Handelingen 12:1-4
Na de bekering van Paulus hebben wij niets meer gehoord van de bemoeiingen der priesters om de heiligen te Jeruzalem te vervolgen. Wellicht heeft die wonderbare verandering en de teleurstelling, die zij er door ondervonden ten opzichte van hun boze plannen tegen de Christenen te Damascus een verzachtenden invloed op hen geoefend en hen onder het bedwang gebracht van Gamaliëls advies om van deze mensen af te houden, en te zien wat er uit voortkomen zou. Maar nu steekt de storm op uit een anderen hoek, de burgerlijke overheid, die nu niet, als gewoonlijk, door de geestelijken werd aangezet, handelt eigenmachtig en eigener beweging in deze vervolging. Herodes, die oorspronkelijk tot een Edomietisch geslacht behoorde, schijnt een proseliet van den Joodsen Godsdienst te zijn geworden, want Josephus zegt, dat hij een ijveraar was voor de Mozaïsche plechtigheden. Hij was niet slechts (zoals Herodes Antipas geweest was) viervorst van Galilea, maar had ook het bestuur over Judea, dat hem door keizer Claudius was opgedragen. Meestal woonde hij te Jeruzalem, waar hij zich ook toen bevond. Er wordt ons hier gesproken van drie dingen, die hij gedaan heeft.
I. Hij sloeg de handen aan sommigen van de gemeente, vers 1. Hij strekte de handen uit om dit te doen. Dit geeft te kennen, dat zijne handen gebonden waren geweest, wellicht door het bedwang, dat zijn eigen geweten hem in deze zaak had opgelegd, maar nu verbrak hij dat bedwang en strekte boosaardig en met voorbedachten rade de handen uit. Herodes sloeg de handen aan sommigen van de gemeente om die kwalijk te handelen, zo lezen anderen den tekst. Hij gebruikte zijne beambten om hen te grijpen en gevangen te nemen, ten einde hen gerechtelijk te vervolgen. Zie nu hoe hij trapsgewijze voortschrijdt!
1. Hij begon met sommige leden van de gemeente, sommigen van hen, die van minder aanzien waren, maar daarna tastte hij de apostelen zelven aan. Zijn haat was gericht tegen de gemeente, en tegen de personen, die hij kwelde, had hij niets anders dan het feit, dat zij tot de gemeente behoorden, en dus Christus toebehoorden.
2. Hij begon met hen slechts kwalijk te handelen, hen gevangen te zetten, hen te beboeten, hun huizen en goederen te vernielen, en op andere wijzen hen te kwellen, maar daarna ging hij met nog grotere wreedheid te werk. Zo worden Christus' lijdende dienstknechten door de mindere moeilijkheden en kwellingen toebereid voor de grotere beproevingen, opdat de verdrukking lijdzaamheid werke, en de lijdzaamheid bevinding.
II. Hij doodde Jacobus, den broeder van Johannes met het zwaard, vers 2. Hier hebben wij in aanmerking te nemen:
1. Wie de martelaar was: het was Jacobus, de broeder van Johannes, aldus aangeduid, om hem te onderscheiden van den anderen Jacobus, den. broeder van Joses. Deze werd Jacobus major - Jacobus de grotere, en gene Jacobus de kleinere genoemd. Deze, die nu met het martelaarschap gekroond werd, was een van de eerste drie discipelen van Christus, een van hen, die getuigen waren van Zijne gedaanteverandering op den berg en van Zijn lijden in Gethsemane, waardoor hij toebereid werd voor zijn martelaarschap. Hij was een dergenen, die door Christus Boanerges - Zonen des donders -genoemd werden, en wellicht heeft hij door zijne krachtige, hartontdekkende prediking Herodes, of de personen uit zijne omgeving, geprikkeld en vertoornd, zoals Johannes de Doper den anderen Herodes vertoornd had, en dat dit de aanleiding was tot zijne vervolging. Hij was een van die zonen van Zebedeus, aan wie Christus zei, dat zij zullen drinken van den drinkbeker, dien Hij zou drinken, en gedoopt worden met den doop, waarmee Hij gedoopt zou worden, Mattheus 20:23, en nu zijn die woorden van Christus aan hem vervuld, maar het was om hem te doen zitten aan Christus' rechterhand, want indien wij met Hem lijden, dan zullen wij ook met Hem heersen. Hij was een der twaalven, aan wie opgedragen was, om alle volken te onderwijzen, en hem nu weg te nemen, eer hij nog van Jeruzalem was heengegaan, was als het doden van Abel door Kaïn, toen de wereld bevolkt moest worden, en toen een man meer was dan velen op een anderen tijd. Thans een apostel te doden stond gelijk aan het doden van hij wist niet hoe velen. Maar waarom heeft God het toegelaten? Indien het bloed der heiligen -en hoe veel te meer nog het bloed van apostelen- dierbaar is in Zijne ogen, dan kunnen wij er van verzekerd wezen, dat het niet dan om gewichtige redenen vergoten wordt. Wellicht heeft God er mede bedoeld, om de overige apostelen op te wekken om zich onder de volken te gaan verstrooien, en niet langer te Jeruzalem te blijven wonen. Of het was om te tonen, dat de apostelen wel verordineerd waren om het Evangelie in de wereld te planten, maar dat, indien zij weggenomen werden, God toch ook zonder hen Zijn werk kon doen en het ook zou doen. Deze apostel stierf als martelaar, om aan de overigen van hen te tonen wat zij hadden te verwachten, en er zich dienovereenkomstig op voor te bereiden. Er is volstrekt geen grond voor de overlevering, die in de Roomse kerk geloofd wordt, dat deze Jacobus te voren in Spanje geweest is en er het Evangelie heeft geplant.
2. Welken dood hij gestorven is. Hij was gedood met het zwaard, zijn hoofd werd afgeslagen met een zwaard, hetgeen de Romeinen volgens Lorinus als ene smadelijker wijze van onthoofding beschouwden, dan met ene bijl. Onthoofding was eigenlijk niet in gebruik onder de Joden, maar als koningen mondelinge orders gaven voor ene plotselinge en in stilte uit te voeren terdoodbrenging, dan geschiedde het door onthoofding, en waarschijnlijk heeft deze Herodes Jacobus gedood, zoals de andere Herodes Johannes den Doper gedood heeft, in alle stilte in de gevangenis. Het is vreemd, dat wij geen uitvoeriger bericht hebben van het martelaarschap van dien groten apostel, zoals wij het van Stefanus gehad hebben. Maar zelfs deze korte vermelding van de zaak volstaat om ons te laten weten, dat de eerste predikers van het Evangelie zo wèl verzekerd waren van de waarheid er van, dat zij haar bezegeld hebben met hun bloed, en ons hiermede hebben aangemoedigd, om, zo wij er te eniger tijd toe geroepen worden, ook ten bloede toe te weerstaan. De Oud-Testamentische martelaren zijn door het zwaard ter dood gebracht, Hebr. 11:37, en Christus is niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard, Mattheus 10:34, ter voorbereiding waarvan wij ons moeten wapenen met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods woord, en dan behoeven wij niet te vrezen wat het zwaard des mensen ons doen kan.
III. Hij liet Petrus gevangen nemen, van wie hij het meest gehoord had, als diegene onder de apostelen, die het meest op den voorgrond trad. Hij stelde er dus ene ere in om dezen uit den weg te ruimen. Merk hier op:
1. Toen hij Jacobus had onthoofd, voer hij voort ook Petrus te vangen. Door bloed worden de bloeddorstigen nog bloeddorstiger, en de weg der vervolging gaat, evenals die van andere zonden, bergafwaarts, wie zich op dien weg bevindt kan niet gemakkelijk stilstaan, als zij er op zijn, bevinden zij, dat zij voort moeten gaan. Zij, die een stap doen op een zondigen weg, geven Satan het voordeel over hen om hen tot een tweeden te verzoeken, en zo tarten zij God, als het ware, om hen aan hen zelven over te laten, zodat zij dan van kwaad tot erger gaan. Daarom is het zaak voor ons om ons te wachten voor het begin der zonde.
2. Hij deed dit, omdat hij zag, dat het den Joden behaaglijk was. Merk op: de Joden brachten het bloed van Jacobus over zich, door er zich ingenomen mede te tonen, toen het vergoten was, hoewel zij er Herodes niet toe aangezet hadden. Er zijn medeplichtigen ex post facto -na de daad, en zij zullen gerekend worden met de vervolgers, die behagen scheppen in de vervolging door anderen, er zich in verlustigen om vrome mensen mishandeld te zien, en uitroepen: Ha! Zo zien wij het gaarne!, of het ten minste in stilte goedkeuren. Want, als bloeddorstige vervolgers toegejuicht worden voor hetgeen waarover iedereen schande moest roepen, dan worden zij aangemoedigd om er mede voort te gaan, dan worden hun handen gesterkt, en hun harten verhard, en de bestraffende stem van hun geweten gesmoord, ja het is ene even sterke verzoeking voor hen, om hetzelfde te doen, als het hier voor Herodes was, dat het den Joden behaaglijk was. Hoewel hij gene reden had tot vrees van hen te mishagen indien hij het niet deed, zoals Pilatus, toen hij Christus veroordeelde, hoopte hij toch hen te behagen, zo hij het wèl deed, en aldus hen voor zijne belangen te winnen en hun vergoeding te bieden, als hij hen in iets anders mishaagde. Diegenen maken zich tot ene gemakkelijke prooi van Satan, die er zich op toeleggen en het tot hun levenstaak maken om mensen te behagen.
3. Er wordt nota genomen van den tijd, wanneer Herodes Petrus gevangen liet zetten: het waren de dagen der ongehevelde broden. Het was op het feest van het pascha, toen hun gedachtenisviering van hun typische verlossing hen er toe geleid moest hebben, om hun geestelijke verlossing aan te nemen, maar in plaats hiervan hebben zij, onder voorgeven van ijver voor de wet, er heftig tegen gestreden, en, in de dagen der ongezuurde broden waren zij het meest verzuurd en verbitterd door den ouden zuurdesem der kwaadheid en der boosheid. Op het feest van het pascha, toen de Joden van alle delen des lands naar Jeruzalem kwamen voor het feest, zetten zij elkaar op tegen de Christenen en het Christendom, en dan waren zij heftiger dan op andere tijden.
4. Hier is een bericht van de gevangenneming van Petrus, vers 4, dewelke ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, in den binnensten kerker. Sommigen zeggen, dat het dezelfde gevangenis was, waarin hij en de andere apostelen enige jaren te voren geworpen waren, en door een engel er uit verlost werden, Hoofdstuk 5:18. Hij werd overgegeven aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, dat is aan zestien, die hem vier aan vier beurtelings bewaken moesten, om te beletten, dat hij vluchtte, of door zijne vrienden werd bevrijd. Aldus dachten zij hem veilig in hun macht te hebben.
5. Herodes was voornemens hem na het Paasfeest voor te brengen voor het volk.
a. Hij wilde hem tentoonstellen. Jacobus had hij waarschijnlijk in stilte ter dood gebracht, waarover het volk zich had beklaagd, niet omdat het onrechtvaardig was iemand ter dood te brengen zonder hem in het openbaar te verhoren, maar omdat zij er door beroofd waren van het genoegen om het doodvonnis aan hem te zien voltrekken. Daarom wil Herodes, nu hij hun gevoelen kende, hun het genoegen geven van Petrus in boeien te zien, of Petrus bij het blok, opdat zij hun ogen aan dit schouwspel kunnen verlustigen. En zeer begerig was hij voorzeker om het volk te behagen, die hen op die wijze wilde behagen! b. Hij wilde dit doen na het Paasfeest, meta to pascha -na het pascha, zoals het gelezen moet worden, want het is hetzelfde woord, dat steeds aldus overgezet is. Herodes wilde hem niet veroordelen voor het pascha voorbij was, uit vrees-naar sommigen denken-dat hij, Petrus, zulk een invloed onder het volk zou hebben, dat zij naar de gewoonte van het feest, zijne loslating zouden eisen, of, nadat de drukte van het feest voorbij was, en de stad ledig was, dan wilde hij het volk onthalen op Petrus' openbare verschijning voor het gerecht, en zijne terechtstelling. Aldus was het complot beraamd, en Herodes zowel als het volk verlangen er naar, dat het feest voorbij is, en zij zich in dat barbaarse schouwspel kunnen verlustigen.