4. Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik, volgens de mededelingen, die mij over de toestand in uw huis door de kinderen van uw zuster (vs 13) zijn toegekomen (
Colossenzen 1:4,
8), van uw kinderen sommige gevonden heb, die in de waarheid wandelen (
3 Johannes 1:3-4.
1 Johannes 2:6 en dus betonen ware Christenen te zijn, zoals wij dan ook een gebod ontvangen hebben van de Vader uit de mond van Zijn Zoon Jezus Christus, dat wij zo moeten wandelen en niet in de duisternis, als wij gemeenschap met Hem willen hebben (
1 Johannes 1:6 v. ;
Johannes 14:15;
15:10). De vraag, of de schrijver toevallig, of na een bijzonder ingesteld onderzoek tot de ontdekking is gekomen, dat enige kinderen van de eerwaardige vrouw, waaraan hij zijn schrijven richt, in de waarheid wandelen, valt bij een juist inzicht in de toestand als een nietsbetekenende weg. Enige van haar kinderen heeft hij gevonden als wandelend in de waarheid, andere niet, d. i. over de laatste heeft hij vernomen, dat zij met dwaalleraars omgang hadden aangeknoopt en dat de liefde tot de gemeente en tot de kinderen van God in hen verkoeld was, terwijl hij over de eersten met blijdschap had gehoord, dat zij getrouw en vast in geloof en in de liefde stonden.
Gelukkige kinderen, van wie naar waarheid kan getuigd worden, dat zij in de waarheid wandelen, die ons geopenbaard is door het Evangelie van Christus, wier element, waarin zij leven, die waarheid is, die haar kennen, waarderen, volgen, in haar zich verlustigen en haar beoefenen, niettegenstaande de verzoekingen, aan hun leeftijd eigen; die hun pad zuiver bewaren naar Gods woord, die God en de Heere Jezus Christus vroeg lief hebben en dienen. Zij genieten de zoete vrucht, die uit de beoefening van de ware godsvrucht voortvloeit en die vrede van het gemoed, die een goed geweten schenkt en die alle verstand te boven gaat. Zij zullen er zich nooit over beklagen, dat zij aan de waarschuwingen en vermaningen van hun ouders en opvoeders en aan de stem van God in hun binnenste gehoor hebben gegeven. Zij zullen integendeel bij het klimmen van hun jaren steeds meer er zich over verblijden, dat het van hun jeugd af hun keus en lust was de Heere te dienen. Het zal hun slechts smarten, dat zij niet standvastiger en getrouwer in de waarheid gewandeld hebben. Zij voelen zich in hoop zalig en genieten eenmaal dat ware, eeuwige leven, waarvoor zij hier voorbereid en vatbaar geworden zijn. Gelukkige ouders, van wier kinderen deze loffelijke getuigenis naar waarheid afgelegd kan worden! Zij beseffen dit te meer, als zij zelf in de waarheid wandelen en door hun voorbeeld zowel als door hun waarschuwingen en vermaningen aan de bekering en heiliging van hun kinderen, onder de goddelijke zegen, met vrucht hebben mogen arbeiden. Zij weten, dat hun kinderen, ook onder tegenspoed, gelukkig, echt gelukkig zijn en wat is zaliger voor het ouderhart, dan zijn kinderen, zijn lieve kinderen gelukkig te zien? Zij voelen op hen een betrekking, nog inniger en tederder en reiner, dan die zij als ouders op hen hebben. Zij mogen hen aanmerken als hun broeders en zusters in de Heere. En als zij door de dood van hen weggenomen worden, verlaten zij hen in de vaste overtuiging, dat hun lievelingen, ook bij gemis aan aardse schatten en goederen, de beste schat en het hoogste goed, dat hun niet ontnomen kan worden, bezitten, dat hun hemelse Vader voor hen zorgen zal en gaan zij heen naar het huis van de Vader in de blijde hoop van hen daar te zullen weerzien, om altijd met hen bij de Heere te wezen.