Job 39:22-28
God had Zijn eigen macht tentoongespreid in die schepselen, welke sterk zijn en de mens minachten, en nu toont Hij haar in een schepsel dat nauwelijks minder is in kracht dan een hunner, en toch zeer tam is en dienstbaar aan de mensen, en dat schepsel is het paard, inzonderheid het paard, dat bereid wordt tegen de dag des strijds, en de mens dienstbaar is op een tijd, als hij meer dan gewoonlijk zijn dienst nodig heeft. Het schijnt dat er in het land van Job een edel ras van paarden was, Job heeft er waarschijnlijk verscheidene gehad, hoewel er geen melding van wordt gemaakt onder zijn bezittingen. Vee, dat nuttig was voor de landbouw, had daar grotere waarde dan dieren die alleen voor staatsie dienden of in de krijg gebruikt werden, voor welke doeleinden alleen de paarden gehouden werden, daar zij toen niet tot zulke geringe diensten gebruikt werden als waarvoor zij gewoonlijk onder ons gebruikt worden. Betreffende het grote paard, dat statige fraaie dier, wordt hier gezegd:
1. Dat hij zeer veel kracht en moed heeft vers 22. Zult gij het paard sterkte geven. Hij gebruikt zijn kracht voor de mens, maar heeft haar niet van de mens, God gaf ze hem, die de fontein is van alle krachten van de natuur, maar toch zelf "geen lust heeft aan de sterkte des paards," Psalm 147:10, maar ons gezegd heeft, dat "het paard feilt ter overwinning," ijdel is voor behoudenis, of veiligheid, Psalm 33:17. Voor lopen, trekken en dragen, is er geen schepsel, dat gewoonlijk in de dienst van de mens is, dat zoveel kracht heeft als het paard, noch zo kloekmoedig is, niet, zoals de sprinkhaan bevreesd gemaakt kan worden, maar moedig het gevaar tegemoet gaat. Het is een zegen voor de mens om zo'n dienaar te hebben, die, hoewel hij zeer sterk is, zich aan de leiding onderwerpt van een kind en tegen zijn eigenaar niet rebelleert. Maar toch, laat op de kracht van het paard niet vertrouwd worden, Hosea 14:4 Psalm 20:8, Jesaja 31:1, 3.
2. Dat zijn hals en zijn gesnuif majestueus zijn. Zijn hals is bekleed met grote golvende manen, die hem geducht maken en een sieraad voor hem zijn. Als hij zijn hals omhoog werpt, briest en schuimt, dan is zijn gesnuif schrikkelijk. Maar misschien was er in die tijd en in dat land een statiger ras van paarden dan wij nu hebben.
3. Dat hij woest en geweldig is in de krijg, met onversaagde moed aanvalt, al is het ook met onmiddellijk gevaar van zijn leven.
a. Zie hoe vrolijk en dartel hij is, vers 24. Hij graaft in de grond, en is vrolijk in zijn kracht, nauwelijks de grond kennende waarop hij staat. Hij is fier op zijn kracht, en daar heeft hij veel meer reden toe, daar hij zijn kracht gebruikt in de dienst van de mens en onder zijn leiding, dan de woudezel, die haar gebruikt in minachting van de mens en in rebellie tegen hem.
b. Zie hoe ijverig hij is voor de strijd, hij trekt uit de geharnaste tegemoet, aangevuurd niet door het goede van de zaak of het vooruitzicht op eer en roem. maar alleen op het geklank van de bazuin, de donder van de veldoversten en het gejuich van de krijgslieden, dat als een blaasbalg is om het vuur van zijn ingeschapen moed aan te blazen, en hem voorwaarts te doen springen, roepende hea! vers 28. Hoe verwonderlijk zijn de dieren geschikt voor en geneigd tot de dienst, waarvoor zij bestemd waren! c. Zie hoe onbevreesd hij is, hoe hij de dood veracht en de dreigendste gevaren, vers 25. Hij belacht de vrees steekt er de draak mede, houw naar hem met een zwaard, doe de pijlkoker kletteren, zwaai met de lans om hem terug te drijven, hij wil niet wijken, maar streeft voorwaarts en bezielt zijn berijder met moed.
d. Zie hoe geweldig hij is, hij springt en steigert, en rent met zoveel geweld tegen de vijand aan, dat men schier zou denken dat hij met schudding en beroering de aarde opslokt vers 27. Vurigheid, is de lof van een paard veeleer dan van een mens, aan wie woede en geweld geheel niet fraai staan. Deze beschrijving van het krijgspaard kan ons helpen om het karakter te verklaren, dat aan hoogmoedige zondaren wordt toegeschreven, Jeremia 8:6. Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in de strijd. Als het hart van een mens er geheel en al toe gezet is om kwaad te doen en hij door het geweld van ongeregelde lusten en hartstochten op een boze weg wordt voortgedreven, dan is hij niet bevreesd te maken voor de toorn Gods en de noodlottige gevolgen van de zonde. Laat zijn eigen consciëntie hem de vloek voorhouden van de wet, de dood, dat is de bezolding van de zonde, en al de verschrikkingen van de Almachtige in slagorde voor zijn ogen stellen, hij belacht deze vrees en wordt niet verschrikt en hij zal zich van het vlammig zwaard van de cherubim niet afkeren. Laat leraren hun stem opheffen als een bazuin, om de toorn Gods tegen hem te verkondigen, hij gelooft niet dat het is het geluid van de bazuin! noch dat het God en Zijn herauten menens met hem is. Maar het is gemakkelijk te voorzien, wat daar het einde van zal wezen.