Filippenzen 1:3-6
Na het opschrift en de zegening gaat de apostel over tot dankzegging voor de heiligen te Filippi. Hij zegt hun waarvoor hij God ten hunnen opzichte dankt.
I. Paulus herinnert hun, dat hij hunner veel gedachtig is, en ofschoon zij buiten zijn gezicht waren en hij op groten afstand van hen, toch waren zij niet uit zijne gedachten. Zo dikwijls als ik uwer gedenk, epi pasai têi mneiai humoon. Hij dacht dikwijls aan hen en sprak ook dikwijls over hen, en verheugde zich als hij van hen hoorde spreken. De enkele vermelding van hun naam was hem aangenaam, het is een genot het welzijn van een afwezigen vriend te vernemen.
II. Hij herinnert hen zich met blijdschap. Te Filippi was hij mishandeld, hij was er gegeseld en in den stok gesloten, en voor `t ogenblik zag hij weinig vrucht van zijn werk, toch dacht hij met vreugde aan Filippi terug. Hij zag op zijn lijden om Christus' wil als op zijn aanbeveling, zijn blijdschap, zijn kroon, en verheugde zich reeds als de plaats, waar hij zoveel geleden had, genoemd werd. Zo ver was hij er van af van over hen beschaamd te zijn en wars om te horen van het toneel zijns lijdens, dat hij er met vreugde aan terugdacht.
III. Hij herinnert hen zich in het gebed. Te allen tijde in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende, vers 4. De beste herdenking van onze vrienden is hunner gedachtig te zijn voor den troon der genade. Paulus bad veel voor zijn vrienden, voor al zijn vrienden, voor dezen vooral. Uit deze wijze van uitdrukking kan men opmaken, dat hij voor den troon der genade de verscheidene gemeenten, waarmee hij in betrekking stond, elke afzonderlijk en met name herdacht. Hij had uren des gebeds voor de gemeente te Filippi. God geeft ons vrijheid om zo vertrouwelijk met Hem om te gaan ofschoon Hij -tot onzen troost-wel weet wie wij bedoelen al noemen wij hen niet met name.
IV. Hij dankt God voor elke vreugdevolle herinnering aan hen. Dankzegging moet in elk gebed voorkomen, en wat ons een reden van blijdschap is, behoort ons ook een reden van dankzegging te zijn. Waar wij het genot van hebben, daar moet God de heerlijkheid van ontvangen. Hij dankt God zowel als hij met blijdschap bidt. Heilige blijdschap is het hart en de ziel van dankbare lof, en dankzegging is de mond en de taal van heilige blijdschap.
V. Zowel in ons gebed als in onze dankzegging moeten wij tot God opzien als tot onzen God. Ik dank mijnen God. Het bemoedigt ons in het gebed, en vervult ons hart met dank, wanneer wij zien dat elke barmhartigheid uit de hand Gods tot ons komt als van onzen God.
Ik dank mijnen God zo dikwijls als ik uwer gedenk. Wij moeten onzen God danken voor de genaden en vertroostingen, de gaven en het nut van anderen, omdat wij ontvangen door hen zegeningen, en God ontvangt er heerlijkheid door. Maar wat is de reden van deze dankzegging?
1. Hij dankt God voor de vertroosting, die hij door hen had, over uwe gemeenschap aan het Evangelie van den eersten dag af tot nu toe, vers 5. Gemeenschap aan het Evangelie is een goede gemeenschap, en in het Evangelie heeft de geringste Christen gemeenschap met de grootste apostelen, want de Evangelische zaligheid is een algemene zaligheid, Judas 3, en zij worden allen hetzelfde dierbare geloof deelachtig, 2 Petrus 1:1. Zij, die in oprechtheid het Evangelie ontvangen en omhelzen, hebben daarin gemeenschap van den eersten dag af. Een nieuw-geboren Christen, mits hij waarlijk wedergeboren is, heeft deel aan al de voorrechten en beloften van het Evangelie van den eersten dag zijner bekering af. Tot nu toe. Het is een grote troost voor de dienaren, wanneer zij, die wèl begonnen, goed doorgaan en volharden. Sommigen verstaan onder hun gemeenschap aan het Evangelie van hun vrijmoedigheid om het Evangelie te verbreiden, en vertalen koinoonia niet in gemeenschap, maar mededeling. Maar in aanmerking nemende Paulus' dankzeggingen voor andere gemeenten, schijnt het meer geëigend om het op te vatten als bedoelende de gemeenschap, die zij hadden in geloof, en hoop, en heilige liefde met alle ware Christenen-een gemeenschap in de beloften, voorschriften, voorrechten en verwachtingen van het Evangelie, en wel van den eersten dag af tot nu toe.
2. Voor het vertrouwen, dat hij ten hunnen aanzien had, vers 6. Vertrouwende ditzelve, enz. Het vertrouwen der Christenen is hun grote vertroosting, en wij vinden reden van dankzegging zowel in ons vertrouwen als in onze blijdschap. Wij moeten dankzeggen niet alleen voor hetgeen wij op `t ogenblik bezitten, maar ook voor hetgeen wij in de toekomst verwachten. Paulus spreekt met veel vertrouwen over den goeden toestand van anderen, naar den aard der liefde het beste van hen hopende, en door het geloof vertrouwende dat zij gelukkig zouden zijn indien zij oprecht waren. Hij vertrouwde, dat Hij die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus. Een goed werk in u, en humien, of onder u. Verstaat daardoor in het algemeen, dat Hij in uw midden een gemeente gesticht heeft. Hij, die het Christendom in de wereld geplant heeft, zal het bewaren zolang de wereld bestaat. Christus zal een gemeente hebben totdat de verborgenheid Gods is vervuld en het mystieke lichaam volwassen is. De gemeente is gebouwd op een rots en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Maar in `t bijzonder moeten wij dit toepassen op de enkele personen en dan spreekt het van de zekere volmaking van het werk der genade in hen, in wie dat begonnen is. Merk hier op:
A. Het werk der genade is een goed werk, een gezegend werk, want het maakt ons goed en is voor ons een onderpand van het goede. Het maakt ons Gode gelijk en bekwaam om God te genieten. Dat mag wel een goed werk heten, dat ons het grootste goed doet.
B. Waar ook dat goede werk begonnen is, werd het door God begonnen: Hij die in u een goed werk begonnen heeft. Wij zelven konden het niet beginnen, want wij waren van nature dood in misdaden en zonden, en wat zou een dode kunnen doen om zich zelven ten leven te verwekken, of hoe zou hij kunnen handelen alvorens hij levend gemaakt is in dezelfden zin waarin hij dood genoemd wordt. Het is God, die de doden levend maakt, Efeze 2:1, Colossenzen 2:13.
C. Het werk der genade wordt in dit leven slechts begonnen, het wordt hier niet voleindigd, zolang wij in dezen toestand van onvolmaaktheid verkeren, blijft er altijd te doen over.
D. Indien dezelfde God, die het goede werk begonnen heeft, niet op zich nam het voort te zetten en te voleindigen, zou het voor eeuwig onvoltooid blijven. Hij die het begon, moet het voleindigen.
E. Wij mogen vertrouwen en vast overtuigd zijn, dat God het niet zal verlaten, maar dat Hij het werk Zijner handen zal voltooien en bekronen. Want al Gods werken zijn volmaakt.
F. Het werk der genade zal niet volmaakt zijn voor den dag van Jezus Christus, den dag Zijner verschijning. Wanner Hij komen zal om de wereld te oordelen en Zijn middelaarschap te eindigen, dan zal dit werk volmaakt zijn en zal Hij den kroonsteen aanbrengen. We hebben dezelfde uitdrukking in vers 10.