Exodus 36:14-34
1. De schuilplaats en bijzondere bescherming waaronder de kerk zich bevindt, worden hier aangeduid door de gordijnen van geitenhaar, die over de tabernakel gespreid waren en de bedekking daar overheen van ramsvellen en dassenvellen, vers 14-19 God heeft voor Zijn volk "een hut voorzien tot een schaduw overdag tegen de hitte, en tot een toevlucht en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen," Jesaja 4:6, zij zijn gewapend tegen alle weer, de zon en de maan zal hen niet steken, en zij zijn beschut tegen de stormen van den goddelijke toorn, "de hagel, die de toevlucht van de leugen zal wegvagen," Jesaja 28:17. Zij, die in Gods huis wonen, zullen bevinden dat, al is de storm ook nog zo geweldig en het druipen nog zo gestadig, het er toch niet inregent.
2. De kracht en de bestendigheid van de kerk, hoewel zij slechts een tabernakel is, worden aangeduid door de stijlen en richels, die de gordijnen ondersteunden, vers 20-34 De stijlen waren samengevoegd en aan elkaar verbonden door de richels, die er doorheen schoten, want de eenheid van de kerk en de hartelijke samenstemming van hen, die er de steun van zijn, dragen zeer veel bij tot haar kracht en vastigheid.