Romeinen 8:10-16
In deze verzen houdt de apostel ons twee andere voorrechten van de ware gelovigen voor.
I. Leven. De gelukzaligheid is niet alleen een ontkennende gelukzaligheid, van niet-verdoemd te zijn, maar zij is ook bevestigend, zij is een bevordering tot leven, dat zal de onuitsprekelijke gelukzaligheid van den mens zijn, vers 10, 11. Indien Christus in u is. Merk op: Indien de Geest in ons woont, dan is Christus in ons. Hij woont door het geloof in onze harten, Efeze 3:17. Ons wordt hier gezegd hoe het gaat met de lichamen en de zielen van hen, in wie Christus is.
1. Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat ons lichaam dood is, het is een broos, sterflijk en stervend lichaam, en het zal binnen korten tijd dood zijn, het is een lemen hut, wier grondslag in het stof rust. Het voor ons verworven en ons beloofde leven maakt het lichaam in zijn tegenwoordigen toestand niet onsterfelijk. Het is dood, dat is, het is bestemd om te sterven, gelijk wij een ter dood veroordeelde een dood man noemen. In het midden van het leven zijn wij in den dood, al zijn onze lichamen ook nog zo sterk, gezond en schoon, zij zijn zo goed als dood, Hebreeën 11:12, en zulks om der zonde wil. De zonde doodt het lichaam. Die uitwerking had de eerste bedreiging, Genesis 3:19 :Stof zijt gij. Mij dunkt, al bestond er geen enkele andere reden voor, de liefde tot ons lichaam moet ons van de zonde terughouden, nu de zonde zulk een vijandin van ons lichaam is. De dood, ook van de lichamen der heiligen, is een overgebleven teken van Gods misnoegen over de zonde.
2. Maar de geest, de kostbare ziel, die is leven, die is nu geestelijk levend, ja, zij is zelf leven. De genade in de ziel is haar nieuwe natuur, het leven der heiligen is in hun ziel, terwijl het leven van den zondaar niet verder gaat dan zijn lichaam. Wanneer het lichaam sterft en tot stof wederkeert, is de ziel leven, niet alleen levend en onsterfelijk, maar vervuld met leven. De dood van de heiligen is niet anders dan de bevrijding van den hemelsgeboren geest van den boei en den last van dit lichaam, om hem geschikt te maken om deel te hebben aan het eeuwige leven. Toen Abraham gestorven was, bleef God nochtans de God van Abraham, want juist toen was zijn geest leven. Mattheus 22:31, 32, Zie Psalm 49:16.
En dit om der gerechtigheid wil. De gerechtigheid van Christus, hun toegerekend, beveiligt de ziel, hun voornaamste deel, van den dood, de gerechtigheid van Christus, in hen inwonende, het vernieuwde evenbeeld Gods in de ziel, bewaart en, door Gods beschikking, verheft haar, verbetert haar en maakt haar bekwaam om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht, juist door den dood. Het eeuwige leven van de ziel bestaat in het zien en genieten van God, en in dat geheel in zich op te nemen, want daartoe werd de ziel bekwaam gemaakt door de gerechtigheid van de heiligmaking. Ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, Psalm 17:15.
3. Er wordt ook ten laatste een leven bewaard voor het arme lichaam. Hij zal ook uwe sterflijke lichamen levend maken, vers 11. De Heere is voor het lichaam, en ofschoon het bij den dood wordt terzijde geworpen als een gebroken, veracht vat, een vat waarin niemand behagen heeft, toch zal God een welgevallen hebben aan het werk Zijner handen, Job 14:15, Hij zal gedachtig zijn aan Zijn verbond met het stof en er geen tittel van laten vallen, maar het lichaam zal herenigd worden met de ziel en met daarmee overeenkomstige heerlijkheid bekleed worden. Dit vernederde lichaam zal vernieuwd worden, Filippenzen 3:21, 1 Corinthiërs 15:42. Twee grote verzekeringen van de opstanding des lichaams worden hier vermeld: A. De opstanding van Christus: Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, zal ook uwe sterflijke lichamen levend maken, vers 11. Christus verrees als het hoofd, als de eersteling, als de voorloper van alle heiligen, 1 Corinthiërs 15:20. Het lichaam van Christus lag in het graf, onder de toegerekende zonden van al de heiligen, en daardoor verbroken. O graf, waar is nu uw overwinning? Door de kracht van de opstanding van Christus zullen wij verrijzen.
B. De inwoning des Geestes. Dezelfde Geest, die de ziel heeft levend gemaakt, zal binnenkort ook het lichaam doen opstaan. Door Zijnen Geest, die in u woont. De lichamen der heiligen zijn tempelen des Heiligen Geestes, 1 Corinthiërs 3:16, 6:19. Welnu, ofschoon toegelaten wordt dat deze tempelen gedurende enigen tijd in puin liggen, toch zullen zij herbouwd worden. De tabernakel David's, die vervallen is, zal weer opgericht worden, hoe grote bezwaren daartegen ook in den weg staan. De Geest, zwevende over de dode en dorre beenderen, zal hen levend maken, en de heiligen zullen in dit hun vlees God zien. Hier voegt de apostel terloops tussen hoezeer het dan onze plicht is te wandelen niet naar het vlees, maar naar den Geest, vers 12, 13. Laat dus ons leven niet zijn naar den wil en de bewegingen des vlezes. Twee redenen noemt hij daarvoor op:
a. Wij zijn niet schuldenaars aan het vlees, niet door betrekking, door dankbaarheid, of door enige andere band van verplichting. Wij behoren onze vleselijke begeerlijkheden niet te volgen of te dienen. Zeker, wij zijn verplicht ons lichaam te kleden, te voeden en er zorg voor te dragen, maar als voor een dienstknecht van de ziel in den dienst van God, en meer niet. Wij zijn er gene schuldenaars aan, het vlees heeft ons nooit zoveel vriendelijkheid betoond, dat het ons daardoor zou verplicht hebben om het te dienen. Hierin ligt opgesloten dat wij schuldenaars zijn aan Christus en aan den Geest, aan Hem danken wij alles, alles, wat wij hebben en doen kunnen, zijn wij door duizend banden en verplichtingen verschuldigd. Van zo groot een dood door zo groot een rantsoen verlost zijnde, staan wij oneindig diep in de schuld bij onzen Verlosser, 1 Corinthiërs 6:19, 20.
b. Overweeg de gevolgen, die aan het eind van den weg zullen zijn. Hier worden ons voorgesteld leven en dood, zegen en vloek. Indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven, dat is: den eeuwigen dood sterven. Het behagen en dienen en bevoordelen van het vlees is de verwoesting der ziel, welke is de eeuwige dood. Het eigenlijke sterven is de dood der ziel, de lichamelijke dood der heiligen is slechts een slaap. Maar, aan de andere zijde: Gij zult leven, leven en gelukkig zijn tot in alle eeuwigheid, en dat is het ware leven, indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, alle vleselijke lusten en genegenheden onder houdt, uzelven verloochent ten aanzien van het behagen en inwilligen van het lichaam. En dat door den Geest. Wij kunnen dat niet doen zonder dat de Geest in ons werkt, en de Geest zal het niet doen zonder ons trachten om het te doen. Wij worden dus in een woord gesteld voor deze keuze: het lichaam mishagen of de ziel verwoesten.
II. De Geest der aanneming tot kinderen is een ander voorrecht voor degenen, die in Christus Jezus zijn, vers 14-16.
1. Allen die van Christus zijn, worden opgenomen in de betrekking van kinderen Gods, vers 14. Merk op:
A. Hun hoedanigheid. Zij worden geleid door den Geest Gods. Gelijk een leerling geleid wordt door zijn onderwijzer, gelijk een reiziger op zijn tocht geleid wordt door zijn gids, gelijk een krijgsknecht in zijn handelingen geleid wordt door zijn bevelhebber. Niet voortgedreven als beesten, maar geleid als redelijke schepselen, getrokken met mensenkoorden en banden der liefde. Het is een ontwijfelbaar kenmerk van alle ware gelovigen, dat zij geleid worden door den Geest Gods. Nadat zij zich door het geloof aan deze leiding overgegeven hebben, volgen zij in gehoorzaamheid dien leidsman, en worden zo zacht ingeleid in alle waarheid en plicht.
B. Hun voorrecht. Zij zijn kinderen Gods, door aanneming opgenomen in het getal van Gods kinderen, door Hem als Zijne kinderen erkend en bemind.
2. En degenen die kinderen Gods zijn, hebben den Geest:
A. Ten einde in hen de gesteldheid van kinderen te werken.
a. Gij hebt niet ontvangen den geest der dienstbaarheid wederom tot vreze, vers 15. Versta hieronder: Ten eerste. Den geest der dienstbaarheid, waaronder de gemeente des Ouden Testaments verkeerde, veroorzaakt door de duisterheid en de verschrikkingen van die bedeling. Het voorhangsel betekende dienstbaarheid, 2 Corinthiërs 3:15. Verg. vers 17. De Geest der aanneming tot kinderen was toen niet zo overvloedig uitgestort als thans, want de wet legde de wonde bloot, maar wees weinig van het heelmiddel aan. Maar nu gij niet onder die bedeling zijt, hebt gij dien geest niet ontvangen.
Ten tweede. Den geest der dienstbaarheid, waaronder velen van de heidenen zich voegden bij hun bekering, onder de overtuiging door den Geest gewerkt van zonde en toorn, gelijk in Handelingen 2:37, of de stokbewaarder in Handelingen 16:30, of Paulus, Handelingen 9:6. Toen was de Geest zelf voor die heiligen een geest van dienstbaarheid. "Maar", zegt de apostel, "bij u is dat voorbij". Dr. Manton merkt hier op: "God als Rechter, door den geest der dienstbaarheid, zendt ons tot Christus als Middelaar, en Christus als Middelaar, door den Geest der aanneming tot kinderen, zendt ons terug tot God als vader,'. Ofschoon een kind van God opnieuw onder vrees en dienstbaarheid kan komen en zijn kindschap in twijfel trekken, toch wordt de gezegende Geest niet weer een geest van dienstbaarheid, want dan zou Hij een onwaarheid getuigen.
b. Maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen. De mensen kunnen een bewijsstuk van aanneming op papier geven, maar het is Gods voorrecht alleen, den Geest der aanneming tot kinderen-de natuur van kinderen-te geven. De Geest der aanneming tot kinderen werkt in de kinderen Gods een kinderlijke liefde tot God als Vader, blijdschap in Hem, en afhankelijkheid van Hem als van een Vader. Een geheiligde ziel draagt de gelijkenis Gods, gelijk een kind het beeld van zijn vader draagt. Door welken wij roepen: Abba, Vader! Het bidden wordt hier roepen genoemd, hetgeen niet alleen een ernstige, maar ook een natuurlijke uitdrukking van begeerte is, kinderen die niet spreken kunnen geven hun verlangen te kennen door roepen, door schreien. Welnu, de Geest leert ons in het gebed te komen tot God als tot een Vader, met een heilig, nederig vertrouwen, waardoor de ziel vrijmoedigheid krijgt om te zeggen: Abba, Vader! Abba is een Syrisch woord, dat betekent vader, of mijn vader, patêr is een Grieks woord. En waarom beide: "Abba, Vader?" Omdat Christus dat in Zijn gebed gebruikte, Markus 14:36. Abba, Vader! en wij hebben den Geest des Zoons ontvangen. Het duidt aan een toegenegen en dierbare vrijmoedigheid, en een gelovigen nadruk op onze betrekking tot God gelegd. Wanneer kleine kinderen hun ouders iets vragen, kunnen zij niet veel anders zeggen dan: Vader! vader! maar dat is welsprekend genoeg. Het toont ook aan dat de aanneming tot kinderen zowel den heidenen als den Joden geldt. De Joden noemen Hem Abba, in hun taal, de heidenen mogen Hem in hun taal patêr, vader noemen, want in Christus Jezus is geen Jood of Griek.
B. Te getuigen van deze betrekking van kinderen, vers 16. Het eerste is het werk des Geestes als Heiligmaker, het tweede Zijn werk als Vertrooster. Hij getuigt met onzen geest. Menigeen heeft de getuigenis van zijn eigen geest betreffende de goedheid van zijn toestand, maar mist het daarmee overeenstemmende getuigenis van Gods Geest. Velen spreken tot zich zelven van vrede, tot wie de God des hemels niet van vrede spreekt. Maar zij, die geheiligd zijn, hebben den Geest Gods getuigende met hunnen geest. Dit moet niet opgevat worden als enige onmiddellijke buitengewone openbaring, maar als het gewone werk des Geestes, in en door de genademiddelen, sprekende tot de ziel van vrede. Dit getuigenis is altijd overeenkomstig het geschreven woord, en het is daarom altijd gegrond in de heiligmaking, want de Geest in het hart kan niet in tegenspraak zijn met den Geest in het woord. De Geest getuigt aan niemand van de voorrechten van het kindschap dan aan hen, die de natuur en de gezindheid van kinderen hebben.