Deuteronomium 28:1-14
De zegeningen zijn hier gesteld voor de vervloekingen, om te kennen te geven:
1. Dat God traag is tot toorn, maar snel en vaardig om genade te betonen. Hij heeft gezegd en gezworen dat Hij veel liever wenst dat wij zullen gehoorzamen en leven, dan zondigen en sterven. Het is Hem een verlustiging te zegenen.
2. Dat, hoewel beide de beloften en de bedreigingen bedoeld en bestemd zijn om ons tot onze plicht te brengen en bij onze plicht te houden, het toch beter is, dat wij tot hetgeen goed is gelokt worden door een kinderlijke hoop op Gods gunst, dan er toe verschrikt worden door een slaafse vrees voor toorn. Die gehoorzaamheid is het meest Gode welbehaaglijk, welke voortkomt uit een beginsel van vermaak in Gods goedheid.
I. Nu hebben wij hier de voorwaarde, waarop de zegen beloofd is.
1. Het is op voorwaarde, dat zij aan de stem Cods vlijtig zullen gehoorzamen, vers 1, 2, dat zij God zullen horen spreken door Zijn woord, en er zich ten zeerste op zullen toeleggen, om zich bekend te maken met Zijn wil, vers 13.
2. Op voorwaarde, dat zij waarnemen te doen al zijn geboden, (en om gehoorzaam te zijn, is het nodig waar te nemen,) en de geboden des Heeren houden en in Zijn wegen wandelen. Ze niet slechts eenmaal doen, maar ze altijd houden, niet slechts beginnen in Zijn wegen te wandelen, maar er in blijven wandelen tot het einde.
3. Op voorwaarde van niet af te wijken ter rechter-of ter linkerhand, hetzij naar bijgeloof aan de ene kant, of naar goddeloosheid'aan de anderen kant, en inzonderheid, dat zij geen andere goden nawandelen, vers 14, dat de zonde was, waartoe zij de meeste neiging hadden, en die God het meest mishaagde. Laat hen zorgen de Godsdienst hoog te houden, beide de vorm en de kracht er van, in hun gezin en in hun volk, en dan zal God niet falen hen te zegenen.
II. De bijzonderheden van deze zegen.
1. Er is beloofd dat Gods voorzienigheid hen voorspoedig zal maken in al hun uitwendige zaken en belangen. Van deze zegeningen wordt gezegd, dat zij over hen zullen komen vers 2. In het gevoel van hun onwaardigheid zijn vrome mensen soms bereid van de zegen weg te gaan, denkende dat hij hun niet toekomt, maar de zegen zal hen vinden en volgen, en zo zal in de grote dag de zegen komen over de rechtvaardigen, die zeggen: Heere wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd? Mattheus 25:37. Er is beloofd:
A. Dat zij veilig en gerust zullen zijn. Overal waar zij waren, zal een zegen over hen komen, in de stad, of op het veld, vers 3. Hetzij hun woning in de stad was of op het land, hetzij zij landlieden waren of winkeliers, hetzij hun bedrijf of beroep hen in de stad riep of op het veld, zij zullen bewaard blijven voor de gevaren, en de genietingen smaken van elke omgeving. Deze zegen zal hen vergezellen op hun reizen, bij hun uitgaan en hun inkomen, vers 6. Hun persoon zal worden beschermd, en de zaak waar zij op uitgingen zal wèl gelukken.
Merk hier op, hoe voortdurend wij afhankelijk zijn van God, beide voor het behoud en voor de lieflijkheid van dit leven. Wij hebben Hem nodig bij iedere wending, in al de verschillende omstandigheden van het leven, wij kunnen niet veilig zijn als Hij ons Zijn bescherming onthoudt, noch gerust zijn als Hij ons Zijn gunst niet verleent, maar zo Hij ons zegent, laat ons gaan waar wij willen, het zal wel met ons zijn.
B. Dat zij een talrijke nakomelingschap zullen hebben, Gezegend zal zijn de vrucht van uw buik vers 4, en daarin zal de Heere u doen overvloeien, vers 11, ingevolge van de belofte, gedaan aan Abraham, dat zijn zaad zal wezen als de sterren des hemels in menigte, en dat God hun tot een God zal zijn, groter en meer omvattender zegen kon niet op de vrucht van hun buik overgaan. Zie Jesaja 61:9.
C. Dat zij rijk zullen zijn, overvloed zullen hebben van alle goed in dit leven, hetgeen hun beloofd is, niet bloot omdat zij er het genot van zullen hebben maar (zoals bisschop Patrick naar een van de joodse schrijvers opmerkt) opdat zij hetgeen zullen hebben waarmee zij God kunnen eren, en geholpen zullen worden om Hem blijmoedig te dienen, en in hun gehoorzaamheid aan Hem kunnen voortgaan en volharden. Er wordt een zegen beloofd:
a. Op alles wat zij buiten de deur hadden, koren en vee op het veld, vers 4, 11. Inzonderheid zullen hun koeien en schapen gezegend worden om de wille hunner eigenaars, en tot een zegen voor hen worden. Te dien einde is beloofd, dat God hun regen te van zijn tijd zal geven die in vers 12 Zijn goede schat genoemd wordt omdat met deze rivier Gods het land verrijkt wordt, Psalm 65:10. Onze hulp moeten wij voortdurend uit Gods goede schat zien komen, en onze verplichtingen er voor aan Hem erkennen. Als Hij Zijn regen terughoudt, dan moeten de vruchten, beide van de aarde en van het vee, weldra vergaan.
b. Op alles wat zij binnenshuis hadden, de korf en de baktrog vers 5, de voorraadschuren, vers 8. Als de voorraad in huis gebracht is, zal God hem zegenen, en niet er in blazen, zoals Hij soms doet, Haggai 1:6, 9,. Wij hangen af van God en Zijn zegen, niet slechts voor ons jaarlijks koren uit het veld, maar voor ons dagelijks brood uit onze korf en baktrog, en daarom is ons geleerd er iedere dag om te bidden.
D. Dat zij voorspoed zullen hebben in al hun werk, hetgeen hun een voortdurende voldoening zal zijn, De Heere zal de zegen gebieden (en Hij alleen kan hem gebieden) over u niet alleen in alles wat gij hebt, maar in alles wat gij doet, in alles waaraan gij uw hand slaat, vers 8. Dit gaf te kennen dat zij zelfs als zij rijk zijn, niet lui of ledig moeten wezen, maar de een of andere goede bezigheid ter hand moeten nemen, en God zal hun vlijt erkennen, en al het werk van hun handen zegenen, vers 12, want hetgeen rijk maakt en rijk houdt is de zegen des Heeren op de hand van de vlijtige, Spreuken 10:4, 22.
E. Dat zij geëerd zullen zijn bij hun naburen, vers 1. De Heere, uw God, zal u hoog zetten boven alle volken van de aarde. Hij heeft hen aldus gesteld door hen in het verbond met zich op te nemen, Hoofdstuk 26:19. En Hij zal hen al meer en meer aldus stellen door hun uitwendige voorspoed, indien zij zich niet verkleinen door zonde. Twee dingen zullen er toe bijdragen om hen groot te maken onder de volken.
a. Hun rijkdom, vers 12."gij zult aan vele volken lenen op interest", (die zij van de naburige volken mochten nemen) "maar gij zult het niet nodig hebben te ontlenen". Dit zal hun grote invloed geven op allen, die rondom hen zijn, want die ontleent is des leners knecht. Dit kan bedoeld zijn van handel en koopmanschap, dat hun uitvoer groter zal zijn dan hun invoer, hetgeen de balans naar hun zijde zal doen overslaan. b. Hun macht, vers 13. De Heere zal u tot een hoofd maken, om aan allen de wet te stellen, schatting te eisen en alle geschillen te beslissen. iedere schoof zal zich buigen voor de hunne, hetgeen hen zo gewichtig zal maken, dat alle volken van de aarde voor hen zullen vrezen, vers 10, dat is: eerbied zullen hebben voor hun ware grootheid, en vrees om hen tot hun vijanden te maken. De bloei van de Godsdienst onder hen en de zegen Gods over hen zullen hen geducht maken voor al hun naburen, schrikkelijk als slagorden met banieren.
F. Dat zij zullen zegevieren over hun vijanden, en voorspoedig zullen zijn in al hun oorlogen. Indien er volken zouden zijn, stoutmoedig genoeg om tegen hen op te staan en hen te verdrukken of inbreuk op hen te maken, het zou op hun gevaar wezen, zij zouden gewis geslagen worden voor hun aangezicht, vers 7. De krijgsmacht van de vijand, hoewel in volle sterkte tegen hen uitgetogen door een weg, zal volkomen verslagen worden en voor hen vlieden door zeven wegen, daar ieder zo goed hij kan zal zoeken zichzelf te redden en in veiligheid te stellen.
1.Uit dit alles kunnen wij leren en het ware goed zo de mensen het wilden geloven dat Godsdienst en vroomheid de beste vrienden zijn van uitwendige voorspoed. Hoewel tijdelijke zegeningen niet zoveel plaats innemen in de beloften des Nieuwen Testaments als in die van het Oude Testament, is het toch genoeg, dat de Heere Jezus ons Zijn woord heeft gegeven (en op dat woord kunnen wij immers gewis vertrouwen) dat, zo wij eerst het koninkrijk Gods zoeken en zijn gerechtigheid, alle andere dingen ons toegeworpen zullen worden, in zo ver de Oneindige Wijsheid het goed voor ons acht. En wie kan het verder begeren? Mattheus 6:33.
2. Er is ook beloofd dat de genade Gods hen tot een heilig volk zal bevestigen, vers 9. Hen in het verbond met zich opgenomen hebbende, zal Hij hen in het verbond houden, mits zij de middelen gebruiken om standvastig te zijn, zal Hij hun de genade van de standvastigheid verlenen, opdat zij van Hem niet afwijken. Zij, die oprecht zijn in heiligheid, zullen door God in heiligheid worden bevestigd, en Hij is machtig hen te bevestigen, Romeinen 16:25. Hij, die heilig is, zal nog heilig zijn, en hen, die God bevestigt in heiligheid, bevestigt Hij hierdoor tot een volk voor zich, want zolang wij ons dicht aan God houden, zal Hij ons nooit verlaten. Deze bevestiging van hun Godsdienst zal de bevestiging wezen van hun eervolle naam vers 10. Alle volken van de aarde zullen zien dat de naam des Heeren over u genoemd is, dat is: dat gij een zeer voortreffelijk en glorierijk volk zijt en onder de bijzondere zorg en hoede zijt van de grote God. Het zal hun bekend gemaakt worden, dat een volk, hetwelk naar JHWH's naam genoemd is, ongetwijfeld het gelukkigste volk is op de aarde, hun vijanden zelf rechters zijnde. De gunstgenoten des hemels zijn in waarheid groot, en vroeg of laat zullen zij blijken dit te zijn, zo niet in deze wereld, dan toch te dien dage, wanneer zij, die thans Christus belijden, door Hem beleden zullen worden voor mensen en engelen, als degenen tot wier eer Hij een welbehagen heeft.