Job 39:16-21
De struis is een verwonderlijk dier, een zeer grote vogel, maar nooit vliegt hij. Sommigen hebben hem een gevleugelde kameel genoemd. God geeft hier een bericht van hem en merkt op:
I. Iets dat hij gemeen heeft met de pauw dat is: fraaie vederen, vers 16. Zijn van u de verheugelijke vleugelen van de pauwen? Hebt gij trotse vleugelen gegeven aan de pauwen? zo lezen het sommigen. Fraaie vederen maken trotse vogels. De pauw is het zinnebeeld van de hoogmoed, als hij trots daar heen stapt is Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed geweest zoals hij. Ook de struis heeft fraaie vederen, maar hij is een domme, dwaze vogel, want schoonheid en sierlijkheid gaan niet altijd gepaard met wijsheid. Andere vogels benijden aan de pauw of de struis hun zwierige kleuren en fraaie vederen niet, klagen er niet over dat zij die missen, waarom zouden wij dan morren als wij anderen betere kleren zien dragen dan wij ons kunnen verschaffen? God schenkt Zijn gaven onderscheidenlijk, en die gaven zijn niet altijd de kostelijkste, die de fraaiste of schitterendste vertoning maken. Wie zou niet liever de stem hebben van de nachtegaal dan de staart van de pauw, het oog van de adelaar en zijn zich hoog in de lucht verheffende vleugels, en de natuurlijke genegenheid van de ooievaar, dan de fraaie vleugels en vederen van de struis, die hij nooit boven de aarde kan verheffen, en die zonder natuurlijke liefde is?
II. Iets dat hem alleen eigen is.
1. Onverschilligheid voor haar jongen. Het is goed dat dit haar alleen eigen is, want het is een zeer slechte hoedanigheid.
Merk op:
A. Hoe zij haar eieren aan gevaar bloot laat. Zij trekt zich niet terug naar een verborgen hoek, om daar haar nest te maken, zoals de mussen en zwaluwen doen, Psalm 84:4 om er haar eieren en jongen in te leggen. Evenals andere dieren worden ook de meeste vogelen door hun natuurlijk instinct verwonderlijk geleid om voor het behoud hunner jongen te zorgen. Maar de struis is een monster in de natuur want zij legt haar eieren, onverschillig waar op de vlakke grond, en geeft zich geen moeite om ze uit te broeden. Als het zand en de zon ze willen uitbroeden, zoveel te beter, want zij wil ze niet verwarmen, vers 17. Ja zij draagt niet eens zorg om ze te beschermen, want de voet van de reiziger kan ze verpletteren en de wilde dieren ze vertrappen, vers 18. Maar hoe worden dan nog de jongen voortgebracht, en hoe komt het dat de soort niet is uitgestorven? Wij moeten onderstellen, of dat God door een bijzondere zorg van Zijn voorzienigheid, door de hitte van de zon en van het zand (zoals sommigen denken) de veronachtzaamde eieren van de struis doet uitbroeden, zoals Hij de veronachtzaamde jongen van de raven voedt, of dat de struis wel dikwijls haar eieren bloot laat aan gevaar, maar niet altijd.
B. De reden waarom zij aldus haar eieren aan gevaar bloot laat. Het is:
a. Uit gebrek aan natuurlijke liefde, vers 19. Zij verhardt zich tegen haar jongen. Om tegen iemand, wie het ook zij, verhard te zijn is onbeminnelijk zelfs in redeloze dieren, maar veel meer nog in redelijke schepselen, die op menselijkheid bogen, inzonderheid om verhard te zijn tegen jongen, die zichzelf niet kunnen helpen en daarom medelijden verdienen, maar het ergste van alles is om verhard te zijn tegen haar eigen jongen, alsof zij de hare niet waren, terwijl zij toch in werkelijkheid een deel uitmaken van haar zelf. Haar arbeid van eieren te leggen is tevergeefs, omdat zij zonder vrees is, dat is de tedere bezorgdheid over hen niet heeft, die zij behoorde te hebben. Van diegenen zal het meest waarschijnlijk de arbeid teloor gaan, die. het minst vrezen hem te zullen verliezen.
b. Uit gebrek aan wijsheid, vers 20, want God heeft haar van wijsheid ontbloot. Dit geeft te kennen dat de kunst, die andere dieren bezitten om hun jongen te voeden en te bewaren een gave van God is en dat, waar zij niet aanwezig is, God haar ontzegd of onthouden heeft zodat wij van de dwaasheid van de struis zowel als van de wijsheid van de mier, kunnen leren wijs te zijn, want:
Ten eerste. Even onachtzaam en onverschillig als de struis is voor haar eieren, zijn vele mensen voor hun eigen ziel. Zij voorzien er niet voor, maken er geen geschikt nest voor, waarin zij veilig kunnen zijn, laten haar blootgesteld aan Satan en zijn verzoekingen, een stellig bewijs dat zij van wijsheid ontbloot zijn.
Ten tweede. Zo zorgeloos en onverschillig zijn velen voor hun kinderen, sommigen ten opzichte van hun lichaam, geen voorziening makende voor hun eigen huis, en deze zijn dus erger dan ongelovigen, en even slecht als de struis. Maar vele anderen zijn even zorgeloos en onverschillig voor de zielen hunner kinderen, zij dragen geen zorg voor hun opvoeding, zenden hen zonder onderwezen te zijn ongewapend de wereld in, vergetende welk een verderf er is in de wereld door de begeerlijkheid, dat hen gewis zal verpletteren. Aldus zal hun arbeid om ze groot te brengen tevergeefs zijn het zou voor hun land beter zijn dat zij nooit waren geboren.
Ten derde. Zo zorgeloos en onverschillig zijn sommige leraren voor hun gemeente, onder welke zij behoorden te wonen maar zij laten hen in de aarde en vergeten hoe ijverig Satan is om onkruid te zaaien terwijl de mensen slapen. Hen, over wie zij het opzicht moesten houden, zien zij voorbij, en zijn in werkelijkheid verhard tegen haar.
2. Zorg voor haarzelf. Zij laat haar eieren in gevaar, maar als zij zelf in gevaar is dan is er geen schepsel, dat meer en beter er naar streeft om er uit te geraken dan de struis, vers 21. Dan verheft zij haar vleugels naar de hoogte (waarvan de kracht haar dan meer te stade komt dan hun schoonheid) en met behulp daarvan loopt hij zo snel dat geen ruiter hoe hard hij zijn paard ook laat rennen, haar achterhalen kan, zij belacht het paard en zijn berijder. Zij, die het minst onder de wet van de natuurlijke liefde zijn, strijden dikwijls het meest voor de wet van het zelfbehoud. Laat de ruiter niet trots zijn op de snelheid van zijn paard als toch een dier, zoals de struis, het voorbij kan snellen.