Deuteronomium 16:18-22
1. Hier wordt zorggedragen voor een goede rechtsbedeling onder hen, opdat geschillen beslecht worden, aan de verongelijkten recht wordt gedaan en zij die oprecht doen, gestraft worden. Zolang zij in de woestijn gelegerd waren, hadden zij rechters en ambtlieden naar hun aantal, oversten van duizenden, en oversten van honderden, Exodus 18:25. Toen zij in Kanaän kwamen, moesten zij rechters en ambtlieden hebben naar hun steden en vlekken, in al hun poorten, want de gerechtshoven hielden hun zittingen in de poorten.
Nu wordt hier aan deze mindere magistraten een opdracht gegeven: "Rechters zult gij aanstellen om geschillen te onderzoeken en er uitspraak over te doen, en ambtlieden om hun vonnissen uit te voeren". Op welke wijze die personen nu ook in hun ambt gesteld werden of zij door de souverein werden benoemd of door het volk werden gekozen de machten waren van God verordend, Romeinen 13:1. En het was een grote zegen voor het volk, dat hun het recht aldus aan de deur werd gebracht, opdat het met te meer bekwamen spoed en te minder onkosten bedeeld zou kunnen worden, een zegen, waarvoor ook wij, die tot ons volk behoren, zeer dankbaar moeten zijn. Ingevolge van deze wet was er, behalve het groot sanhedrin, dat zitting hield in het heiligdom, en bestond uit zeventig oudsten met een president in de grote steden, waarin meer dan honderd twintig gezinnen woonden, een hof van drie en twintig rechters, in de kleinere plaatsen een hof van drie rechters. Zie deze wet hernienwd door Josafat, 2 Kronieken 19:5, 8.
Hier is een bevel aan deze magistraten om in het ambt, dat hun opgedragen was, recht te doen. Het is beter geen recht te spreken, dan niet goed recht te spreken, overeenkomstig de bevelen van de wet en het getuigenis van de feiten. De rechters worden hier gewaarschuwd om niemand onrecht te doen, vers 19, geen geschenken te nemen, waardoor zij verleid zouden worden onrecht te doen. Deze wet is tevoren reeds gegeven, Exodus 23:8, en hun wordt gelast recht te doen aan allen, vers 20. "Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen. Houdt u aan de beginselen van het recht, handelt naar de beginselen van het recht, ondersteunt de eisen van het recht, volgt de voorbeelden van het recht, en jaagt na, kloek en vastberaden, wat recht is". Dat is het wat de magistraat altijd op het oog moet hebben, dat moet hij bedoelen, daaraan moeten alle persoonlijke belangen en inzichten opgeofferd worden: recht te doen aan allen, en aan niemand onrecht te doen.
2. Er wordt zorg gedragen om alle gelijkvormigheid met de afgodische gewoonten van de heidenen te voorkomen, vers 21, 22,. Zij moeten niet slechts zich niet met de afgodendienaars verenigen in hun aanbidding, noch hun bossen bezoeken, noch zich buigen voor de beelden, die zij hebben opgericht, maar:
a. Zij moeten nabij Gods altaar geen bos planten ja zelfs geen enkele boom, opdat het het aanzien niet zou hebben van de altaren van de valse goden. Dezen maakten bossen tot de plaatsen van hun aanbidding, hetzij om haar geheim te houden, maar hetgeen waar en goed is begeert veeleer licht en openbaarheid of om haar plechtig te maken, maar in de aanbidding van de ware God is genoeg om haar plechtig te maken zonder de hulp van die uitwendige omstandigheden.
b. Zij moeten geen beeld oprichten ter ere van God, want dat is iets dat de Heere haat. Er is niets, dat Hem meer lastert en smaadt, meer strekt om de geest van de mensen te verderven, dan om God, die een oneindige en eeuwige Geest is, voor te stellen door een beeld en Hem in zo'n beeld te aanbidden.