Exodus 39:1-31
In dit bericht van het vervaardigen van de priesterkleren naar de voorschriften, die er van gegeven waren, Hoofdstuk 28, kunnen wij opmerken:
1. Dat de priesterkleren hier ambtskleren, of dienstkleren, genoemd worden, vers 1. Zij, die gewaden van de eer dragen, moeten ze beschouwen als dienstklederen, want van hen, op wie eer gelegd is, wordt dienst verwacht. Er wordt van hen, die met witte kleren bekleed zijn, gezegd dat zij "voor de troon van God zijn, en Hem dag en nacht dienen in Zijn tempel," Openbaring 7:13, 15. Heilige kleren worden voor de mensen niet gemaakt om er in te slapen, of er trots op straat heen en weer in te gaan, maar om er dienst in te verrichten, en dan zijn zij in waarheid tot heerlijkheid en tot sieraad. De Zoon des mensen zelf is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen,
2. Dat al de zes paragrafen, die een bepaald verslag geven van het maken van deze heilige kleren, eindigen met deze woorden: gelijk de Heer aan Mozes bevolen had, vers 5, 7, 21, 26-29, 31. Dit vinden wij in geen der voorafgaande berichten, alsof zij in deze dingen, meer dan in al de andere tot de tabernakel behorende, zeer bijzonder acht hadden gegeven op het voorschrift van de Heer, zowel tot hun volmacht als tot hun leiding. Hiermede wordt aan alle dienstknechten van de Heer een wenk gegeven, om in al hun dienen het woord Gods tot hun richtsnoer te nemen en te handelen in overeenstemming met, en gehoorzaamheid aan, het gebod van God.
3. Dat deze kleren, in overeenstemming met het overige toebehoren van de tabernakel zeer kostbaar en zeer prachtig waren. Aldus werd de kerk in haar jeugd onderwezen en behaagd met de beginselen van deze wereld, maar om nu onder het evangelie, dat de bediening is van de Geest, zodanige prachtige kledij aan te nemen en verplichtend te stellen zoals de kerk van Rome, onder voorwendsel van betamelijkheid en onderwijs, doet, dat is een verraden van de vrijheid, waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft dat is de kerk weer onder de dienstbaarheid te brengen van die vleselijke verordeningen, die slechts tot op de tijd van de verbetering waren opgelegd.
4. Dat zij allen schaduwen waren van toekomstige goederen, maar dat het wezen Christus is en de genade van het evangelie, als dus het wezen gekomen is, dan is het dwaasheid om nog aan de schaduw te blijven hangen.
a. Christus is onze grote Hogepriester, toen Hij het werk van onze verlossing op zich nam, heeft Hij de dienstkleding aangedaan. Hij bekleedde zich met de genadegaven van de Geest, die Hij zonder mate ontvangen heeft, Hij heeft zich gegord met de kunstige riem of gordel van de volharding, om met Zijn onderneming voort te gaan, heeft zich belast met geheel Gods geestelijk Israël, droeg hen op Zijn schouders en op Zijn hart, heeft hen in Zijn handpalmen gegraveerd, en hen in de borstlap van de gerechtigheid Zijn Vader voorgesteld.
Eindelijk: Hij heeft zich gekroond met heiligheid van de Heer, geheel Zijn onderneming toewijdende aan de eer van de heiligheid van Zijn Vader. Aanzie dan nu hoe groot deze is.
b. Ware gelovigen zijn geestelijke priesters. Het reine lijnwaad, waarvan al hun dienstkleding gemaakt moeten worden, is "de rechtvaardigmaking van de heiligen," Openbaring 19:8, en heiligheid van de Heer moet zo op hun voorhoofd geschreven zijn, dat allen, die met hen omgaan, haar zien en zeggen, dat zij het beeld dragen van de heiligheid van God, en toegewijd zijn aan de lof er van.