Handelingen 10:19-33
Wij hebben hier de samenkomst van Petrus, den apostel en Cornelius den hoofdman over honderd. Hoewel Paulus bestemd was om de apostel der Heidenen te zijn, en den oogst onder hen in te zamelen, en Petrus om de apostel der besnijdenis te zijn, is het toch zo beschikt, dat Petrus het ijs moet breken, en de eerstelingen der Heidenen in zal zamelen, opdat de gelovige Joden, in wie nog veel van den ouden zuurdesem van onwil jegens de Heidenen was overgebleven, des te gemakkelijker met hun toelating in de kerk verzoend zouden worden, als zij het eerst toegelaten werden door hun eigen apostel, hetgeen Petrus aanvoert tegen hen, die voor bekeerlingen uit de Heidenen de besnijdenis verplichtend wilden maken, Hoofdstuk 15:7. Gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de Heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen en geloven. Hier nu wordt:
I. Petrus door den Geest geleid om met de boden van Cornelius te gaan, vers 19, 20, en dit is de verklaring van het visioen, nu is het raadsel opgelost. Als Petrus over dat gezicht nadacht, hij peinsde er over, en toen werd het hem verklaard. Zij, die in de dingen Gods onderwezen willen worden, moeten over die dingen nadenken, zij, die de Schriften willen verstaan, moeten ze dag en nacht bepeinzen. Hij wist niet wat hij er van moest denken, en toen werd het hem uitgelegd: hetgeen ene aanmoediging is voor ons, om, als wij niet weten wat te doen, onze ogen op God gericht te houden, om van Hem leiding en raad te ontvangen. Merk nu op:
1. Van waar hij leiding ontving. De Geest zei hem wat hij doen moest. Dit werd hem niet gezegd door een engel, maar in hem gesproken door den Geest, die het hem, als het ware, stil toefluisterde, zoals God tot Samuël sprak, 1 Samuël 9:15, of door er hem een krachtigen indruk van te geven in zijn gemoed, zodat hij wist, dat het ene Goddelijke inspiratie was, overeenkomstig de belofte, Johannes 16:13.
2. Wat de aanwijzing was, of waarin zij bestond.
a. Voordat iemand van de dienaren tot hem kon komen om het hem te zeggen, wordt hem bericht, dat er beneden drie mannen zijn, die hem wensen te spreken, vers 19, en hij moet opstaan van zijne overpeinzing, niet meer denken aan zijn visioen, maar tot hen gaan, vers 20. Zij, die naar de betekenis zoeken van de woorden Gods, en van de gezichten des Almachtigen, moeten niet altijd zitten staren, ja moeten niet altijd in het gebed zijn, maar soms ook eens om zich heen zien, en dan kan hun oog wellicht datgene ontmoeten, wat hun dienstig kan zijn bij hun onderzoek.
b. Hem wordt bevolen met de boden tot Cornelius te gaan, hoewel hij een Heiden was, met hen te reizen, niet twijfelende. Hij moet niet slechts gaan, maar goedsmoeds gaan, zonder aarzeling of tegenzin, en zonder gewetensbezwaar betreffende het geoorloofde er van, niet twijfelende, of hij wel mocht gaan, neen, noch, of hij wel behoorde te gaan, want het was zijn plicht: "Reis met hen, want Ik heb hen gezonden, en Ik zal uw gaan met hen verdedigen, hoe gij er ook om gelaakt moogt worden." Als wij onze roeping tot enigerlei dienst of werk duidelijk zien, dan moeten wij ons door gene twijfelingen of gewetensbezwaren, die uit onze vroegere denkbeelden en vooroordelen voortvloeien, in de war laten brengen, evenmin als door vrees voor de afkeuring en het misnoegen der mensen. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd, en een iegelijk beproeve zijn eigen werk. II. Hij ontvangt hen en hun boodschap, hij ging af tot hen, vers 21. Het was zo verre van hem om hen uit den weg te gaan, of te weigeren om met hen te spreken, als iemand, die schuw voor hen was, of hen te doen wachten, als iemand, die zich groot en voornaam aanstelt, dat hij zelf tot hen afging, en hun zei, dat hij de persoon was, dien zij zochten! En:
1. Hun boodschap vindt een gunstig onthaal bij hem. Met grote minzaamheid en vriendelijkheid vraagt hij, wat zij van hem begeren: Wat is de oorzaak waarom gij hier zijt? En zij geven hem hun boodschap, vers 22. "Cornelius, een officier van het Romeinse leger, een zeer achtbaar heer, en die veel Godsdienstiger is dan de meesten van zijns gelijken, Godvrezende boven velen, Nehemia 7:2, die, hoewel zelf geen Jood zijnde, zich toch zo goed gedragen heeft, dat hij goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, zodat zij allen van hem zullen spreken als van een nauwgezet, matig, milddadig man, en het dus gene oneer voor u zal wezen, om in zijn gezelschap gezien te worden. Hij is door Goddelijke openbaring vermaand, echrêmatisthê hij had een woord van God, hem gezonden door een engel, (en de levende woorden van de wet van Mozes zijn gegeven door bestellingen van engelen,) dat hem bevolen heeft u te ontbieden naar zijn huis (waar hij u verwacht en u welkom zal heten,) om van u woorden der zaligheid te horen. Zij weten niet welke woorden, maar het zijn de zodanige, als hij van u, en van niemand anders zo goed als van u, kan horen." Het geloof is uit het gehoor. Als Petrus dit herhaalt, zegt hij ons vollediger: het zijn woorden, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis, Hoofdstuk 11:14. "Ga tot hem, want een engel heeft hem bevolen u te ontbieden: ga tot hem, want hij is bereid de woorden der zaligheid te horen en aan te nemen, die gij hem hebt te brengen."
2. Hij heeft de boden vriendelijk onthaald, vers 23. Hij heeft hen ingeroepen en ontving hen in huis. Hij heeft hen niet naar ene herberg gezonden, om er op hun eigene kosten uit te rusten en zich met spijs en drank te verkwikken, maar heeft zelf de kosten op zich genomen om hen in zijn eigen verblijf te herbergen. Zij zullen hem welkom zijn als zij, wat voor hem bereid wordt, vers 10, met hem willen delen. Weinig wist hij welk gezelschap hij zou hebben, toen hij zijn middagmaal bestelde, maar God voorzag het. Het betaamt Christenen en Evangeliedienaren om gastvrij te zijn, en naar hun vermogen, en naar de gelegenheid er toe zich voordoet, herbergzaam te zijn. Petrus heeft hen geherbergd, ofschoon zij Heidenen waren, om te tonen hoe geredelijk hij wilde voldoen aan het doel van het visioen door met Heidenen te eten, want hij heeft hen terstond met zich doen aanzitten. Hoewel twee hunner knechten waren, en de andere een gemeen soldaat, heeft Petrus het toch niet beneden zich geacht hen in zijn huis te ontvangen. Waarschijnlijk deed hij het, om met hen over Cornelius en zijn gezin te kunnen spreken, want hoewel de apostelen instructies hadden van den Geest, hebben zij toch ook van andere inlichtingen gebruik gemaakt, als zij ze nodig hadden.
III. Hij ging met hen henen tot Cornelius, dien hij bereid vond hem te ontvangen en te onthalen.
1. Toen Petrus met hen ging, was hij vergezeld van sommige broederen, die van Joppe waren, vers 23, waar hij zich nu bevond. Zes van hen gingen met hem, zoals wij zien in hoofdstuk 11:12. Hetzij dat Petrus hun gezelschap begeerde, opdat zij er getuigen van zouden zijn, dat hij voorzichtiglijk handelde met betrekking tot de Heidenen, en dat zijn heengaan tot hen berustte op goede gronden, waarvoor hij hun getuigenis wenst, Hoofdstuk 11:12, of dat zij hem aangeboden hebben om hem te vergezellen, daar zij de eer en het genoegen begeerden te hebben van zijne medereizigers te zijn. Het was ene manier, waarop de eerste Christenen hun eerbied betoonden aan hun leraren, dat zij hen vergezelden op hun reizen, om hen te steunen, hun tot lijfwacht te dienen, en, als het nodig was, hun diensten te bewijzen, met het verdere vooruitzicht van hen niet slechts te dienen, maar om ook door hun gesprekken gesticht te worden. Het is jammer, dat zij, die de bekwaamheid en den wil hebben, om anderen door hun gesprekken goed te doen, er de gelegenheid toe missen, door dat zij alleen reizen.
2. Toen Cornelius gereed was hem te ontvangen, had hij enige vrienden van Cesarea saamgeroepen. Het schijnt, dat de afstand tussen Joppe en Cesarea ruim ene dagreis, of eigenlijk bijna twee dagreizen was, want het was des anderen daags nadat zij vertrokken waren, dat zij weer te Cesarea kwamen, vers 24, en het was op den namiddag van dien dag, vers 30. Waarschijnlijk hebben zij te voet gereisd, dit was de gewone manier van reizen der apostelen. Toen zij nu in het huis van Cornelius kwamen, bevond Petrus,
a. dat hij verwacht werd, en dat was ene aanmoediging voor hem. Cornelius verwachtte hem, en zulk een gast was waardig om verwacht te worden, en ik zou het niet in hem kunnen afkeuren, indien hij met enig ongeduld wachtte, verlangende te weten wat toch wel de grote zaak was, die een engel hem bevolen heeft te verwachten van Petrus te zullen horen.
b. Dat hij verwacht werd door velen, en dat was nog ene aanmoediging voor hem. Gelijk Petrus sommigen medegebracht heeft om te delen in de geestelijke gave, die hij nu had mede te delen, zo had Cornelius saamgeroepen, niet slechts de leden van zijn gezin, maar ook die van zijne maagschap en bijzonderste vrienden, om met hem te delen in het hemelse onderricht, dat hij van Petrus verwachtte, hetgeen aan Petrus ene nog ruimere gelegenheid bood om goed te doen. Wij moeten niet begeren onze geestelijke bete alleen te eten, Job 31:17. De uitnodiging aan onze magen en vrienden om in onze Godsdienstoefeningen te delen, of om met ons ene goede Evangelieprediking te gaan horen, moet hun als een bewijs van vriendschap en achting gegeven worden, en door hen als zodanig worden ontvangen. Wat Cornelius doen moest, zal, naar hij dacht, ook door zijne magen en vrienden gedaan moeten worden, laten zij dus komen en het uit de eerste hand horen, opdat het gene verrassing voor hen zijn zal, als zij ene verandering bij hem waarnemen. I
V. Hier is het eerste onderhoud tussen Petrus en Cornelius, waarin wij hebben:
1. Den diepen, maar onbehoorlijken eerbied door Cornelius aan Petrus bewezen, vers 25.
Als Petrus inkwam ging Cornelius hem tegemoet, en, in plaats van hem te omarmen en te omhelzen als een vriend, hetgeen Petrus aangenaam zou geweest zijn, viel hij aan zijne voeten en aanbad hem. Sommigen denken, als een vorst en aanzienlijk man, volgens het gebruik in Oosterse landen, anderen denken, als ene in het vlees verschenene godheid, of alsof hij hem voor den Messias zelven aanzag. Zijn aanbidden van een mens was werkelijk zondig, maar, zijne tegenwoordige onwetendheid in aanmerking genomen, was zij te verontschuldigen, ja meer, het toonde iets zeer prijzenswaardigs in hem-zijne grote verering namelijk van Goddelijke en hemelse zaken. Geen wonder dat hij -totdat hij beter was ingelicht-hem voor den Messias hield, en hem dus aanbad, dien hij op bevel van een' engel uit den hemel heeft moeten ontbieden. Maar de aanbidding van Petrus' voorgewenden opvolger, die niet slechts een mens, maar een zondig mens is, ja de mens der zonde zelf, is volstrekt onverschoonbaar, en ene ongerijmdheid, die ongelooflijk zou zijn. indien ons niet van te voren gezegd was, dat de gehele wereld het beest zou aanbidden. Zie Openbaring 13:3, 4. 1) 2. Petrus' bescheidene, en inderdaad rechtvaardige en Godvruchtige afwijzing van de ere, die hem aangedaan werd, vers 26. Hij richtte hem op, met zijne eigene handen, en nam hem in zijne armen, (hoewel er een tijd was, toen hij weinig dacht, zulk een eerbewijs te ontvangen van, of zoveel genegenheid te tonen aan, een onbesneden Heiden) zeggende, "Sta op, ik ben ook zelf een mens, en moet dus niet worden aangebeden". Evenals de goede engelen des hemels, kunnen ook de goede engelen der gemeenten, het niet dragen, dat hun ook maar het minste of geringste van de ere wordt betoond, die alleen aan God toekomt. Zie, dat gij dat niet doet, zei de engel tot Johannes, Openbaring 19:10, 22:9, en hetzelfde geeft de apostel aan Cornelius te kennen. Hoe heeft Paulus er zich zorgvuldig van onthouden om aanleiding te geven, dat iemand van hem denken zou boven hetgeen hij in hem zag! 2 Corinthiërs 12:6. Christus' getrouwe dienstknechten zouden het beter kunnen dragen vernederd dan vergood te worden. Petrus heeft niet het denkbeeld gekoesterd, dat de grote eerbied, dien hij hem bewees, wel overdreven was, maar toch bij zou kunnen dragen tot den voorspoed van zijne prediking, en dat hij, zo hij bedrogen wil wezen, dan maar bedrogen moet wezen, neen, laat hij weten, dat Petrus een mens is, dat de schat is in aarden vaten, opdat hij den schat om den schat zou waarderen.
V. Het verhaal, dat Petrus en Cornelius elkaar, en aan het gezelschap, doen van de wijze, waarop de hand des Heeren hen saamgebracht heeft. Met hem sprekende -sunomiloon autos -ging hij in, vers 27. Petrus ging in, gemeenzaam sprekende met Cornelius, er naar strevende, om door zijn ongedwongen spreken met hem iets van het ontzag, of de vreze, weg te nemen, die hij voor hem scheen te koesteren, en toen hij binnenkwam, vond hij er velen, die samengekomen waren, meer dan hij verwachtte, en behalve de ruimere gelegenheid om goed te doen, heeft dit ook aan dezen dienst plechtigheid verleend. Nu verhaalt:
1. Petrus, hoe hij van God de aanwijzing heeft ontvangen, om tot deze Heidenen te gaan, vers 28, 29. Zij wisten, dat het den Joden nooit vergund is geweest, maar altijd als ongeoorloofd werd beschouwd-athemiton -"iets verfoeilijks", voor een Joodsen man, een geboren Jood, zoals ik ben, zich te voegen of te gaan tot een vreemde, tot iemand van een ander volk, een onbesneden Heiden. De wet van God heeft dit niet gewild, maar het werd aldus bepaald door het besluit van hun wijzen, en zulk een afgekondigd besluit beschouwden zij als niet minder verplichtend dan de wet. Zij hebben hun niet verboden met Heidenen te spreken of handel met hen te drijven op straat of in een winkel, of op de markt, maar om met hen te eten. Zelfs in Jozefs tijd mochten de Egyptenaren geen brood eten met de Hebreeën, Genesis 43:32. De drie jongelingen wilden zich niet ontreinigen met de stukken van de spijze des konings, Daniël 1:8 Zij mochten niet in het huis komen van een Heiden, omdat zij dit volgens de ceremoniële wet voor verontreinigd hielden. Met zo veel verachting zagen de Joden neer op de Heidenen, die, op hun beurt, met even veel verachting op hen neerzagen, zo als blijkt uit menige plaats bij de Latijnse dichters. "Doch God heeft mij getoond", zegt Petrus, "getoond door een visioen, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. noch weigeren moet met iemand omgang te hebben vanwege zijn landaard. Aan Petrus, die zijnen bekeerlingen had geleerd behouden te worden van dit verkeerd geslacht, Hoofdstuk 2:40, wordt nu zelven geleerd zich te voegen bij het gewillige, leerzame geslacht van Godzalige Heidenen. Ceremoniële getuigenissen worden afgeschaft, opdat meer acht geslagen zou worden op zedelijke getuigenissen. Petrus achtte het nodig om hem te laten weten, hoe hij er toe is gekomen om ten opzichte van deze zaak van gevoelen te veranderen, dat dit door ene Goddelijke openbaring is geweest, opdat hem gene lichtzinnigheid hierin ten laste gelegd zou worden. God, aldus den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, verzekert Petrus hun: a. van zijne bereidwilligheid, om hun alle goede diensten te bewijzen, die in zijn vermogen waren, en dat, zo hij zich tot nu toe op een afstand van hen had gehouden, dit niet was uit persoonlijken afkeer van hen, maar omdat hij verlof van den hemel wilde hebben, om met hen om te gaan, en nu hij dit verlof bekomen had, was hij tot hun dienst. "Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde, bereid om u hetzelfde Evangelie te prediken, dat ik den Joden gepredikt heb". De discipelen van Christus moesten wel enig denkbeeld hebben van het prediken van het Evangelie aan de Heidenen, maar zij dachten, dat het slechts aan die Heidenen moest gepredikt worden, die eerst proselieten van den Joodsen Godsdienst geweest waren, en Petrus erkent, dat deze vergissing nu hersteld was.
b. Hij vraagt, waarin hij hun nu van dienst kan zijn. "Zo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden? Wat verwacht gij van mij? Wat wenst gij van mij?" Zij, die de hulp van Gods dienstknechten begeren, behoren wel toe te zien, dat zij er zich een recht doel mede voorstellen, en het met goede bedoeling doen.
2. Cornelius deelt hem nu mede hoe God hem bevolen heeft Petrus te ontbieden, en dat het in zuivere gehoorzaamheid was aan dat bevel, dat hij om hem gezonden heeft. Als wij om Gods dienaren zenden, of den Evangeliedienst bijwonen, dan zal ons doel hierin goed zijn, als wij het doen met het oog op het Goddelijk bevel, waardoor deze ordonnantie werd ingesteld, en van ons eist, dat wij er gebruik van zullen maken. Nu verhaalt Cornelius:
A. Hoe de engel hem verschenen is, en hem bevolen heeft Petrus te ontbieden, niet om er zich op te beroemen, maar als de reden waarom hij verwachtte, dat Petrus hem ene boodschap van den hemel zou brengen.
a. Hij verhaalt wat hij deed, toen hij dit visioen had, vers 30.
Voor vier dagen was ik vastende, tot deze ure toe, het uur van den dag dat het nu is, toen Petrus kwam, omstreeks in het midden van den namiddag. Hieruit blijkt, dat het Godsdienstig vasten om meer ernst en plechtigheid bij te zetten aan het gebed ook bij vrome mensen in gebruik was, die gene Joden waren, de lieden van Nineve riepen een vasten uit, Jona 3:5. Sommigen geven aan deze woorden van Cornelius een anderen zin. Van voor vier dagen tot aan deze ure was ik vastende, alsof hij gene spijze had gebruikt, of ten minste geen geregelden maaltijd, van toen af tot nu toe. Maar hij zegt het als inleiding tot het verhaal van zijn visioen, en dus moet de bedoeling zijn het vasten ter voorbereiding van het gebed. Ter negender ure bad ik in mijn huis, niet in de synagoge, maar te huis. Ik wil, dat de mensen zullen bidden, waar zij wonen. Zijn bidden in zijn huis duidt aan, dat het geen bidden was in het verborgen, in de binnenkamer, maar in een vertrek van zijn huis, dat voor allen toegankelijk was, een bidden dus met zijn gezin, en wellicht heeft hij zich na het gebed afgezonderd en heeft hij toen dat visioen gehad. Merk op: Ter negender ure, dat is, om drie uur in den namiddag, waren de meeste mensen op reis of bezig met hun beroep, arbeidende op het veld, of bezochten zij hun vrienden, of deden hun middagslaapje na den maaltijd, maar Cornelius was toen in het gebed, hetgeen aantoont hoe veel werks hij maakte van den Godsdienst. En toen ontving hij deze boodschap van den hemel. Zij, die op troostrijke wijze van God willen horen, moeten veel en dikwijls tot Hem spreken. b. Hij geeft ene beschrijving van den bode, die hem deze boodschap van den hemel bracht. Een man stond voor mij in een blinkend kleed, zoals Christus' klederen waren, toen Hij van gedaante werd veranderd, en dat van de twee engelen, die bij Christus' opstanding zijn verschenen, Lukas 24:4, en bij Zijne hemelvaart, Hoofdstuk 1:10, waarmee hun betrekking tot de wereld van licht wordt aangeduid.
c. Hij herhaalt de boodschap, die hem was gezonden, vers 31, 32, zoals wij haar in vers 4-6 gehad hebben, slechts wordt hier de uitdrukking gebruikt: uw gebed is verhoord. Er wordt ons niet gezegd wat zijn gebed was, maar indien deze boodschap er de verhoring van was-en dat schijnt wel het geval te wezen-dan kunnen wij onderstellen, dat hij, de onvolkomenheid beseffende van het natuurlijk licht, waardoor hij niet wist hoe de vergeving zijner zonden te verkrijgen en de gunst van God, gebeden heeft, dat God zich nader aan hem zou openbaren, en hem den weg ter behoudenis en zaligheid zou tonen. "Welnu", zegt de engel, "zend om Petrus, en hij zal u dit ontdekken".
B. Hij geeft de bereidwilligheid te kennen van hem en van zijne vrienden om de boodschap te ontvangen, die hij voor hem had, vers 33. Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, zoals mij bevolen was, en gij hebt wèl gedaan, dat gij hier gekomen zijt, ofschoon wij Heidenen zijn. Getrouwe leraren doen wèl met te komen tot mensen, die bereid en begerig zijn onderricht van hen te ontvangen, te komen als er om hen gezonden wordt, het is ene daad zo goed als zij er een doen kunnen. Welnu, Petrus is gekomen om te doen wat zijn werk en plicht is, maar zullen zij nu doen, wat hun werk en plicht is? Ja. Gij zijt hier, bereid om te spreken, en wij zijn hier bereid om te horen, 1 Samuël 3:9, 10. Let op,
a. Hun Godsdienstig bijwonen van het woord: "Wij zijn dan nu allen hier tegenwoordig voor God, wij zijn hier op Godsdienstige wijze, wij zijn hier als aanbidders", (aldus bereiden zij zich tot ene ernstige, eerbiedige gemoedsstemming,) daar gij dan nu op zulk ene volmacht en met zulk een bevel tot ons gekomen zijt en wij zulk een schat in onze handen hebben, als wij nooit te voren hadden, en wellicht nooit weer zullen bezitten, zijn wij op dit uur der Godsverering, en in deze plaats der Godsverering (hoewel het slechts een particulier woonhuis was) bereid, "wij zijn hier tegenwoordig, paresmen -wij zijn aan de zaak, en zijn gereed te komen op de roepstem Gods". Als wij Gods bijzondere tegenwoordigheid begeren voor ene inzetting, de viering van een door Hem ingestelde plechtigheid, dan moeten wij er ook voor dat bijzondere doel bij tegenwoordig zijn. Hier ben ik. " Wij zijn allen tegenwoordig, allen, die uitgenodigd waren, wij, en allen, die tot ons behoren, wij, en alles wat in ons is". De gehele mens moet tegenwoordig zijn, niet het lichaam hier, en het hart met de ogen des zots in het einde der aarde. Maar wat het in werkelijkheid tot ene Godsdienstige bijeenkomst maakt, is: Wij zijn hier tegenwoordig voor God. In het gebruik der heilige genademiddelen stellen wij ons den Heere voor, en moeten wij als voor Zijn aangezicht wezen, als degenen die zien, dat Zijn oog op ons is.
b. Het doel van deze bijeenkomst: "Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is, hetgeen u toevertrouwd is, om ons over te leveren". Merk op: Ten eerste, Petrus was daar om te prediken al hetgeen hem van God bevolen is, want gelijk hij een ruime opdracht had om het Evangelie te prediken, zo had hij ook volledige instructies voor wat hij moest prediken. Ten tweede. Zij waren bereid te horen, niet alles wat het hem zou gelieven te zeggen, maar wat hem van God bevolen was te zeggen. De waarheden van Christus waren den apostelen niet meegedeeld, om, al naar het hun goed dacht, verkondigd, of onderdrukt te worden, neen, zij waren hun toevertrouwd, opdat zij ze aan de wereld bekend zouden maken. "Wij zijn bereid alles te horen, wij komen bij het begin van den dienst, en zullen blijven tot het einde, en wij zullen gedurende den gehelen dienst aandachtig luisteren, want, hoe zouden wij anders alles kunnen horen? Wij zijn begerig alles te horen wat u opgedragen is te prediken, al is het nog zo onaangenaam aan vlees en bloed, of al druist het nog zo zeer in tegen onze vroegere denkbeelden, of onze tegenwoordige wereldlijke belangen. Wij zijn bereid alles te horen, laat er dus niets van hetgeen ons nuttig kan zijn, teruggehouden worden.