Deuteronomium 22:5-12
In deze verzen zijn verscheidene wetten betreffende zeer geringe zaken, de wetten van de mensen bemoeien zich daar gewoonlijk niet mede. De minimus non curatlex Van kleine zaken neemt de wet geen nota, omdat echter Gods voorzienigheid zich over de kleinste zaken uitstrekt, doen Zijn geboden dit ook, opdat wij daarin in de vreze des Heeren zullen wezen gelijk wij onder Zijn oog zijn. En toch zijn betekenis en strekking van deze wetten, die klein schijnen, van zo'n aard, dat zij niettegenstaande die kleinheid, gevonden worden onder de dingen van Gods wet, die Hij voor ons geschreven heeft, en dus groot door ons geacht moeten worden.
I. Het verschil in sekse door de kledij wordt in stand gehouden, ter bewaring van onze eigen kuisheid en die van onze naaste vers 5. De natuur zelf leert dat er onderscheid tussen hen gemaakt wordt in hun haar, 1 Corinthiërs 11:14, en naar dezelfde regel in hun klederen, die dus niet met elkaar verward moeten worden, hetzij in hun gewone, dagelijkse dracht of bij sommige gelegenheden. Om een wettige vlucht of verberging te bevorderen, mag dit geschieden, maar of het voor sport of op het toneel ook mag, dat kan met recht betwijfeld worden.
1. Sommigen denken dat dit betrekking heeft op de afgodische gewoonten van de heidenen, bij de aanbidding van Venus verschenen vrouwen in krijgsrusting, en mannen in vrouwenklederen. Dit, evenals andere bijgelovige gewoonten, wordt hier gezegd de Heere een gruwel te zijn.
2. Die wet verbiedt het door-elkaar-mengen van de neigingen en zaken van de seksen, mannen moeten niet verwijfd wezen, noch het werk van de vrouw in huis doen, en vrouwen moeten geen halve mannen zijn, niet willen leren en over de man heersen, 1 Timotheus 2:11, 12.
3. Dit dooreenmengen van kleren werd waarschijnlijk gebruikt om ontucht te plegen, en is daarom verboden, want zij, die bewaard willen worden voor zonde, moeten zich ver houden van alle gelegenheden er toe of hetgeen er toe leiden kan.
II. Bij het uithalen van een vogelnest moet de moeder vrijgelaten worden, vers 6, 7,. De Joden zeggen: "Dat is het minste van al de geboden van de wet van Mozes", en toch wordt aan het nakomen er van dezelfde belofte gegeven als aan het houden van het vijfde gebod, dat een van de grootste is, opdat het u welga en gij de dagen verlengt, want gelijk ongehoorzaamheid in kleine zaken een zeer grote minachting toont van de wet, zo toont gehoorzaamheid in een kleine zaak zeer grote eerbied er voor. Hij, die de vogel uit zijn hand vrijlaat (die meer waard was dan tien in de lucht) zuiver en alleen omdat God het hem gebiedt, doet hierin blijken dat hij al Zijn bevelen, van alles, voor recht houdt, en dat hij veeleer zichzelf kan verloochenen dan tegen God zondigen. Maar zorgt God ook voor de vogels? 1 Corinthiërs 9:9. Ja gewis, en wellicht doelt onze Heiland op deze wet: Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningen? En niet een van die is voor God vergeten. Deze wet:
1. Verbiedt ons wreed te zijn voor dieren of genoegen te smaken in ze te verdelgen. Hoewel God ons wijzer heeft gemaakt dan het gevogelte des hemels, en ons heerschappy er over heeft gegeven, moeten wij ze toch niet mishandelen noch met hardheid over hen heersen. Gij zult de moeder vrijlaten, om weer te kunnen broeden, verderf ze niet, want daar is een zegen in. Jesaja 65:8. 2. Zij leert ons mededogend te zijn voor onze eigen natuurgenoten, en het denkbeeld van alles wat barbaars en wreed is te verafschuwen, inzonderheid tegenover de zwakkere sekse, die altijd met de grootste eerbied behandeld moet worden uit aanmerking van de smarten, waarmee zij kinderen ter wereld brengt. Er wordt van gesproken als van een voorbeeld van de meest onmenselijke wreedheid, dat de moeder verpletterd werd met de zonen, Hosea 10:14, en dat de zmangere vrouwen werden opengesneden, Amos 1:13. En voorts geeft het nog te kennen dat wij iemands natuurlijke liefde en tederheid van gemoed niet moeten misbruiken om hun onrecht te doen. De moeder zou niet gevangen hebben kunnen worden, indien haar zorg voor haar eieren of voor haar jongen (zeer verschillend van de struis) haar niet op het nest had teruggehouden, daar zij zich anders gemakkelijk had kunnen redden door de vlucht. Daar het nu al zeer treurig zou zijn, dat het haar te slechter gaat om hetgeen waarvoor zij geprezen moet worden, zorgt de wet er voor dat zij geprezen wordt. De herinnering hieraan kan ons wellicht eens terughouden van iets hards of onvriendelijkste doen aan iemand, die in onze macht is.
III. Bij het bouwen van een huis moet er voor gezorgd worden dat het veilig is, en niemand letsel bekomt door er af te vallen, vers 8. De daken van hun huizen waren plat, zodat men er op kon wandelen, zoals uit vele Schriftuurplaatsen blijkt. Opdat niemand nu door achteloosheid er af zou vallen, moeten zij er een leuning of borstwering, die (zeggen de Joden) drie en een halve voet hoog moet zijn om heen maken. Indien dit niet gedaan was, en er een ongeluk uit voortkwam, dan heeft de eigenaar door zijn verzuim bloedschuld over zijn huis gebracht. Zie hier:
1. Hoe dierbaar het leven van de mensen aan God is, die het beschermt, niet slechts door Zijn voorzienigheid, maar ook door Zijn wet.
2. Hoe dierbaar het daarom ook aan ons moet wezen, en welke zorg wij moeten dragen om te voorkomen, dat iemand letsel ontvangt. De Joden zeggen dat zij door de billijkheid van deze wet verplicht waren (en dat zijn wij ook) om alles te omheinen of uit de weg te ruimer, dat gevaar kan opleveren voor het leven, zoals door diepe waterputten te bedekken, bruggen in goede staat te onderhouden en dergelijke dingen meer, omdat, zo iemand door ons verzuim omkomt, zijn bloed van ons geëist zal worden.
IV. Er worden hier allerlei vermengingen verboden, vers 9, 10. Veel er van hebben wij reeds tevoren gehad in Leviticus 19:19. Er schijnt in deze dingen generlei zedelijk kwaad te zijn en daarom maken wij er geen gewetensbezwaar van om tarwe en rogge op eenzelfde akker te zaaien, paarden en ossen tezamen voor de ploeg te spannen, en klederen te dragen van half garen. half wollen stof. Maar hiermede wordt verboden, hetzij:
1. Een gelijkvormigheid met sommige gewoonten van de heidenen. Of:
2. Hetgeen in strijd is met de eenvoudigheid en reinheid van een Israëliet. Zij moeten hun ijdelheid of zucht naar hetgeen zeldzaam is niet bevredigen door dingen samen te voegen, die de Schepper in oneindige wijsheid afzonderlijk heeft gemaakt, zij moeten geen ander juk aantrekken met de ongelovigen, noch zich vermengen met de onreinen, zoals een os met een ezel. Ook moet hun belijdenis en wandel in deze wereld geen bonte kleurschakering vertonen, maar "uit één stuk" zijn. V. De wet betreffende de snoeren aan hun klederen ter gedachtenis aan de geboden, die wij tevoren hadden in Numeri 15:38, 39, is hier herhaald, vers 12. Hieraan werden zij onderscheiden van andere lieden, zodat men al op het eerste gezicht kon zeggen: Daar gaat een Israëliet, hetgeen hen leerde om zich hun land-aard en het eigenaardige van hun Godsdienst niet te schamen, hoe ook hun buren er hen met minachting om zouden aanzien. En zij werden er ook door herinnerd aan de geboden bij de bijzondere gelegenheden, waarop zij betrekking hadden. Misschien is de wet hier herhaald, omdat de geboden, die er onmiddellijk aan voorafgaan, zo gering schijnen, dat zij gevaar liepen van voorbijgezien of vergeten te worden. De snoertjes zullen er u aan herinneren, dat uw kleren niet van gemengde stof, wollen en linnen tegelijk, moeten wezen, vers 11.