Deuteronomium 18:1-8
De magistratuur en de bediening van de Godsdienst zijn twee Goddelijke instellingen van kostelijk, bewonderenswaardig nut voor de steun en de bevordering van het koninkrijk Gods onder de mensen. Wetten betreffende de eerste hadden wij aan het einde van het vorige hoofdstuk, terwijl in dit hoofdstuk bevelen en aanwijzingen gegeven zijn voor de laatste. Er worden hier bakens gesteld tussen de eigendom van de priesters en die des volks.
I. Er wordt zorg voor gedragen, dat de priesters zich niet inwikkelen in de handelingen des leeftochts, noch zich verrijken met de schatten van deze wereld, zij hebben voor betere dingen te zorgen. Zij zullen geen deel noch erve hebben met Israël, dat is: geen deel in de buit van de oorlog, noch in het land, dat door het lot verdeeld moest worden, vers 1. Hun oorlog en akkerbouw zijn beide geestelijk, en genoegzaam om hun de handen te vullen beide met werk en gewin, en hen tevreden te doen zijn. De Heere is zijn erfdeel, vers 2. Zij, die volgens het Nieuwe Testament God tot hun erfdeel hebben, moeten niet begerig zijn naar grote dingen in deze wereld, niet angstvallig vasthouden wat zij hebben, noch haken naar meer, maar op alle tegenwoordige dingen neerzien met de onverschilligheid, welke betaamt aan hen, die geloven dat God algenoegzaam is.
II. Er wordt ook zorg gedragen dat zij geen gebrek hebben aan de gerieflijkheden en noodwendigheden dezes levens. God, die een Geest is, is hun erfdeel maar hieruit volgt nog niet dat zij van de lucht moeten leven. Neen:
1. Het volk moet in hun behoeften voorzien. Zij moeten hun recht hebben van het volk vers 3. Hun onderhoud moet niet afhankelijk zijn van de edelmoedigheid van het volk de wet moet er hun recht op geven. Hij, die in het woord onderwezen wordt, behoort, naar recht mee te delen van alle goederen dengenen, die hem onderwijst, en hij, die het nut en voordeel heeft van plechtige Godsdienstige bijeenkomsten, behoort bij te dragen tot het onderhoud van hen, die in deze bijeenkomsten voorgaan.
a. De priesters, die in de beurt van hun dagorde aan het altaar dienden, hadden hun deel van de offers, namelijk van de dankoffers, die gebracht werden, terwijl zij dienden, behalve nog de borst en schouder, die hun tevoren waren toegewezen, Leviticus 7:32-34, wordt hier bevolen hun ook de beide kinnebakken en de pens te geven, zover was het er vandaan, dat de wet verminderde hetgeen hun reeds wastoegestaan, dat zij hun nog een vermeerdering gaf.
b. De eerstelingen binnen zo'n gebied schijnen de priesters gebracht te zijn, die onder hen woonden, voor hun onderhoud op het land, de eerstelingen van hun koren en wijn tot voedsel, en de eerstelingen van de beschering van hun schapen voor kleding, vers 4, want de priesters, die gebruikt werden om anderen te onderwijzen, moeten zelf leren, voedsel en kleren hebbende, daarmee vergenoegd te zijn. De eerstelingen waren Gode gewijd, en Hij heeft de priesters aangesteld tot Zijn ontvangers, en zo God, in het algemeen, acht dat wat de armen gegeven wordt, Hem geleend is, om met interest terugbetaald te worden, veel meer nog, in het bijzonder, wat aan arme leraren gegeven wordt. Er wordt een goede reden gegeven voor die voortdurende lasten op hun goederen, vers 5, omdat de Levieten door God waren verkoren en Zijn keus moet erkend en gesteund worden, en zij die door Hem worden geëerd, moeten ook door ons geëerd worden, en omdat zij staan om te dienen, en beloond moeten worden voor hun arbeid en dienst, inzonderheid, daar het was in de naam des Heeren, op Zijn volmacht, in Zijn dienst en tot Zijn lof, en die last bij erfrecht overging op hun geslacht, op hun zaad tot in eeuwigheid. Zij, die aldus arbeidden, moesten op alle mogelijke wijzen aangemoedigd worden als sommigen van de nodigste en nuttigste leden hunner maatschappij.
2. De priesters zelf moeten elkaar niet in de weg staan. Indien een priester, die door de wet slechts verplicht was om in de beurt van zijn dagorde aan het altaar te dienen en daarvoor betaald werd, zich uit grote liefde voor het heiligdom tot voortdurende dienst aldaar zou willen wijden, het gemak en genoegen van de stad, waar het zijn lot en deel was te wonen, verlatende om het genot te kunnen hebben van aan het altaar te dienen, dan moesten de priesters, wier beurt het was te dienen, hem toelaten, zowel om te delen in het werk als om te delen in het loon, en hem noch de eer van het ene, noch het voordeel van het andere benijden of misgunnen, al zou dit ook voor hen stoornis en nadeel schijnen te veroorzaken, vers 6-8. Een hartelijke, Godvruchtige ijver om God en Zijn kerk te dienen, moet gesteund, niet ontmoedigd worden, al zou het ook wezen, dat het weinig inbreuk maakt op een vastgestelde orde van zaken, en er wel wat onregelmatigs in schijnt te zijn. Is er iemand, die een hartelijke genegenheid schijnt te hebben voor het heiligdom en zeer gaarne in de dienst er van gebruikt wij worden, laat hem in Gods naam dienen, hij zal Gode even welkom wezen als de Levieten, wier beurt het was te dienen, en hij behoort ook hun welkom te wezen. De vaststelling van de dagorder was veeleer bestemd om hen bij het werk te houden, die niet gaarne zoveel deden, dan hen buiten te sluiten, die gaarne meer deden. En hij, die aldus als vrijwilliger dient, zal even goed loon ontvangen als zij, die geprest werden, behalve nog hetgeen hem komt van de verkoping van zijn vaderlijk erfdeel. De kerk van Rome verplicht hen, die hun goederen verlaten om in een klooster te gaan, de opbrengst er van in het fonds van het klooster te storten, want gewin is hun Godzaligheid, maar hier wordt bevolen, dat zo'n Godgewijde vrome zich de opbrengst van zijn vaderlijk goed zal voorbehouden, want de bediening van de Godsdienst hoe ook misbruikt door de mensen is nooit door God ingesteld om wereldse belangen te dienen.