24. 1) God gaf hem niet aanstonds een antwoord op zijn vraag, waarom dit geschiedde; de verdere ondervindingen, die Mozes bij de leiding van Israël hebben zou (
Johannes 13:7), zouden hem dit vanzelf duidelijk maken; toch wil Hij Zijn bede om hulp met bepaalde toezeggingen beantwoorden. Toen zei de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat ik aan Farao doen zal, 2) want van nu aan zal Ik, om zijn honende verachting van Mijn Naam, hem plagen; door een machtige hand gedwongen, zal hij hen latentrekken. Ja, door een machtige hand zal hij genoodzaakt worden, hen uit zijn land te drijven. (
hoofdstuk 11:1;
12:33).
1) Velen beginnen hoofdstuk 6 met dit vers in navolging van de Hebreeuwse tekst..
2) Mozes was het wel onwaardig, dat God hem zo zacht en vriendelijk antwoordt. Maar de beste Vader vergeeft, overeenkomstig Zijn weergaloze zachtmoedigheid, zowel de zonden van Mozes als van het volk, opdat Hij, wat Hij besloten had, omtrent de verlossing zou vervullen. Doch niets nieuws voert Hij meer aan, maar herhaalt en bevestigt een vroeger gezegde, dat Farao niet zou gehoorzamen, tenzij hij door geweld gedwongen werd. In het woord nu zult gij zien ligt een stilzwijgend verwijt ten opzichte van zijn onredelijke haast, omdat hij de vervulling van de belofte niet afwacht. Vervolgens wordt de reden te berde gebracht, waarom God niet wil, dat Zijn volk door de tiran uit vrije beweging wordt vrijgelaten, opdat als het ware het werk van de bevrijding op bijzondere wijze in het oog zou vallen..
Mozes had beproefd, wat hij kon doen, maar niets teweeggebracht hebbende, zo zei God: Nu zult gij zien, wat Ik doen zal; berust maar in Mijn almacht en rechtvaardigheid, en gij zult zien, wat van zijn hoogmoed en trotsheid worden zal. Als Ik mij opmaak, om te verdelgen, zo zal niemand uit mijn hand verlossen; onder Mij worden gebogen de hovaardige helpers. Dan zal de verlossing van Gods Kerk gelukkig voortgaan, als God het werk in Zijn eigen hand neemt..