorrang en om meerderheid zonden zijn, die de discipelen van onzen Heere Jezus zeer lichtelijk omringen, en waarvoor zij verdienen streng bestraft te worden, die vloeien voort uit bederf, dat zij volstrekt ten onder moeten houden en doden, vers 46. Zij, die verwachten groot te zijn in de wereld, streven gewoonlijk naar hoge dingen. Niets minder voldoet hen dan de meeste te zijn. Dit stelt hen bloot aan zeer veel verzoeking en moeite, waarvoor diegenen veilig zijn, die tevreden zijn om klein te wezen, de minsten te zijn, minder dan de minsten.
2. Jezus Christus is volkomen bekend met al de gedachten en bedoelingen van ons hart: Hij zag de overlegging hunner harten, vers 47. Gedachten zijn voor Hem woorden, en fluisteringen als luide kreten. Het is een goede reden, waarom wij onze gedachten streng in toom moeten houden, want Christus neemt er kennis van.
3. Christus wil dat Zijne discipelen zullen streven naar de eer, die verkregen wordt door kalmen ootmoed, en niet naar die, welke door rusteloze, naar hoogheid hakende eerzucht wordt verkregen. Christus nam een kindeken, en stelde dat bij zich, vers 47. - Hij heeft altijd met tederheid en vriendelijkheid van kleine kinderen gesproken- en Hij stelde hun dit kind ten voorbeeld.
a. Laat hen de gezindheid hebben van dit kind, nederig en rustig en op hun gemak, laat hen niet haken naar wereldse praal en pracht, naar grootheid of weidse titels, maar daar even dood onverschillig voor zijn als dit kind, laat hen even weinig wrok of haat koesteren jegens hun mededingers als dit kind. Laat hen gewillig wezen om de minsten te zijn, indien dat kan bijdragen om hen nuttig te maken voor anderen, zich neerbuigen tot het geringste werk, als zij er goed mede kunnen doen.
b. Laat hen er zich van verzekerd houden, dat dit de weg is tot bevordering, want hierdoor zullen zij de achting winnen hunner broederen. Zij, die Christus liefhebben, zullen hen daarom ontvangen in Zijn naam, want zij zijn Hem het meest gelijkvormig. Evenzo zullen zij zodoende ook Zijne gunst verwerven, want Christus zal de vriendelijkheid, hun bewezen, beschouwen als Hem zelven aangedaan. Zo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijn naam, een prediker van het Evangelie, die van zodanige gezindheid is, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, in zodanige leraar, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. En tot welke grotere eer kan iemand in deze wereld komen, dan om door de mensen ontvangen te worden als een boodschapper van God en Christus, en dat God en Christus zich erkennen ontvangen en welkom geheten te zijn in hem? Deze eer hebben alle ootmoedige discipelen van Jezus Christus, en dus zullen diegenen waarlijk groot zijn, die de minsten zijn onder hen.
IV. Christus' bestraffing van Zijne discipelen wegens hun ontmoedigen van iemand d ie Hem eerde en diende, maar niet tot hun gezelschap behoorde, niet slechts niet behoorde tot de twaalven of niet een der zeventigen was, maar ook niet een van hen, die zich met hen vergezelden of hen hoorden, maar die, door nu en dan Christus gehoord te hebben, in Hem geloofde, en op ernstige wijze met geloof en gebed gebruik maakte van Zijn naam om duivelen uit te werpen. Nu hebben zij:
1. Dezen man bestraft en weerhouden, zij wilden hem niet laten bidden en prediken, ofschoon hij het deed tot eer van Christus, goed deed aan de mensen en Satans rijk verzwakte, omdat hij Christus niet met hen volgde. Hij scheidde zich af van hun kerkgemeenschap, was niet evenals zij geordend, betoonde hun geen eerbied, en gaf hun niet de rechterhand der gemeenschap. Indien er nu ooit een gezelschap van Christenen in deze wereld geweest is, die reden hadden om het zwijgen op te leggen aan hen, die niet tot hun gemeenschap behoorden, dan waren het toen de twaalf discipelen, en toch
2. Heeft Jezus Christus hen bestraft wegens hetgeen zij deden, en hen gewaarschuwd om het niet weer te doen, zij, noch degenen, die zich de opvolgers der apostelen noemen: Verbiedt het niet, vers 50, veeleer moet gij hem aanmoedigen, want hij heeft dezelfde bedoeling die gij hebt, al is het ook dat hij om redenen, die hem zelf het best bekend zijn, met u niet volgt, hij zal u in hetzelfde einde ontmoeten, al is het ook dat hij u niet vergezelt op dezelfden weg. Gij doet wèl te doen zoals gij doet, maar hieruit volgt nog niet dat hij verkeerd doet, en dat gij wel doet met hem onder een verbod te stellen, want die tegen ons niet is, is voor ons, en behoort dus door ons erkend en gesteund te worden. Wij moeten geen vrienden verliezen, daar wij zo weinig vrienden hebben en zoveel vijanden. Zij kunnen trouwe volgelingen van Christus bevonden worden en als zodanig door Hem worden aangenomen, al is het ook dat zij met ons niet volgen, Markus 9:38, 39. O hoeveel kwaad, dat de kerk wordt berokkend zelfs door hen, die roemen op hun betrekking tot Christus en zeggen te ijveren voor Zijne eer, zou voorkomen kunnen worden, indien deze Schriftuurplaats overdacht en ter harte werd genomen.