Numeri 15:37-41
Er was nu door de wet een voorziening gemaakt voor de vergeving van zonden van de afdwaling en zwakheid, nu wordt hier een hulpmiddel gegeven om zulke zonden te voorkomen. Hun wordt bevolen snoertjes te maken aan de hoeken van hun kleren, die hun hun plicht in herinnering moesten brengen, opdat zij niet zouden zondigen door vergeten.
1. Het vastgestelde teken is een snoertje van zijde, linnen, of wol of het kleed zelf werd van onderen uitgerafeld, en een blauwe draad van boven er aan bevestigd om het stevig te houden, vers 38. Daar de Joden een bijzonder volk waren, werden zij aldus van hun naburen onderscheiden in hun gewaad zowel als in hun spijze, en werd hun door deze kleine voorbeelden van eigenaardigheid geleerd, om ook in de grotere en gewichtiger dingen de weg, of de gewoonten, van de heidenen niet te volgen. Aldus hebben zij zich ook overal waar zij kwamen als Joden bekend gemaakt, als degenen, die zich God en Zijn wet niet schaamden. Onze Heiland, geworden zijnde onder de wet, heeft deze snoertjes gedragen, vandaar dat wij lezen van de zoom van Zijn kleed, Mattheus 9:20. De Farizeën hebben deze zomen of randen vergroot, opdat zij meer heilig en vroom geacht zouden worden dan anderen. Maar de gedenkcedels waren andere dingen, die hebben zij zelf uitgedacht, terwijl de snoertjes een Goddelijke inzetting waren. De tegenwoordige Joden dragen ze, en als zij ze aandoen, zeggen zij: Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, die ons door Uw geboden geheiligd, en ons het gebod van de snoertjes bevolen hebt.
2. De bedoeling er van was hen te doen gedenken, dat zij een bijzonder volk zijn. Die snoertjes waren niet bedoeld als een versiering van hun kleren, maar om door indachtigmaking hun oprecht gemoed op te wekken, 2 Petrus 3:1, en door de snoertjes aan te zien, al de geboden des Heeren te gedenken. Velen zien op hun sieraden om hun hoogmoed te voeden, maar zij moesten op deze versierselen zien om hun geweten op te wekken tot een besef van hun plicht, opdat hun Godsdienst hun steeds voor ogen zij, en zij die overal zullen meedragen, zoals zij hun kleren overal meedragen. Als zij in verzoeking waren om te zondigen, dan zullen de snoertjes hen waarschuwen om Gods geboden niet te overtreden, als een plicht vergeten was om op de bestemde tijd gedaan te worden, dan zullen de snoertjes hen er aan herinneren. Deze inzetting, hoewel niet verplichtend voor ons, leert ons echter om altijd aan de geboden des Heeren onzes Gods te gedenken, om die te doen, ze in ons geheugen te bewaren en ze toe te passen op bijzondere gevallen, als er gelegenheid is om er gebruik van te maken. Zij waren inzonderheid bestemd om hen te bewaren voor afgoderij, dat gij niet naar uw hart en naar uw ogen zult speuren in uw Godsverering. Maar het kan zich ook uitstrekken tot de gehele wandel, want niets is meer in strijd met Gods eer en ons eigen waar belang, dan te wandelen in de weg van ons eigen hart, en naar het gezicht van onze ogen, want het gedichtsel van het hart is boos, en dat is ook de lust van de ogen. Het hoofdstuk eindigt met de grote en fundamentele wet van de Godsdienst: dat gij uw God heilig zijt, gereinigd van zonde, in oprechtheid gewijd aan Zijn dienst, en de grote reden voor al de geboden wordt telkens en nogmaals ingeprent: Ik ben de Heere, uw God. Als wij vaster geloofden, meer dikwijls en meer ernstig bedachten, dat God onze Heere is, en onze God, en onze Verlosser, wij zouden ons naar plicht, en belang en in dankbaarheid verplicht achten, om al Zijn geboden te houden.