Exodus 38:1-8
Bezaleël was gereed gekomen met het gouden werk, dat, hoewel het kostbaarste, toch buiten het gezicht moest blijven in de tabernakel zelf. En nu gaat hij de voorhof maken, die aan alle kanten open lag voor ieders gezicht. De voorhof bevatte twee dingen, die beiden van koper waren.
1. Een brandofferaltaar, vers 1-7 Daarop moesten al hun offers geofferd worden, en dit was het, dat, zelf door het bestel van God geheiligd zijnde, de gave heiligde, die er in geloof op geofferd werd. Christus was zelf het altaar voor Zijn eigen offer ter verzoening, en dat is Hij ook voor al onze dankoffers. Bij het offeren er van moeten wij het oog hebben op Hem, zoals God het oog op Hem heeft bij het aannemen er van.
2. Een wasvat, om water te houden voor de priesters om er zich ermee te wassen, als zij ingingen om te dienen, vers 8. Dit betekende de voorziening, die in het evangelie van Christus gemaakt is voor de reiniging van onze zielen van de dodelijke besmetting van de zonde door de verdienste en genade van Christus, opdat wij geschikt zouden zijn om de heilige God in heilige plichten te dienen. Hier wordt het gezegd gemaakt te zijn van de spiegels van de vrouwen, die aan de deur van de tent van samenkomst te hoop kwamen.
A. De vrouwen schenen voorbeeldig te zijn geweest in uitnemende godsvrucht, de openbare eredienst ernstiger en meer dikwijls te hebben bijgewoond dan anderen, en daarvan wordt hier voor haar eer nota genomen. Lang daarna is Anna zo'n vrouw geweest, "die niet week uit de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag," Lukas 2:37. In iedere eeuw van de kerk schijnen er sommigen geweest te zijn, die zich door haar ernstige ijverige godsvrucht hebben onderscheiden, en zich daardoor geëerd hebben, want godsdienstige vrouwen zijn in waarheid eerlijke vrouwen, Handelingen 13:50, en dat niet te minder terwijl zij door de spotters van latere tijden domme of dwaze vrouwen genoemd worden. Deze vrouwen waren het waarschijnlijk, die bij deze gelegenheid haar ijver getoond hebben door hulp te bieden bij het werk, dat nu voor de tabernakel gedaan werd. Zij kwamen in hopen bij elkaar, een heerlijk gezicht! om zovelen te zien, zo ijverig en zo eensgezind in het goede werk.
B. Die vrouwen deden afstand van haar spiegels, (welke van het fijnste koper vervaardigd en voor dat doel gepolijst waren) ten dienste van de tabernakel. Die vrouwen welke haar eigen schoonheid bewonderen, als verliefd zijn op haar eigen schaduw, het aantrekken van kleren tot haar voornaamste werk maken, zich daarnaar schatten en in de schatting van anderen aanbevelen, zullen haar spiegels wel zeer node kunnen missen, maar deze vrouwen offerden ze aan God.
Hetzij:
a. Ten teken van haar berouw om haar vroeger misbruiken er van ter voeding van haar hoogmoed en ijdelheid. Nu zij overtuigd waren van haar dwaasheid, en zich aan de dienst van God hadden gewijd bij de deur van de tent van samenkomst, ontdeden zij zich van hetgeen op zichzelf wel geoorloofd en nuttig was, maar voor haar een aanleiding tot zonde was geworden. Zo heeft Maria Magdalena, die een zondares was geweest, toen zij bekeerd en boetvaardig was, Christus' voeten afgedroogd met haar haren.
Of: b. Ten teken van haar grote ijver voor het werk van de tabernakel, veeleer dan dat de werklieden geen koper genoeg zouden hebben, of niet van de beste soort wilden zij afstand doen van haar spiegels, al konden zij ze ook nauwelijks missen. Gods heerlijkheid en dienst moeten door ons altijd boven onze eigen voldoening of gerieflijkheid gesteld worden. Laat ons nooit klagen over het gebrek aan hetgeen wij voor de eer van God kunnen afstaan.
c. Deze spiegels werden gebruikt voor het maken van het wasvat. Zij werden of op kunstige wijze samengevoegd, of gesmolten en dan opnieuw gegoten, maar waarschijnlijk was het wasvat zo schitterend gepolijst, dat de zijden er van nog tot spiegels dienden, opdat de priesters als zij zich kwamen wassen, hun gelaat konden zien en aldus konden ontdekken of er nog vlekken op waren ten einde ze dan af te wassen. Voor de wassing van berouw en bekering is de spiegel van zelfonderzoek nodig. Het woord van God is een spiegel, waarin wij ons gelaat kunnen zien, zie Jakobus 1:23, en daarmee moeten wij ons hart en leven vergelijken, opdat wij, onze vlekken en gebreken ontdekkende ze mogen afwassen met een bijzondere droefheid, en door de toepassing van Christus' bloed op onze ziel. Hoe nauwkeuriger en vollediger wij zijn in de belijdenis van zonde, hoe meer vertroosting wij gewoonlijk zullen smaken in de bewustheid van de vergeving.