Efeze 2:4-10
Hier begint de apostel met de voorstelling van de heerlijke verandering, die door de bekerende genade in hen gewrocht was, waaromtrent wij opmerken:
I. Door wie en op welke wijze die was teweeggebracht.
1. Ontkennend: Niet uit u, vers 8. Ons geloof, onze bekering en onze eeuwige zaligheid zijn niet het product van onze natuurlijke bekwaamheden, of van enige verdienste van ons zelven. Niet uit de werken, opdat niemand roeme, vers 9. Deze dingen zijn niet tot stand gebracht door enige daad van ons, en daarom is alle roem uitgesloten, hij die roemt moet niet roemen in zich zelven, maar in den Heere. Er is geen reden voor iemand om te roemen in zijn eigen bekwaamheid of macht, of als had hij iets gedaan om zulke grote voorrechten bij God te verdienen.
2. Bevestigend: Maar God, die rijk is in barmhartigheid enz., vers 4. God zelf is de bewerker van deze grote en gelukkige verandering, en Zijn grote liefde is de fontein en de oorzaak ervan, want Hij besloot genade te bewijzen. Liefde is Zijn neiging om ons goed te doen eenvoudig omdat wij Zijne schepselen zijn, barmhartigheid ziet ons aan als afvallige en ellendige schepselen. Gods eeuwige liefde en welwillendheid voor Zijne schepselen is de fontein, waaruit al Zijn beloofde barmhartigheid ons toevloeit, en die liefde van God is onuitsprekelijk groot en onuitputtelijk rijk. En dus: uit genade zijt gij zalig geworden, vers 5, en uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, het is Gods gave, vers 8. Iedere bekeerde zondaar is een geredde zondaar. Zij zijn verlost van zonde en toorn, zij zijn overgeplaatst in een toestand van behoudenis, en hun is een recht gegeven door genade op eeuwige gelukzaligheid. De genade, die hen redt, is de vrije, onverdiende goedheid en gunst van God, en Hij redt hen niet door de werken der wet, maar door het geloof in Jezus Christus, door hetwelk zij deelgenoten worden aan de grote zegeningen van het Evangelie. En beide het geloof en de zaligheid, waarop het zo groten invloed heeft, zijn gaven Gods. De grote voorwerpen des geloofs zijn bekend gemaakt door goddelijke openbaring, geloofbaar gemaakt door het getuigenis en de bewijzen, die God er voor gegeven heeft, en dat wij ter zaligheid geloven en de zaligheid verkrijgen door het geloof, danken wij uitsluitend aan den goddelijken bijstand en genade, God heeft alles zo geregeld, dat alles zal blijken enkel genade te zijn.
II. Waarin deze verandering bestaat, in verscheidene bijzonderheden, in overeenstemming met de ellendigheid van onzen natuurlijken toestand, sommige waarvan opgenoemd zijn in dit gedeelte en andere later.
1. Wij, die dood waren, zijn levend gemaakt, vers 5, wij zijn gered van den dood der zonde en een beginsel van geestelijk leven werd ons ingeplant. Genade in de ziel is nieuw leven in de ziel. Gelijk de dood al de zintuigen sluit en alle macht en alle vermogens verzegelt, zo vernietigt de zonde alles goeds. Een wedergeboren zondaar wordt een levende mens, hij leeft een leven van heiligmaking, zijnde uit God geboren, en hij leeft in den zin van de wet, zijnde van de schuld verlost door vergevende en rechtvaardigende genade. Hij heeft ons met Christus levend gemaakt. Ons geestelijk leven komt voort uit onze vereniging met Christus, het is in Hem dat wij leven: Ik leef en gij zult leven. 2. Wij zijn begraven en opgewekt, vers 6. Wat nog te doen overblijft wordt hier besproken alsof het reeds geschied ware, ofschoon wij inderdaad opgewekt zijn uit kracht van onze vereniging met Hem, dien God uit de doden opgewekt heeft. Toen Hij Christus uit de doden opwekte, wekte Hij inderdaad alle gelovigen met Hem op, want Hij is hun gemeenschappelijk hoofd, en toen Hij Hem in den hemel aan Zijne rechterhand plaatste, verhoogde en verheerlijkte Hij hen in en met Hem, hun verrezen en verhoogde hoofd en voorloper.
En heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus. Dit kan ook in anderen zin verstaan worden. Zondaren wentelen zich in het vuil, geheiligde zielen wonen in den hemel, zijn boven de wereld verheven, de wereld is niets voor hen, vergeleken met wat zij geweest is en vergeleken met wat de andere wereld is. Heiligen zijn niet alleen Christus' vrijgelatenen, maar zij zijn ook Zijn troongenoten, door den bijstand van Zijne genade zijn zij opgestegen met Hem boven deze wereld om te verkeren met een hogere, en zij leven in gestatige verwachting daarvan. Zij zijn niet alleen dienaren van den besten meester in het beste werk, maar zij worden geroepen om met Hem te regeren, zij zitten met Christus in Zijn troon, gelijk Hij met Zijnen Vader is gezeten in diens troon.
III. Merk op wat het grote doel en voornemen Gods is in de bewerkstelliging van deze verandering. En wel:
1. Ten opzichte van anderen: Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen, enz., vers 7, dat Hij zou geven een voorbeeld en bewijs van Zijn grote goedheid en barmhartigheid, tot aanmoediging van zondaren in volgende tijden. Merk op: De goedheid van God in het bekeren en zalig maken van zondaren in vroeger tijd is een geschikte aanmoediging voor anderen in later dagen om te hopen op Zijne genade en barmhartigheid en daarom te smeken. Daar dit Gods doel was, mogen arme zondaren daarin grote bemoediging vinden. En wat mogen wij niet hopen van zulke genade en vriendelijkheid, van zulke uitnemende rijkdommen en genade, als die welke deze verandering tot stand brachten! Door Christus Jezus, bij en door wie God al Zijn zegeningen aan ons schenkt.
2. Ten opzichte van de wedergeboren zondaars zelf. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, enz., vers 10. Het blijkt dat alles genade is, want al onze geestelijke voordelen zijn van God.
Wij zijn Zijn maaksel, daarmee wordt de nieuwe schepping bedoeld, niet alleen als mensen, maar ook als heiligen. De nieuwe mens is een nieuw schepsel, en God is zijn Schepper. Het is een nieuwe geboorte en wij zijn gebaard door Zijnen wil. In Christus Jezus, dat is, ter wille van hetgeen Hij gedaan en geleden heeft, en door den invloed en de werking van Zijn gezegenden Geest. Tot goede werken, enz. De apostel heeft tevoren deze verandering toegeschreven aan goddelijke genade, met uitsluiting van de werken, maar om den schijn te vermijden van te ontmoedigen van het doen van goede werken, merkt hij hier aan dat, ofschoon de verandering aan niets van dien aard te danken is (want wij zijn het maaksel van God), God toch in die nieuwe schepping ons bestemd en bereid heeft voor goede werken. Geschapen tot goede werken, met het doel dat wij daarin vruchtbaar zouden zijn. Wanneer God door Zijne genade goede beginselen inplant, bedoelt Hij dat ze goede werken voortbrengen zullen.
Welke God voorbereid heeft, dat is bevolen en bepaald. Ook kan men uit deze woorden lezen: Welke God van tevoren bereid heeft voor ons, dat is: door ons te zegenen met de kennis van Zijn wil, met den bijstand van Zijn Heiligen Geest, en met het geven van zulk een verandering in ons. Opdat wij in dezelve zouden wandelen, God verheerlijkende door een voorbeeldigen wandel en door volharding in heiligheid.