18. Rechters, 1)zoals sedert lang (
Deuteronomium 1:9) op Jethro's raad (
Exodus 18:13) onder u aangesteld zijn, en ambtslieden (zie "
Exodus 5:10";
Deuteronomium 1:15), die hun als schrijvers en ondergeschikte beambten ter zijdestaan, zult gij, wanneer gij in het beloofde land gekomen, en in verschillende plaatselijke gemeenten verdeeld zijt, zodat de tegenwoordige vorm van de rechtspleging veranderd moet worden, u stellen in al uw poorten, of steden, die de HEERE, uw God, u geven zal; en wel onder uw stammen; 2) op dezelfde wijze als in
hoofdstuk 1:13, zult gij hen kiezen, en door uw oversten laten inwijden, dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid.
1) Ik breng deze plaats tot de bijvoegselen van het vijfde gebod, omdat, indien het God behaagt, dat er rechters over het volk zijn, om het te besturen, daaruit volgt, dat men aan hun wetten en besluiten gehoorzaam moet zijn. Alzo wordt de vaderlijke macht daartoe tot hen uitgestrekt. Overigens, opdat het volk zich des te gewilliger aan de rechters zou onderwerpen, herinnert God, dat het menselijk geslacht anders niet in stand kan worden gehouden. Daarom het publieke nut, omdat overigens het bewind van de Magistraat hatelijk zou zijn, maakt dit juist aangenaam en beminnelijk. Maar ofschoon het niet aan allen gegeven is, rechters uit te kiezen, omdat God het uitverkoren volk met dit voorrecht heeft verwaardigd, toch beveelt God over het algemeen deze politieke orde, omdat Hij aanduidt, dat de menselijke maatschappij niet anders kan blijven bestaan, dan indien Hij autoriteit aan de wettig gekozen bestuurders toestaat, om de rechtspraak uit te oefenen. Hetzij daarom de Magistraat door de stem van het volk is verkozen, hetzij hij op ene andere manier is ingesteld, laten wij hieruit leren, dat zij als dienaren van God noodzakelijk zijn, opdat zij allen onder het juk van de wet houden..
Naast de oudsten, d.i. voornaamste hoofden van de stammen, geslachten, vaderlijke huizen en families, die ook verder een zeker aanzien in hun kring behouden, en, om zo te spreken, een overheidscollege vormen moesten, dat de burgers van stam, stad of dorp vertegenwoordigt, de gemeenschappelijke belangen bezorgt, en de orde in de gezinnen en geslachten bewaren moet (hoofdstuk 19:12; 21:2-9; 22:15,18; 25:7, Jozua 20:4; 24:31 Ruth 4:2; 1 Koningen 21:8, Jeremia 26:16, Judith 10:1 ), stelt Mozes hier de plaatselijke of mindere rechtbanken in voor de steden. Zij moeten het eindvonnis vellen over alle twistpunten, die uit de wet gemakkelijker beslist kunnen worden, en de schuldigen straffen. Voor alle ingewikkelde rechtsgevallen echter, in welke Mozes tot nu toe uitspraak gedaan had wordt (hoofdstuk 17:8) een hoog gerechtshof ingezet, dat zijn zetel heeft in de plaats van het heiligdom, en uit priesters en rechters bestaat, met de Hogepriester en een wereldlijke opperrechter aan het hoofd. De mindere rechtbanken vervangen dus de plaats van de rechters over duizend, honderd, enz., zoals het hooggerechtshof de taak van Mozes overneemt. In hoofdstuk 19:16, is een bijzonder geval meegedeeld, dat daar behandeld moet worden. Door deze inrichting wordt de handhaving van het recht aan de gemeente opgedragen, die als heilig volk van de Heere plicht en roeping heeft, om het boze uit haar midden weg te doen; zij oefent echter de rechtspleging door gekozene en aangestelde rechters, in deze moeten weer hun ambt openlijk vervullen, op de ruime plaats in de poorten. Hoevele personen zo'n mindere rechtbank vormen wordt niet gezegd, maar het aantal werd waarschijnlijk berekend naar de grootte van de bevolking. Over deze instellingen in de tijd van Jezus Christus, zie Mt 5:22
2) In het Hebreeuws Lischbatèka. De LXX kata fulav. De vertaling is dan ook beter: naar uw stammen, of stamsgewijs. De toestand van het volk veranderde enigszins als het in Kanaän zou komen. Hadden zij tot nu toe rechters en ambtslieden gehad over duizenden en honderden, waar zij in vaste steden zouden wonen, moest nu ook iedere plaats deze hebben, die het recht spraken. In al uw poorten, omdat in de poorten het recht gesproken werd. De ambtslieden waren zoveel als de secretarissen van de rechters. Het Hebreeuwse woord betekent dan ook eigenlijk schrijver..