7. Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen, als de voltooiing van al Zijn raadsbesluiten plaats heeft, de uitnemende rijkdom van Zijn genade door de goedertierenheid over ons, door de grote daden van Zijn liefde, die Hij dan aan ons zal hebben bewezen in Christus Jezus (
Colossenzen 3:3 v.
1 Johannes 3:2God heeft ook met Christus, dat is ten gevolge van de wonderbare vereniging, die tussen de verloste en de Verlosser bestaat, de bekeerden opgewekt en in de hemel of in het hemelse geplaatst (vgl. Romeinen 6:6, Filippenzen 3:20). Wat eerst ten tijde van de volmaking in volle heerlijkheid de Christen ten deel zal worden, dat bezit hij, hoewel nog onontwikkeld en onvolkomen, reeds met de daad. Hij leeft, in gemeenschap met de opgestane en verheerlijkte Verlosser, diens leven reeds op aarde. Hoewel deel hebbend aan het lijden van deze tijd (Romeinen 8:17 v.), heeft hij toch reeds hier een voorsmaak van de toekomstige heerlijkheid; reeds hier is hij een burger van het koninkrijk van de hemelen. En wat nu reeds in het bezit van de Christen is, dat zal zich ook in de toekomstige tijd ten volle openbaren.
Het is wel waar, dat de gehele tijd van de genade van het Nieuwe Testament een tijd is van de betoning van de goedheid, liefde en vriendelijkheid van God in Christus Jezus en niet ten onrechte heeft een godzalig leraar van de kerkgeschiedenis de loop daarvan door de eeuwen heen als een vervulling van het apostolisch tekstwoord voorgesteld. Toch zal eerst door de toekomstige goedheid van God over ons de tegenwoordige rijkdom van genade duidelijk aan het licht komen.
Opmerkelijk is de herhaling van de naam van Christus in de slotwoorden "in Christus Jezus". De apostel wil, dat men geen genade noch liefde van God verwacht dan alleen door de bemiddeling van Christus. 8. Met het volste recht heb ik zo-even gesproken van de onnaspeurlijke rijkdom van de genade van God door Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus, want uit genade bent u, beide u, die te voren Joden en u die van te voren heidenen was, zalig geworden, zoals ik u dat reeds in Vers 5 herinnerde. En u bent dat in onderscheiding van de kinderen van de ongehoorzaamheid, die de zaligheid verworpen hebben (Vers 2), geworden door het geloof, waarmee u de zaligheid, u aangeboden, heeft aangenomen; en dat u gelovig en dus zalig geworden bent, is niet uit u, a) het is integendeel Gods gave (Johannes 6:29. Filippenzen 1:29. 1 Corinthiërs 4:7
a) Mattheus 16:17. Efeze 1:19.
1) Het woord "geloof" is in de Griekse taal van het vrouwelijk geslacht, terwijl het woordje dat in het onzijdige staat. Het "dat is Gods gave" kan dus niet alleen op "geloof" zien; het slaat terug op de hele voorzin "zalig geworden uit het geloof", niet op "zalig geworden" alleen, zoals sommigen willen, die het geloven voor een daad van de mens alleen houden. Een dergelijke verklaring zou onzin zijn; is het zalig worden een gave en is het zalig worden door het geloof, dan moet ook het geloof een gave zijn.
Paulus heeft de vrijmachtige uitverkiezende liefde van de Vader gepredikt als de fontein, waaruit de zaligheid van de kerk met alles wat daartoe nodig was, gevloeid is. En waarom? Om hieruit het belangrijke besluit te trekken, dat de Efeziërs alleen uit genade waren zalig geworden door het geloof. Dat de zaligheid Gods werk was en dat zij die ontvangen en aangenomen hadden door het geloof. Dat het werk, de naam, de roem van de mens, hierbij niet in aanmerking kwamen, maar uitgesloten waren en tot in eeuwigheid uitgesloten bleven. Dat hun daarom niets anders betaamde dan de Vader te verheerlijken, wiens liefde hen zalig maakte; de Zoon, wiens genade dit voor hen verwierf; de Geest, wiens gemeenschap hen dit meedeelde. "Uit genade bent u zalig geworden", zo herhaalt Paulus de woorden, al Vers 5 gesproken. Het was genade, die hen met alle zegeningen in de hemel in Christus Jezus gezegend had; want van vóór de grondlegging van de wereld had de Vader hen in Christus uitverkoren, om hen naar Zijn vrijmachtig welbehagen tot kinderen aan te nemen. Het was genade, waardoor Hij tot dat einde de Zoon van Zijn eeuwige liefde stelde tot een Hoofd en Erfgenaam over alle dingen, opdat deze als Middelaar en Borg de verzoening van de wereld en de zaligheid van de uitverkorenen op Zich zou nemen. Want de zonde kwam tussenbeide, maakte scheiding tussen God en de gevallen mens, tussen hemel en aarde. En die scheiding was een onbetaalde schuld hier beneden en een volmaakte rechtvaardigheid daarboven; de mens hier op aarde, in vijandschap levend tegen de eer en de dienst van de Heere en liggend onder een geschonden wet in zijn geweten en de Heilige Engelen daarboven, hun vermaak vindend in de wil van God. Maar Christus is in de volheid van de tijden gekomen, om die dubbele scheiding weg te nemen en weer alles tot een te vergaderen, beide dat in hemel en op aarde was. Ofschoon Hij de eeuwig gezegende Zoon was, het Woord, waardoor alles gemaakt is en waardoor de Vader alle dingen draagt, zo heeft Hij nochtans gehoorzaamheid geleerd, de gestaltenis van een dienstknechts aangenomen hebbend. Hij heeft Zich het oor laten doorboren, het lichaam toebereiden door de Vader en zo is Hij, die heerlijkheid bij de Vader had, eer de wereld was, als het Lam van God, dat de zonde van de wereld draagt, zonde voor ons gemaakt, opdat wij rechtvaardigheid van God in Hem zouden zijn. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. En dit alles uit genade. Geen zondaar had het Hem gevraagd, geen engel had dit durven bidden, geen voorgezien geloof noch goede werken bewogen de Vader of de Zoon; want "vijanden zijnde, zijn wij met God verzoend door de dood van Zijn Zoon. " Maar nog meer. Het was genade, waardoor de Efeziërs dit "woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van hun zaligheid, gehoord hadden. " Zij waren daarvoor niet naar Jeruzalem gereisd, waar de Christus hun zonden in Zijn lichaam gedragen had aan het hout, maar God had het tot hen laten brengen. En hoe vond dat Evangelie hen? "Wandelend naar de eeuw van deze wereld, onderworpen aan de overste van de wereld, namelijk de duivel, doende de wil van het vlees en van de gedachten. " En in zo'n toestand kwam de Heere hen bidden, vermanen, roepen om zich met Hem te laten verzoenen, door het geloof in dat volbrachte werk van de zaligheid. Bepaaldelijk drukt de apostel hierbij uit het geloof. Terwijl hij in het vijfde vers alleen gezegd had: uit genade bent u zalig geworden, om aan te tonen dat God hun zaligheid uitgewerkt had, onafhankelijk van hun geloof, zo toont hij hier, dat het geloof het enige middel is tot zaligheid; uit genade bent u zalig geworden door het geloof. De zaligheid, zoals die ligt in de kennis van God en in de kennis van de weg van de verzoening met God, was dus in het Evangelie en zijn beloften tot de Efeziërs gekomen. Maar daarbij had de Heere het niet laten blijven. Hij maakte hen deelgenoten van die zaligheid door het geloof. Door de misdaad van één, namelijk Adam, waren velen gestorven. Ook de Efeziërs waren met de gehele wereld voor God verdoemelijk geworden, zij waren dood in zonden en misdaden, dat is: onder de heerschappij van de zonde lagen zij gevangen, onbekwaam om iets goeds te denken of te werken uit zichzelf en niemand van hen kon tot Jezus komen, terwijl Hij in het Evangelie tot hen kwam, als de Vader, die Hem gezonden had, hen niet trok. Maar Hij trok hen, omdat Hij hen lief gehad had met een eeuwige liefde. Hij maakte hen levend, omdat zij geestelijk dood waren. Hij verbrak door de kracht van het Evangelie de vijandschap van hun harten, opende die door de almachtige werking van de Heilige Geest, verenigde hun verstand en hun wil met de verkondiging van de gekruiste Christus en verzegelde het getuigenis daarvan als een levendige en krachtige waarheid binnen in hen. Door de mededeling en instorting van dit nieuwe leven (in de Schrift geloof genoemd) hadden de Efeziërs de vatbaarheid ontvangen om door de bestraling en verlichting van de Geest in de belofte van het Evangelie, niet alleen hun eigen verloren en van God vervreemde toestand te kennen, maar ook zichzelf in Christus rechtvaardig en heilig voor God te zien, door Zijn zoen- en middelaarsverdiensten, aan het kruis verworven. Daardoor was de last van hun zonden weggenomen, daardoor hadden zij vrede met God ontvangen, daardoor konden zij met David zeggen (Psalm 32:1): "Welzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. " Hieruit blijkt, dat, hoewel er voor hen geen zaligheid was, zonder dat geloof, nochtans aan dit geloof geen verdienste hoegenaamd kon worden toegeschreven; omdat het alleen genade was en dat geloof geenszins de verwervende of aangrijpende oorzaak, maar wel het middel geweest was, waardoor zij de zaligheid in Christus ontvangen hadden en nog dagelijks vasthielden. Om hun dit evenwel nog duidelijker te zeggen, voegt hij erbij: "En dat niet uit u, het is Gods gave. " Wij moeten eerst letten op het woordje dat, dat betrekking heeft op het voorgaande. Het ziet, of op het geloof, of op het zalig worden door het geloof. Velen hebben op goede gronden beweerd, dat het alleen op geloof terug slaat; anderen, waaronder Calvijn, nemen het gehele voorgaande deel van dit vers, in deze uitdrukking. En echt, in plaats van de kracht van de uitdrukking te verminderen, wordt die daardoor versterkt; omdat altijd het geloof hier is ingesloten, waarvan Paulus zegt: "Het is niet uit u, het is Gods gave. " De zaligheid, die in de zending van de Christus voor hen bereid was en de mededeling van die zaligheid aan hen door het geloof, dat alles was genade, niet uit hen, maar een gave van God. Het is hier, bijvoorbeeld, evenals hoorden wij de Heere Jezus zeggen tot Bartimeüs na zijn genezing: "U is het gegeven de schepping te aanschouwen en u daarin te verkwikken, door de opening van uw ogen; en dat is niet uw werk, maar Gods gave. " Hoe zou iemand dit horend, ooit kunnen menen dat wel het zien van de schepping, maar niet het openen van zijn oog en een gave was? En de Efeziërs hadden dit immers met alle kinderen van Adam gemeen, dat zij geestelijk blind waren en opening van de ogen nodig hadden, om de heerlijkheid van het Evangelie te aanschouwen. "En dat niet uit u", zegt Paulus. Dat alles, wat tot leven en zaligheid van verloren zondaren nodig was, uit de wil van de Vader door de mens geworden Zoon volbracht is, wordt gemeenlijk toegestemd. De lofzang van Maria en Zacharia (Lukas 1) geven er in overeenstemming met het gehele Woord van God, overvloedig getuigenis van; maar dat in het zaligmakende werk van de Christus ook het verwerven van de genade van het geloof opgesloten lag, is een van die hoofdstukken uit het Goddelijk getuigenis, die, als vernederend voor de hoogmoedige mens, altijd door hem bestreden, of wel geheimzinnig ontweken zijn. Met het gezag van een apostel van Jezus Christus, die door de Heilige Geest in alle waarheid geleid werd, zegt daarom Paulus van "het geloof" als "middel", wat hij van Christus als "de oorzaak" van de zaligheid zegt, het is niet uit u. Calvijn merkt terecht bij dit woord aan: "Niet uit u, opdat zij aan zichzelf niets zouden toeschrijven en God alleen aanmerken als de uitwerker van hun zaligheid. Het is Gods gave, zegt Paulus, om dat hun gehele zaligheid genade was, het is niet uit de werken, voegt hij er straks bij, om te bewijzen dat het niet uit hen was. " De spreekwijze "uit u", betekent de eigenlijke oorzaak, of het beginsel, waaruit iets ontstaat. "De Vader, waaruit alle dingen zijn; " de Zoon, uit wiens volheid wij hebben ontvangen ook genade voor genade. " Bij alle redelijke schepselen moeten wij onderscheiden een natuurlijk beginsel en een geestelijk beginsel. Het eerste bezitten wij, vandaar dat alles wat hieruit voorvloeit, denken, spreken, handelen, echt uit ons is. Het laatste missen wij van nature, vandaar dat alles, wat hieruit voortvloeit, geestelijke kennis, geloof, hoop, liefde, niet uit ons zijn; omdat wij het geestelijke kunnen doen of beginsel missen en het gedichtsel van ons hart ten allen dage boos is van onze jeugd af aan. Het geloof, als het enige van God verordineerde middel tot zaligheid, heeft dus niets met ons natuurlijk bestaan gemeen. Zal iemand de hand, die hem afgekapt werd, weer levend aan haar plaats stellen? Door de zonde verloren wij het geloof en tevens het beginsel om uit onszelf ooit weer tot het geloof te raken; want het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God, het onderwerpt zich van de wet van God niet, want het kan ook niet. Als dit niet uit ons is, en nochtans het geloof, als een geestelijk beginsel, dat werkzaam is met geestelijke voorwerpen, in ons gevonden wordt, dan is het ons meegedeeld, gegeven. Zo voegt Paulus er dan ook bij: "Het is Gods gave. " De Efeziërs hadden het door natuurlijke oefening, door onderwijs, door opvoeding, door rampen, kastijdingen of zegeningen niet trapsgewijze bekomen. Zij waren er in de loop van allerlei omstandigheden niet langzamerhand toe genaderd. Eerst hadden zij het niet, nu hadden zij het wel, zo was het dan een meegedeelde gave; en wel een gave van God. Als een licht in hun verstand, om God te kennen in het aangezicht van Jezus Christus en als een geheiligde kracht in hun wil, om rechtvaardigheid en heiligmaking alleen in die Christus te begeren en te ontvangen, had God hen dat geloof gegeven door de almachtige werking van Zijn Geest. Het was hen uit genade gegeven in de zaak van Christus te geloven. En omdat de genadegiften van God onberouwelijk zijn, zo werden zij door datzelfde geloof in de kracht van de Heere bewaard tot de zaligheid, die zij hier als in een duistere spiegel zagen; maar die bereid was om geopenbaard te worden in de heerlijke terugkomst van Christus. De uiteenzetting van deze woorden zal ik besluiten met de verklaring van de godvruchtige kerkvader Augustinus, opdat hieruit blijkt, dat de kerk van Christus altijd eenstemmig door Zijn woord en Geest in de waarheid is geleid. "Maar hoe is het nu met dat gedeelte van het menselijk geslacht, waar God de verlossing en het eeuwige leven beloofd heeft? Kunnen deze door de verdiensten van hun werk hersteld worden uit hun val? Verre van daar. Of welk goed zal een zondaar doen, zolang hij van zijn zonden niet verlost is? Wellicht door zijn vrije wil? Maar ook dit is onmogelijk; want door het misbruik van zijn vrije wil heeft de mens en zichzelf en zijn wil bedorven. Evenals iemand, die zichzelf ombrengt, dit wel levend gedaan heeft, maar na zich omgebracht te hebben, dood is en zich ook niet meer in het leven terug brengen kan, evenzo heeft de mens, met een vrije wil zondigend, die vrijen wil verloren, omdat de zonde overwinnaar geworden is. " "Door wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. En als dit zo is, die andere vrijheid kan een slaaf van de zonde dan verkrijgen, als alleen de zonde met gewilligheid en vermaak te dienen? Want elk, die de wil van Zijn meester gewillig doet, is vrij in zijn dienstbaarheid. Daarom dan is een slaaf van de zonde vrij, maar alleen om te zondigen; om welke reden hij ook nooit vrij is om goed te doen, tenzij hij vrijgemaakt en een dienstknecht van de gerechtigheid is begonnen te wezen. Maar vanwaar zal die vrijheid om goed te doen komen tot een zondaar, die onder de wet van de zonde gebonden en verkocht is, als Hij hem niet loskoopt en vrijmaakt, die eenmaal zei: "Als u dan de Zoon zal vrijgemaakt hebben, dan zult u echt vrij zijn? " En voordat Hij dit in de mens aanvangt, hoe zal iemand zich beroemen op zijn vrije wil tot goed doen, terwijl hij niet vrij is om goed te doen. Voorwaar dit kan alleen voortkomen uit opgeblazenheid en ijdele hoogmoed, die de apostel onderdrukt, zeggende: "uit genade bent u zalig geworden door het geloof. " "En opdat de mensen zichzelf op deze manier het geloof niet zouden toe-eigenen, omdat dit hen van Godswege geschonken was, zo voegt de apostel erbij: "En dit niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roemt. En opdat zij weer hieruit geen gevolgtrekking zouden maken, alsof de werken van de gehoorzaamheid dan geheel overbodig gemaakt werden, zo laat hij volgen: "want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij in deze zouden wandelen. " Dan pas worden wij dus echt vrij, wanneer wij Gods maaksel zijn, dat is: "wanneer God ons vormt en schept" (niet opdat wij mensen zouden zijn, want dit heeft Hij reeds gedaan; maar) opdat wij goede mensen zouden zijn. "Die in Christus is, die is een nieuw schepsel. " Daarom wordt er gezegd: "Schep in mij een rein hart, o Heere! " En hier begeert de profeet geenszins zo'n hart, als tot de menselijke natuur behoort, omdat God dit al geschapen had; maar hij begeert de vernieuwing, de herschepping van zijn ziel, die door de zonde geheel en al verontreinigd was. " Daarbij opdat iemand, al is het ook dat hij zich op zijn werken, of op zijn goeden wil niet beroept, als iets verdienstelijks, ook niet menen zou dat deze goede wil hem geschonken wordt, als een gevolg of beloning van de moeite, die hij daartoe in het werk gesteld heeft, zo moet hij naar diezelfde verkondiger van de genade (Paulus) luisteren, als deze zegt: "Het is God, die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen"; en op een andere plaats: "Zo is het dan niet degenen die wil, noch degenen die loopt, maar de ontfermende God. " Terwijl het buiten twijfel is, dat iemand tot onderscheid van jaren gekomen zijnde, noch geloven, noch hopen, noch liefhebben kan, als hij dit niet wil; en dat niemand komen kan tot de prijs van de roeping van God, die van boven is, als hij niet gewillig hiertoe gelopen heeft; hoe kan er dan geschreven zijn dat het niet is van degene, die loopt, als het niet daarom is, dat ook de wil hiertoe van God bereid wordt? Zo wordt dan alles aan God toegekend: Zijn ontferming, die voorgaat; Zijn genade, die ondersteunt en achtervolgt, zoals beide ook in de Heilige Schrift wordt uitgedrukt: "de God van mijn goedertierenheden zal mij voorkomen; " en: "Ik zal geen kwaad vrezen, want U bent met mij; immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen van mijn leven. "