Exodus 22:7-15
Deze wetten hebben betrekking:
1. Op aanvertrouwd goed, vers 7-13 Indien iemand iets toevertrouwt, bijvoorbeeld aan een bode of besteller, om ergens heengebracht te worden, of aan de houder van een pakhuis, om bewaard te worden, of vee aan een boer om op zijn land te grazen tegen een behoorlijke vergoeding, en indien men in de persoon aan wie het goed overgegeven wordt voor een dergelijk doeleinde, zeer bijzonder vertrouwen stelt, en zulk goed wordt gestolen of verloren beschadigd of bedorven, en het blijkt dat het niet de schuld was van de bewaarder, dan moet de eigenaar het verlies dragen, maar indien de bewaarder bevonden wordt ontrouw te zijn geweest, dan moet deze genoodzaakt worden vergoeding te doen. De bewaarder moet voor de rechters onder ede verklaren onschuldig te zijn, indien het een geval is, waarbij geen ander bewijs van onschuld overgelegd kan worden, en dan moeten de rechters naar bevind van zaken handelen en uitspraak doen. Dit leert ons:
a. Dat wij zeer zorgzaam moeten zijn voor alles wat ons toevertrouwd werd, even zorgzaam als voor ons eigen goed. Het is onrechtvaardig en laaghartig, en waarover iedereen schande roept, misbruik te maken van vertrouwen.
b. Dat er zo'n algemeen gebrek is aan waarheid en gerechtigheid op de aarde, dat er maar al te veel reden of aanleiding is om de eerlijkheid van de mensen te verdenken, als het in hun belang is om oneerlijk te zijn.
c. Dat "de eed tot bevestiging een einde is van alle tegenspreken," Hebreeën 6:16. Het wordt des Heeren eed genoemd, vers 11, omdat men zich op Hem beroept, niet slechts als getuige van de waarheid, maar als wreker van onrecht en bedrog. Van hen, die door een onrechtvaardige daad hun naasten schade toebrachten, kan men toch hopen, dat hun geweten toch nog niet zó verdorven is, dat zij de eed des Heeren zullen ontheiligen, want de God van de waarheid tot getuige te roepen van een leugen is een zonde, waarvoor het natuurlijk geweten evenzeer terugschrikt als voor iedere andere zonde. Reeds in aloude tijden werd de eed heilig gehouden, en dit is een duidelijk bewijs van het algemene geloof in een God, een voorzienigheid en een toekomend oordeel.
d. Dat de magistratuur een instelling Gods is, bestemd onder andere om de mensen te helpen in het ontdekken van het betwiste recht en het verkrijgen van geweigerd recht, en voor de beslissing van de rechters behoort men grote eerbied te hebben.
e. Dat er geen reden is waarom iemand zou moeten lijden voor hetgeen zijn schuld niet is, meesters behoren dit te bedenken in hun handelwijze met hun dienstknechten, en niet straffen als schuld wat slechts een ongeluk was, en dat zij, in de plaats hunner dienstknechten zijnde, ook niet hadden kunnen voorkomen.
2. Betreffende leringen, vers 14, 15. Gesteld, iemand leent zijn nabuur een span ossen, als hij tegenwoordig is bij het gebruik er van, of voor het lenen beloning ontvangt, dan moet hij het verlies dragen zo die ossen enigerlei letsel bekomen. Maar indien de eigenaar uit vriendelijkheid en zonder er loon voor te ontvangen, zijn vee ter leen heeft gegeven, en daarbij zo'n vertrouwen in de lener gesteld heeft, dat hij het hem buiten zijn tegenwoordigheid liet gebruiken, dan moet, zo de dieren letsel ondervinden, de lener de schade vergoeden. Laat ons hieruit leren zeer zorgzaam te zijn voor goed dat ons geleend is, en er geen misbruik van maken, want dit zou niet slechts onrecht, maar laag en ondankbaar zijn, daar het goed met kwaad vergeldt. Veel liever moeten wij het verlies willen dragen, dan dat iemand schade lijdt door zijn vriendelijkheid jegens ons. "Ach mijn heer! want het was geleend," 2 Koningen 6:5.