Handelingen 11:19-26
Wij hebben hier het bericht van het planten en bewateren van de kerk te Antiochië, de voornaamste stad van Syrië, die later als de derde grootste stad van het Rijk gold, Rome slechts en Alexandrië hadden den voorrang boven haar. Zij was gelegen, waar Hamath of Riblah gestaan had, waarvan wij lezen in het Oude Testament. De mening is geopperd, dat Lukas, de schrijver van deze geschiedenis, en Theofilus, aan wie hij haar heeft opgedragen, van Antiochië waren, hetgeen de reden kan wezen, waarom hij meer bijzonder aandacht wijdt aan den voortgang van het Evangelie te Antiochië, alsmede omdat het dáár was, dat Paulus voor het eerst vermaard begon te worden, tot wiens geschiedenis hij zich haast te komen. Ten opzichte nu van de kerk te Antiochië hebben wij te letten op:
I. De eerste predikers van het Evangelie aldaar, die derwaarts verstrooid waren van Jeruzalem door de vervolging, die vijf of zes jaren te voren, (naar sommiger berekening) ontstaan was bij den dood van Stefanus, vers 19. Zij gingen het land door tot Fenicië toe, en tot andere plaatsen, sprekende het woord. God heeft toegelaten, dat zij vervolgd werden, opdat zij aldus verstrooid zouden worden in de wereld, gezaaid als een zaad Gods, opdat zij veel vrucht zouden voortbrengen. Wat dus bedoeld was ten nadele van de kerk, heeft God doen medewerken haar ten goede, zoals Jakobs vloek over den stam van Levi, (Ik zal ze verdelen onder Jakob, en zal ze verstrooien onder Israël,) in een zegen verkeerd werd. De vijanden bedoelden hen te verstrooien en te verderven, Christus bedoelde hen te verstrooien en te gebruiken. Aldus zal de grimmigheid des mensen God loffelijk maken. Merk op, dat:
1. Zij, die voor de vervolging gevlucht zijn, hun werk niet ontvlucht zijn. Hoewel zij voor het ogenblik het lijden ontweken, hebben zij daarom den dienst niet ontweken, ja, zij gingen in tot een ruimer arbeidsveld dan zij te voren hadden. Zij, die de predikers van het Evangelie vervolgden, hoopten hierdoor te voorkomen, dat zij het naar de Heidenwereld brachten, maar het bleek, dat zij dit er juist door bespoedigd hebben. Hoewel zij het zo niet meenden en hun hart alzo niet dacht. Zij, die vervolgd werden in de ene stad, vloden naar de andere, maar zij namen hun Godsdienst mede, niet slechts om er zelven de vertroosting van te hebben, maar ook om hem aan anderen mede te delen, aldus tonende, dat het niet was uit vrees voor lijden, dat zij weggingen, maar omdat zij zich voor verderen dienst en arbeid wilden sparen. Zij schreden voort met hun arbeid, bevindende dat het welbehagen des Heeren door hun hand gelukkiglijk voortging. Nadat zij met zegen gepredikt hadden in Judea, Samaria en Galilea, gingen zij over de grenzen van het land Kanaän, en trokken naar Fenicië, het eiland Cyprus en Syrië. Ofschoon zij zich, hoe verder zij reisden, aan hoe veel te meer gevaar blootstelden, zijn zij toch voortgereisd, plus ultra was hun wachtwoord, verder nog, gene moeite ontziende, geen gevaar vrezende in het voortzetten van zo goed een werk, en in hun dienen van zo goed een Meester. 3. Zij spraken het woord tot niemand dan alleen tot de Joden, die in al deze landen verstrooid waren, en hun eigene synagogen hadden, waar zij met hen samenkwamen en voor hen predikten. Zij verstonden nog niet, dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en van hetzelfde lichaam, maar lieten de Heidenen om zich of tot den Joodsen Godsdienst te bekeren, of te blijven zoals zij waren. 4. Zij hebben zich inzonderheid tot de Hellenistische Joden gewend, hier de Grieksen genoemd, die te Antiochië waren. Velen van de predikers waren van Judea en Jeruzalem, sommigen waren van geboorte uit Cyprus en Cyrene, zoals Barnabas zelf, Hoofdstuk 4:36, en Simon, Markus 15:21, maar zij waren opgevoed in Jeruzalem, en dezen, zelven Griekse Joden zijnde, stelden zij inzonderheid belang in hen, die van hun eigen landaard waren, en zo hebben zij zich te Antiochië bepaald tot hen gewend. Dr. Lightfoot zegt, dat zij daar Hellenisten of Grieksen genoemd werden, omdat zij er genaturaliseerd waren, en dus het burgerrecht hadden verkregen, want Antiochië was ene Syro-Griekse stad. Hun predikten zij den Heere Jezus. Dat was steeds het onderwerp hunner prediking. Waar zouden de dienstknechten van Christus ook anders over prediken dan over Christus, Christus en dien gekruisigd, Christus en dien verheerlijkt? 5. Zij hadden groten zegen op hun prediking, vers 21. Hun prediking ging vergezeld van ene Goddelijke kracht, de hand des Heeren was met hen, hetgeen sommigen verstaan van de macht waarmee zij begiftigd waren om wonderen te doen ter bevestiging van hun leer, in die wonderen wrocht de Heere mede, en bevestigde het woord door tekenen, die daarop volgden, Markus 16:20. In dezen heeft God medegetuigd, Hebreeën 2:4. Ik versta het echter veeleer van de kracht der Goddelijke genade, werkende in het hart der hoorders, en ze openende, zoals het hart van Lydia geopend werd, omdat velen de wonderen zagen, die niet bekeerd waren, maar toen door den Geest het verstand werd verlicht, en de wil werd overgebogen tot het Evangelie van Christus, toen was dat een dag van heirkracht, waarin vrijwilligers dienst namen onder de banier van den Heere Jezus, Psalm 110:3. De hand des Heeren was met hen, om hetgeen zij slechts tot het uitwendige oor konden spreken, tot het hart en de consciëntie der mensen te doen doordringen. Het woord des Heeren bereikt zijn doel, als de hand des Heeren er mede uitgaat, om het in hun hart te schrijven. De mensen worden er toe gebracht om de prediking van het Evangelie te geloven, als de arm des Heeren er mede geopenbaard wordt, Jesaja 53:1, als de Heere spreekt en onderwijst met ene sterke hand, Jesaja 8:11. Dezen waren gene apostelen, maar gewone dienaren, en toch was de hand des Heeren met hen, en deed wonderen. Er werd zeer veel goed gedaan: een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot den Heere, veel meer dan men kon verwachten, in aanmerking genomen de ongunstige omstandigheden, waarmee zij te worstelen hadden. Sommigen uit alle klassen van mensen werden onder de gehoorzaamheid van Christus gebracht. Merk op: Waarin de verandering bestond.
a. Zij geloofden, zij waren overtuigd van de waarheid van het Evangelie, en namen het getuigenis aan, dat God er in gegeven heeft betreffende Zijn Zoon.
b. De uitwerking hiervan was, dat zij zich bekeerden tot den Heere, zij konden niet gezegd worden zich bekeerd te hebben van den dienst der afgoden, want zij waren Joden, aanbidders van den enigen en waren God, maar zij bekeerden zich van een betrouwen in de gerechtigheid der wet, om alleen op de gerechtigheid van Christus te betrouwen, de rechtvaardigheid, die door het geloof is. Zij bekeerden zich van een loszinnige, zorgeloze, vleselijke wijze van leven, om voortaan een heilig, hemels, geestelijk en Goddelijk leven te leiden, zij bekeerden zich van het aanbidden van God in uiterlijk vertoon en ceremonie, om Hem nu te aanbidden in geest en in waarheid. Zij bekeerden zich tot den Heere Jezus, en Hij werd alles in alles voor hen. Dit was het werk der bekering, dat in hen gewrocht was, en het moet in een iegelijk onzer gewrocht worden. Het was de vrucht van hun geloof, allen, die oprecht geloven, zullen zich tot den Heere bekeren, want, wat wij ook mogen zeggen of belijden, wij geloven niet waarlijk in het Evangelie, indien wij Christus, die ons in het Evangelie is aangeboden, niet van harte aannemen.
II. Het goede werk, dat aldus te Antiochië begonnen was, werd voortgezet en tot grote volkomenheid gebracht, en deze kerk, aldus gesticht, wies op en kwam tot groten bloei door de bediening van Barnabas en Paulus, die voortbouwden op het fondament, door de andere predikers gelegd, en ingingen tot hun arbeid, Johannes 4:37, 38. 1. De gemeente te Jeruzalem zond er Barnabas heen, om deze pasgeborene gemeente te verzorgen, en de handen te sterken, beide van de predikers en van het volk, en om de zaak van Christus in goeden naam te brengen.
A. Zij vernamen de goede tijding, dat het Evangelie te Antiochië was aangenomen, vers 22. De apostelen waren zeer begerig te weten hoe het werk in de omliggende landen werd voortgezet, en waarschijnlijk hebben zij gemeenschap onderhouden met alle plaatsen, waar predikers waren, zodat het gerucht van hen weldra kwam tot de oren der gemeente, die te Jeruzalem was, het gerucht van het grote getal, dat te Antiochië geloofde en zich tot den Heere bekeerde. Zij, die zich in de voornaamste plaatsen van de kerk bevinden, moeten zich gelegen laten liggen aan hen, die in ene nederiger sfeer zijn.
B. Zij zonden met allen spoed Barnabas tot hen. Zij verlangden, dat hij zou gaan, om dit hoopgevende begin te helpen en te bemoedigen. Zij zonden hem uit als een afgevaardigde van hen, en als vertegenwoordiger van geheel de gemeente, om hun geluk te wensen met den voorspoed van het Evangelie onder hen, als ene oorzaak van vreugde beide voor predikers en hoorders, en dat zij zich met beiden verblijdden. Hij moest het land doorgaan tot Antiochië toe. Het was een verre weg, maar hoe ver ook, hij was bereid om de reis in dienst van het algemeen te ondernemen. Het is waarschijnlijk, dat Barnabas zeer bijzondere gaven had voor werk van dien aard, hij was werkzaam, aangenaam in het verkeer, gaarne in beweging, zich verlustigende in goed doen buiten `s lands, evenveel als anderen om goed te doen in het eigen vaderland. Hij was even sterk van Zebulon's geest, die zich verheugt over zijn uittocht, als anderen van dien van Issaschar, die zich verheugt over zijne hutten, en zo was hij dan de geschiktste persoon om voor dat werk gebruikt te worden. God geeft verschillende gaven voor verschillenden dienst en werk.
C. Barnabas was uitermate verheugd te bevinden, dat het Evangelie veld won, en dat sommigen van zijne landslieden, mannen van Cyprus, (van welk land hij zelf was, Hoofdstuk 4:36) er het middel voor waren, vers 23.
Daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, de tekenen van Gods welbehagen in het volk van Antiochië, en de blijken van Zijn goed werk onder hen, was hij verblijd. Hij nam den tijd om op te merken, en zo zag hij, zowel in hun openbare Godsverering, als in hun gewone gesprekken, en in hun huisgezinnen, dat de genade Gods onder hen was. Waar Gods genade is, zal zij gezien worden, zoals de boom gekend wordt aan zijne vruchten, en waar zij gezien wordt, behoort zij erkend te worden. Wat wij voor goeds zien in iemand, moeten wij Gods genade in hem noemen, en aan die genade de eer er van geven, en dan moeten wij er voor ons zelven de vertroosting van nemen en er ons over verheugen. Wij moeten blijde zijn als wij de genade Gods zien in anderen, en dit wel te meer, als wij haar zien, waar wij haar niet verwacht zouden hebben.
D. Hij deed wat hij kon om hen te bevestigen in het geloof, die tot het geloof bekeerd waren. Hij vermaande hen -parekalei. Het is hetzelfde woord, waardoor de naam Barnabas overgezet wordt, Hoofdstuk 4:36 huios paraklêseoos -een zoon der vermaning. Hij had daar een talent voor, en hij deed er handel mede, laat hij, die vermaant, zijne gave besteden in het vermanen, Romeinen 8:12. Of wel, een zoon der vertroosting (zoals wij het woord overzetten) zijnde, vertroostte hij, of bemoedigde hij hen allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven. Hoe meer hij zich verblijdde in het begin van het goede werk onder hen, hoe meer hij er bij hen op aandrong om naar dit goede begin nu ook voort te gaan, hen, in wie wij vertroosting hebben, behoren wij te vermanen. Barnabas verblijdde zich om hetgeen hij zag van de genade Gods onder hen, en daarom drong hij er des te meer bij hen op aan om te volharden.
a. Om bij den Heere te blijven. Voor hen, die zich tot den Heere bekeerd hebben, is het van het grootste belang, dat zij bij Hem blijven, dat zij Hem aankleven, niet wegvallen in het volgen van Hem, niet verslappen, het niet moede worden Hem te volgen. Bij den Heere Jezus te blijven is een leven te leiden van afhankelijkheid van Hem, en toewijding aan Hem, krachtig te zijn in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.
b. Bij Hem te blijven met een voornemen des harten, met een verstandig, vast, wel overwogen besluit, berustende op goede gronden, en op dien grondslag wèl gevestigd. Het is onze zielen te binden met een band om des Heeren te zijn, en met Ruth te zeggen: Val mij niet tegen, dat ik Hem zou verlaten, of van achter Hem weer te keren.
E. Hierin gaf hij een blijk van zijn goed karakter, vers 24. Hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs, en bij deze gelegenheid bewees hij zich dit te zijn.
a. Hij betoonde zich een man van zeer liefelijken, minzamen, beleefden gemoedsaard, die zelf de kunst verstond van te verplichten, en die kunst aan anderen kon leren. Hij was niet slechts een rechtvaardig man, maar een goed man, een man van een goed humeur. Leraren, die dit zijn, bevelen zich en hun leer zeer aan in de goede mening van hen, die nog buiten zijn. Hij was een goed man, dat is een liefderijk, weldadig man, als zodanig had hij zich betoond, toen hij een akker verkocht, en het geld aan de armen gaf, Hoofdstuk 4:37.
b. Hieruit bleek, dat hij rijk begaafd was met de gaven en genade des Geestes. De goedheid van zijn natuurlijken aard zou hem niet voor dezen dienst bekwaam hebben gemaakt, indien hij niet vol ware geweest van den Heiligen Geest en door den Geest des Heeren ook vol van kracht.
c. Hij was vol des geloofs, hij was zelf vol des Christelijken geloofs, en dus begerig om het voort te planten bij anderen, vol van de genade des geloofs, en vol van de vruchten van het geloof, hetwelk werkt door de liefde. Hij was gezond in het geloof en daarom drong hij hen om dit ook te wezen.
F. Hij was het middel om goed te doen, door hen in te brengen, die buiten waren, en door hen te stichten, die binnen waren.
Daar werd ene grote schare den Heere toegevoegd, en dus ook toegevoegd aan de gemeente, te voren waren velen tot den Heere bekeerd, maar er moeten nog meer bekeerd worden. Het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
2. Barnabas ging uit naar Tarsen om Paulus te zoeken, om met hem te arbeiden in het Evangelie te Antiochië. Het laatste, dat hij van hem hoorde, was, dat hij, toen zijn leven belaagd werd te Jeruzalem, naar Tarsen was gezonden, de stad, waarin hij was geboren, en waar hij toen sedert gebleven schijnt te zijn, ongetwijfeld goed doende. Maar nu onderneemt Barnabas ene reis naar Tarsen om te zien wat er van hem was geworden, en hem te zeggen, dat ene deur geopend was te Antiochië, en hem te verzoeken om aldaar enigen tijd met hem door te brengen, vers 25, 26. En ook hier blijkt het, dat Barnabas een goed man was, en wel in tweeërlei opzicht.
A. Dat hij zich zoveel moeite gaf om een werkzaam, nuttig man uit duisternis en onbekendheid in het licht te brengen. Hij was het, die Saulus in den kring der discipelen te Jeruzalem heeft ingeleid, toen dezen nog bevreesd voor hem waren, en hij was het, die hem te voorschijn bracht, uit den duisteren hoek, waarin hij gedrongen was, naar ene meer openbare plaats. Het is een zeer goed werk om ene kaars van onder ene korenmaat weg te halen, en haar op een kandelaar te plaatsen.
B. Dat hij Saulus naar Antiochië wilde brengen, die een woordvoerder zijnde, Hoofdstuk 14:12, en waarschijnlijk een meer populaire prediker, hem aldaar wel in de schaduw kon stellen door hem te overschitteren, maar Barnabas wil daar zeer gaarne genoegen mede nemen, als het voor het openbaar welzijn nuttig kan wezen. Als God ons door Zijne genade in staat stelt, om het goed te doen dat wij kunnen, naar de gaven en bekwaamheid, die wij hebben, dan behoren wij er ons in te verblijden, dat anderen nog grotere gaven hebben, en nog meer gelegenheid tot goed doen dan wij. Barnabas bracht Saulus naar Antiochië, al was dat ook ten koste van een minder worden voor zich zelven, en dit moet ons leren, om meer de dingen van Christus te zoeken dan onze eigene. Nu wordt ons hier verder gezegd:
a. Welken dienst in de gemeente te Antiochië gedaan werd. Paulus en Barnabas bleven daar een geheel jaar, voorgaande in hun Godsdienstige bijeenkomsten en predikende het Evangelie, vers 26. Merk op, Ten eerste. De gemeente vergaderde dikwijls. De Godsdienstige bijeenkomsten der Christenen zijn door Christus verordineerd, tot Zijne eer, en tot vertroosting en nuttigheid der discipelen. Gods oude volk is dikwijls samengekomen aan de deur van de tent der samenkomst. De plaatsen van bijeenkomst zijn nu vermenigvuldigd, maar de Christenen moeten samenkomen, al is het ook met moeite en gevaar. Ten tweede. De Evangeliedienaren waren de hoofden dezer vergaderingen, en zij hielden hun hof in Christus' naam. Ten derde. Het volk te leren is een deel van het werk der Evangeliedienaren, als zij in de Godsdienstige vergaderingen voorgaan. Zij moeten niet slechts de mond der gemeente zijn in gebed en dankzegging aan God, maar ook Gods mond voor de gemeente in het openen der Schrift, hun daaruit de goede kennis des Heeren lerende. Ten vierde. Het is ene grote bemoediging voor leraren, als zij gelegenheid hebben om ene grote schare te leren, als zij het Evangelie-net uitwerpen waar ene grote school vissen is, in de hoop dat velen er van in het net zullen komen.
Ten vijfde. De prediking dient niet slechts ter overtuiging en bekering van hen, die buiten zijn, maar tot lering en stichting van hen, die binnen zijn. Ene georganiseerde kerk moet hare leraren hebben.
b. Welke ere nu aan de kerk te Antiochië ten deel viel: dáár werden de discipelen het eerst Christenen genoemd. Waarschijnlijk hebben zij zich zelven aldus genoemd, hebben zij zich onder die benaming tot een lichaam verenigd. Of dit door ene plechtige daad van de gemeente, of van hare leraren aldus was vastgesteld, of wel dat die naam door het herhaalde gebruik er van in de prediking en in het gebed ongemerkt in zwang is gekomen, wordt ons niet meegedeeld. Maar het laat zich denken, dat twee zulke grote mannen als Paulus en Barnabas daar zo lang vertoevende, en een groten toeloop hebbende, zond er tegenstand te ontmoeten, de Christelijke bijeenkomsten aldaar meer imposant waren dan elders en van groter belang en aanzien werden, en dit kan de reden zijn, waarom zij aldaar voor het eerst Christenen genoemd werden, hetgeen, indien er ene moederkerk zou moeten wezen, om over de andere kerken te heersen, aan die te Antiochië meer recht zou geven op die ere, dan waarop Rome aanspraak kan maken. Tot nu toe werden zij, die hun namen hadden opgegeven aan Christus, discipelen genoemd, of leerlingen, die onder Hem waren opgeleid, ten einde door Hem gebruikt te worden, maar van nu aan zullen zij Christenen genoemd worden. Ten eerste. Aldus zullen de schandnamen, waarmee hun vijanden hen tot nu toe gebrandmerkt hadden, wellicht uitgewist worden en in onbruik geraken. Zij noemden hen Nazareners, Hoofdstuk 24:5, de mensen van dien weg, dien bijweg, die geen naam hadden, en aldus hebben zij het volk tegen hen bevooroordeeld. Om nu die vooroordelen weg te nemen, gaven zij zich zelven een naam, waarvan hun vijanden wel niet anders konden zeggen dan dat hij juist was. Ten tweede. Aldus konden zij, die voor hun bekering onderscheiden werden door de namen Joden en Heidenen, na hun bekering bij een en dezelfden naam genoemd worden, hetgeen hen kon helpen om hun vroegere scheidingsnamen te vergeten, en kon voorkomen, dat de onderscheidingstekenen van vroeger, en daarmee het zaad der twisting in de kerk gebracht werd. Laat de een niet zeggen: "Ik was een Jood", en laat de ander niet zeggen: "ik was een Heiden", als zowel de een als de ander nu moet zeggen: "Ik ben een Christen". Ten derde. Aldus legden zij er zich op toe om hun Meester te eren, en toonden zij, dat zij zich hun betrekking tot Hem niet schaamden, maar er in roemden, zoals de leerlingen van Plato zich Platonisten noemden, en de leerlingen van andere grote mannen zich naar hen noemden. Zij ontleenden hun' naam niet aan den naam van Zijn Persoon, Jezus, maar aan dien van Zijn ambt Christus Gezalfde, en alzo hebben zij in hun naam hun geloof gelegd, dat Jezus is de Christus, en zij wensen, dat de gehele wereld zal weten, dat zij met deze waarheid willen leven en sterven. Hun vijanden zullen dien naam in een scheld- of schandnaam voor hen verkeren, en hem hun als misdaad aanrekenen, maar zij zullen er in roemen: indien dit gering is, zal ik mij nog geringer houden dan alzo. Ten vierde. Aldus erkenden zij hun afhankelijkheid van Hem, en dat zij niet slechts geloofden in Hem, die de Gezalfde is, maar dat zij zelven door Hem de zalving ontvangen hebben, 1 Johannes 2:20, 27. En God wordt gezegd ons in Christus gezalfd te hebben. 2 Corinthiërs 1:21. Ten vijfde. Aldus hebben zij op zich zelven, en op allen, die ooit dien naam zullen belijden, ene sterke en voortdurende verplichting gelegd, om zich aan de wetten van Christus te onderwerpen, het voorbeeld van Christus te volgen, zich geheel te wijden aan de eer van Christus, Hem tot een naam en tot lof te zijn. Zijn wij Christenen? Dan behoren wij in alles te denken, en te spreken, en te handelen, zoals het Christenen betaamt, en niets te doen tot smaad van dien hoogheerlijken naam, waarnaar wij genoemd zijn, opdat tot ons niet gezegd worde wat Alexander zei tot een soldaat, die zijn naam droeg en bekend stond als een lafaard, Aut nomen aut mores muta - Verander of uwen naam, of verbeter uwe zeden. En gelijk wij op ons zelven moeten zien als Christenen en ons dienovereenkomstig moeten gedragen, zo moeten wij op anderen zien als Christenen, en ons tegenover hen als zodanig gedragen. Al is een Christen niet in alles van ons gevoelen, moet hij toch bemind en geëerd worden om den wille van Hem, wiens naam hij draagt, omdat hij Christus toebehoort. Ten zesde. Aldus is de Schrift vervuld geworden, want alzo is van de Evangelie-kerk geschreven, Jesaja 62:2.
Gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, welken des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal. En tot de verdorvene, ontaarde kerk der Joden wordt gezegd, Jesaja 65:15. De Heere Heere zal ulieden doden, maar Zijne knechten zal Hij met een anderen naam noemen.