Jozua 11:1-9
Hier begint de geschiedenis van een andere veldtocht door Jozua ondernomen, minder merkwaardig dan de vorige, daar er geen wonderen bij geschied zijn, maar die toch wat de goede uitslag betreft, niet minder glorierijk is geweest. De wonderen, die God toenmaals voor hen verricht heeft, moesten hen aanmoedigen om zelf krachtig te handelen. Zo werd de oorlog, gevoerd tegen het rijk van Satan, door de prediking van het Evangelie, in de beginne bevorderd en voorspoedig gemaakt door wonderen, maar nu die strijd genoegzaam gebleken is van God te zijn, worden de leiders er van overgelaten aan de gewone hulp van de Goddelijke genade in het gebruik van het zwaard des Geestes, en moeten zij geen hulp verwachten van hagelstenen of van het staan van de zon.
In deze geschiedenis wordt ons verhaald:
I. Dat de Kanaänieten te velde trekken tegen Israël. Zij waren de aanvallers daar God hun hart had verhard om de strijd te beginnen, opdat Israël zonder tegenspraak of bedenking gerechtvaardigd zou worden in hun verdelging. Jozua en geheel Israël waren teruggekeerd naar het leger te Gilgal, en misschien dachten deze koningen niet anders, of zij waren van plan nu stil neer te zitten, tevreden met de veroveringen, die zij reeds gemaakt hadden, en toch bereidden zij zich nu ten oorlog tegen hen. Zondaren brengen zelf het verderf over zich, zodat God rechtvaardig is in Zijn spreken, en zij alleen tot in eeuwigheid de schuld zullen dragen. "Juda legt zich nu neer als een leeuw, die van de roof is opgeklommen," Genesis 49:9. Als de noordse koningen hem doen opstaan, dan is het op hun gevaar.
1. Verscheidene natiën voegden zich bij dit verbond, sommigen van het gebergte en sommigen van de vlakte, vers 2. Kanaänieten van oost en west, Amorieten, Hethieten, Ferezieten. enz, vers 3, verschillend van aard en karakter onderling verdeeld in belangen, maar toch nu saamverenigd en verbonden tegen Israël als tegen de gezamenlijke vijand. Zo zijn de kinderen van deze wereld meer eendrachtig, en hierin wijzer, dan de kinderen des lichts. De eenheid onder de vijanden van de kerk moest de vrienden van de kerk beschamen om hun twisten en verdeeldheden, en hen aansporen om de twisten te vergeten en eensgezind te worden.
2. Het hoofd van dit verbond was Jabin koning van Hazor, vers I, zoals Adoni-Zedek het van het vorige is geweest. In vers 10 wordt gezegd: Hazor was tevoren het hoofd van al deze koninkrijken, en zij konden niet van hem zijn afgevallen, zonder hierdoor kwaadwilligheid bij hem te hebben veroorzaakt, maar dat was nu alles vergeten, en met wederzijds goedvinden ter zijde geschoven, Lukas 23:12. Toen zij nu allen hun troepen bijeengetrokken hadden en ieder koninkrijk zijn contingent had geleverd, hadden zij een zeer groot leger, veel groter dan het vorige, talrijk als het zand dat aan de oever van de zee is, en derhalve veel sterker en geduchter. Zij hadden ook zeer veel paarden en wagens, die, voorzoveel wij weten, de koningen van het zuiden niet hadden. En hierin hadden zij dus een groot voordeel over Israël, want Israëls leger bestond slechts uit voetvolk. Josephus zegt ons dat het leger van de Kanaänieten bestond uit drie maal honderd duizend voetknechten, tien duizend ruiters, en twintig duizend wagens. Velen zijn er, die tegen Gods Israël opstaan. Ongetwijfeld dachten zij zich, vanwege hun groot aantal, volkomen zeker van de overwinning, maar het bleek, dat hoe groter hun aantal was, hoe groter ook de slachting zijn zou. II. Gods aanmoediging aan Jozua om hun slag te leveren, en wel op grond van het voordeel, dat zij dachten over hem te hebben, vers 6. Vrees niet voor hun aangezichten. Jozua was bekend om zijn kloekmoedigheid, zij was zijn bijzondere genadegave, en toch schijnt hij het nodig gehad te hebben, telkens en nogmaals tegen vrees te worden gewaarschuwd. Nieuwe gevaren en moeilijkheden maken het nodig om opnieuw steun en vertroosting te zoeken in Gods Woord, dat wij altijd bij ons hebben om er in elke tijd van nood gebruik van te maken. Zij, die God aan hun zijde hebben, behoeven niet ontroerd te wezen vanwege het aantal en de macht van hun vijanden, die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn, zij voor wie de Heere van de heirscharen is, hebben de heirscharen des Heeren bij zich. Om hem te bemoedigen:
1. Verzekert God hem van voorspoed, en stelt er het uur voor vast: morgen omtrent deze tijd, wanneer (waarschijnlijk) van beide zijden een treffen verwacht werd, zal Ik ze allemaal verslagen geven voor het aangezicht Israëls. Ofschoon zij door Israëls zwaard verslagen moesten worden, wordt er toch van gesproken als van Gods werk: Hij zal hen overleveren.
2. Hij gebiedt hem hun paarden te verlammen en hun wagens te verbranden, niet alleen opdat Israël ze later niet gebruiken zal, maar ook om ze thans niet te vrezen, nu God bedoelt ze aldus in minachting te brengen. Laat Israël op hun wagens zien als op vermolmd hout, bestemd voor het vuur, en op hun krijgspaarden als verlamde dieren, nog nauwelijks als lastdieren te gebruiken.
Jozua heeft ongetwijfeld de bemoediging, die hij van God heeft ontvangen, meegedeeld aan het volk, dat wellicht enige vrees koesterde voor dit grote leger, in weerwil van de ervaring, die zij hadden van Gods macht aangewend tot hun behoeve. En de wijsheid en goedheid Gods kan opgemerkt worden:
a. In het verdwazen van de raad van de vijanden zodat niet al de koningen van Kanaän, die toch niet zo ver van elkaar verspreid waren of zij hadden zich tot een lichaam kunnen verenigen, zich reeds terstond tegen Israël verbonden, maar verdeeld bleven in een zuidelijken en een noordelijken bond, en aldus zoveel te minder geducht werden voor Israël. En
b. In het toebereiden van Zijn volk om de grotere krijgsmacht het hoofd te bieden, door de kleinere reeds verslagen te hebben. Eerst hebben zij tegen vijf koningen gestreden, en nu tegen veel meer. God maakt onze beproevingen evenredig aan onze kracht, en onze kracht aan onze beproevingen.
III. Jozua's optrekken tegen deze verbonden legers, vers 7. Hij kwam snellijk over hen, verraste hen in hun kwartieren. Hij maakte deze haast:
1. Om hen te meer in verwarring te brengen, door hen aldus op te schrikken, toen zij weinig dachten dat hij zo nabij was.
2. Ten einde de eer niet te missen van God te ontmoeten door te laat te komen, daar God die ontmoeting bepaald had bij het leger van de vijand, morgen omtrent deze tijd. Het betaamt ons om punctueel te zijn met God.
IV. Zijn welslagen, vers 8. Hij behaalde de eer en het voordeel van een volkomen overwinning. Hij sloeg hen en joeg hen na op hun vlucht. Sommigen vloden naar Sidon dat in het noordwesten lag anderen naar Mizpa, oostwaarts, en naar beide zijden zond Jozua troepen om hen te vervolgen. Zo gaf de Heere hen in de hand Israels. Zij wilden niet zichzelf aan Israël overgeven, om tot proselieten en schatplichtigen gemaakt te worden en geofferd te worden aan Gods genade, Romeinen 15:16, en daarom heeft God hen in hun handen overgeleverd om tot offeranden gemaakt te worden van Zijn gerechtigheid, want God zal door ons of aan ons verheerlijkt worden.
V. Zijn gehoorzaamheid aan de orders, die hem gegeven zijn, door de paarden te verlammen en de wagens te verbranden, vers 9, hetgeen een voorbeeld was:
1. Van zijn onderworpenheid aan de Goddelijken wil, als zijnde onder bevel, moetende doen wat hem geboden wordt.
2. Van zijn zelfverloochening, ingaande tegen zijn eigen zin en neiging, in gehoorzaamheid aan het gebod Gods.
3. Van zijn vertrouwen in de macht van God, aangewend ten dienste van Israël, waardoor hij instaat was de paarden en wagens te minachten, waar anderen op vertrouwden, Psalm 20:8, 33:17.
4. Van zijn zorg om in het volk eenzelfde vertrouwen in God in stand te houden, door hun datgene te ontnemen, waarop zij in verzoeking zouden zijn te veel vertrouwen te stellen. Dit was het afhouwen van een rechterhand.