Deuteronomium 16:1-17
Veel van de gemeenschap tussen God en Zijn volk Israël werd onderhouden, en een Godsdienstig aanzien onder het volk bewaard, door de drie jaarlijkse feesten, waarvan wij de inzetting en de desbetreffende wetten reeds verscheiden malen gehad hebben, en hier zijn zij herhaald.
I. De wet op het pascha, een zo grote plechtigheid, dat zij aan de gehele maand, in het midden waarvan zij gevierd werd, een groot en gewichtig aanzien gaf, vers 1. Neemt waar de maand Abib. Hoewel slechts een week van die maand als feest gehouden werd, waren de toebereidselen er voor zó plechtig, en de overdenking en toepassing er van daarna zó ernstig, dat het gelijk stond met een waarnemen van de gehele maand. De maand Abib, of van de nieuwe vruchten zoals de Chaldeeuwse vertaling luidt, komt overeen met onze maand Maart, (of een deel van Maart en een deel van April) en was op bijzonder bevel van God ter herinnering aan hun bevrijding uit Egypte tot het begin van het jaar gemaakt, Exodus 12:2 dat tevoren gerekend werd te beginnen met de maand Tisri, overeenkomende met onze maand September.
In deze maand moesten zij het pascha houden ter gedachtenis dat de Heere hen uit Egypteland heeft uitgevoerd bij nacht, vers 1. De Chaldeeuwse paraphrasten hebben hier: "Omdat zij uitkwamen uit Egypte bij daglicht", omdat er een uitdrukkelijk bevel was, dat niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis tot aan de morgen, Exodus 12:22. Een hunner verklaart het aldus: "Hij voerde u uit Egypte, en deed wonderen bij nacht." En een ander: "Gij zult het pascha eten bij nacht." De desbetreffende wetten zijn:
1. Dat zij het pascha moesten offeren in de plaats, die God zou verkiezen, vers 2, en in geen andere plaats, vers 5-7. Het pascha zelf was een offer, vandaar dat Christus ons Pascha gezegd wordt voor ons te zijn geslacht, 1 Corinthiërs 5:7, en gedurende de zeven dagen van het feest werden nog veel andere offers geofferd, Numeri 28:19 en verv, die hierin begrepen zijn, want er wordt hier gesproken van schapen en runderen, terwijl het pascha zelf slechts een lam was. Daar nu geen offers Gode welbehaaglijk waren, dan die op het altaar, dat ze heiligde, gebracht werden was het nodig, dat zij zouden opgaan naar de plaats, waar dat altaar was, want hoewel het paaslam geheel en al door de eigenaars gegeten werd, moest het toch in de voorhof van de tabernakel worden geslacht, het bloed gesprengd, en de ingewanden op het altaar verbrand worden. Door hen te bepalen tot de bestemde plaats, hield hij hen aan de bepaalde regel, waarvan zij allicht afgeweken zouden zijn, om dwaze verzinselen voor henzelf in te voeren, als het hun veroorloofd ware geworden binnen hun eigen poorten hun offers te offeren, zonder daarbij onder het toezicht van de priesters te zijn. Hiermede werd hun ook bevolen hun oog op God te hebben in de plechtigheid en dat de begeerte van hun hart moet wezen naar de gedachtenis van Zijn naam, daar hun bevolen was om te gaan naar de plaats, die de Heere zal verkiezen om Zijn naam aldaar te doen wonen, vers 2 en 6,6. Maar als de plechtigheid voorbij was, dan mochten zij zich keren en heengaan naar hun tenten, vers 7. Sommigen denken dat zij indien zij wilden, reeds de volgende morgen, nadat het paaslam geslacht en gegeten was, mochten terugkeren, daar de priesters en Levieten volstonden om het overige werk van de week te doen, maar het is er zover vandaan dat de eerste dag van de zeven de dag was van hun uit elkaar gaan, dat er uitdrukkelijk geboden is, dat het een dag van heilige samenroeping moet wezen, Leviticus 23:7, Numeri 28:18. Daarom moeten wij het nemen zoals het in Jonathan's paraphrase wordt verklaard: in de morgen na het einde van het feest zult gij gaan naar uw steden. En het was de gewoonte om de gehele week bij elkaar te blijven, 2 Kronieken 35:17. 2. Dat zij gedurende zeven dagen ongezuurde broden moesten eten, en dat er dan geen zuurdeeg in hun landpalen gevonden moest worden, vers 3, 4, 8,. Het brood, dat zij dan moeten eten, wordt hier brood van de ellende genoemd, omdat het noch aangenaam van smaak, noch licht verteerbaar was, en daarom geschikt om de bezwaardheid van gemoed aan te duiden onder hun dienstbaarheid, en de haast in gedachtenis te houden, waarmee zij uittogen daar de zaak zo dringend was, dat zij niet wilden blijven om te wachten tot het brood gedesemd was, dat zij medenemen op hun tocht. De Joodse schrijvers delen ons mede, dat het de gewoonte was aan de paasmaaltijd, dat de heer des huizes dit ongezuurde brood brak, en aan ieder van de aanzittenden een stuk er van gaf, zeggende: Dit is, dat is: dit stelt voor, of doet ons gedenken aan (hetgeen het gezegde verklaart van onze Heijand: Dit is Mijn lichaam) het brood van de ellende, dat onze vaderen in Egypte hebben gegeten. De Evangeliebetekenis van dit feest van de ongezuurde broden geeft ons de apostel in 1 Corinthiërs 5:7, Christus, ons Pascha, is voor ons geslacht, en daar wij nu tot onze vertroosting deel gekregen hebben aan de gezegende vruchten van die offerande, zo laat ons feesthouden in een heilige wandel, vrij van de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid jegens onze broederen, en van de geveinsdheid tegenover God, en in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.
Eindelijk. "Let ten opzichte van het pascha op het doel, waartoe het was ingesteld: opdat gij gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypte, niet slechts op de dag van het pascha, of gedurende de zeven dagen van het feest maar al de dagen van uw leven, vers 3, als een voortdurende drijfveer tot gehoorzaamheid." Zo vieren wij de gedachtenis van Christus' dood op zekere tijden, opdat wij hem ten allen tijde zullen gedenken, als een reden waarom wij zullen leven voor Hem, die voor ons gestorven en opgestaan is.
II. Zeven weken na het pascha moest het pinksterfeest gevierd worden, waaromtrent hun hier wordt geboden:
1. Van wanneer af zij de zeven weken moesten tellen: van dat men met de sikkel begint in het staande koren, vers 2, dat is: van de morgen van de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden, want op die dag (hoewel het volk waarschijnlijk niet aan de oogst begon voordat het feest voorbij was) werden boden gezonden om een garf van gerst te oogsten, die als eersteling aan God geofferd moest worden, Leviticus 23:10. Sommigen denken dat er de bijzondere zorg mee te kennen wordt gegeven, die God voor hun land zou hebben met betrekking tot het weer, dat hun oogst steeds op dezelfde tijd rijp en gereed zou zijn voor de sikkel.
2. Hoe zij dit feest moesten houden.
a. Zij moeten God een offer brengen, vers 10. Dit wordt hier een vrijwillige schatting genoemd Het wordt van hen geëist als een schatting aan hun souvereine Heer en eigenaar, van wie zij al hun land hielden, maar omdat er de hoeveelheid niet van was bepaald, maar het aan ieders grootmoedigheid was overgelaten om te brengen wat hij wilde, en omdat hij al wat hij bracht blijmoedig moest geven, werd het toch een vrijwillige schatting geroemd. Het was een dankbare erkenning van de goedheid Gods over hen in de zegeningen van deze korenoogsten, die nu volbracht waren, en daarom moet het offer zijn, naardat hen de Heere zal gezegend hebben. Waar God overvloedig zaait, daar verwacht Hij dienovereenkomstig te zullen oogsten.
b. Zij moeten vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren huns Gods vers 11. Heilige vreugde is het hart en de ziel van dankbare lofzeggingen, die als de taal en de uitdrukking van heilige vreugde zijn. Zij moeten zich verblijden in hun ontvangen van God en in hun diensten voor en offeranden aan Hem, wij moeten ons verlustigen in onze plicht, zowel als in onze genieting. Hun dienstknechten en dienstmaagden moeten zich met hen verblijden, "want gedenkt, dat gij een dienstknecht geweest zijt vers 12, en dat gij zeer dankbaar zoudt geweest zijn, indien uw aandrijvers u eens tijd en oorzaak gegeven hadden om u te verblijden, en uw God heeft u uitgeleid om een feest te houden met blijdschap, weest dus vriendelijk en aangenaam voor uw dienstknechten en dienstmaagden, en geeft hun lieflijkheid in hun leven, maakt hun het leven gemakkelijk". En het schijnt dat deze algemene woorden: Gij zult deze inzettingen houden en doen, hier bijgevoegd zijn om een bijzondere reden, namelijk, dat dit feest gehouden werd ter gedachtenis van de wetgeving op Sinaï vijftig dagen nadat zij uit Egypte waren gegaan. De beste manier nu om onze dankbaarheid aan God uit te drukken voor Zijn gunst in ons Zijn wet te geven is er de geboden van waar te nemen en te doen.
III. Zij moeten het feest van de loofhutten houden, vers 13-15. Hier is geen herhaling van de wet op de offers, die in grote getale op dit feest geofferd moesten worden, en die wij uitvoerig vermeld votnden in Numeri 29:12 en verv, omdat de zorg daarvoor aan de priesters en Levieten was opgedragen, die zulke herhalingen niet zo nodig hadden als het volk, en omdat het geestelijk deel van de dienst, dat bestond in heilige blijdschap, Gode zeer welbehaaglijk was, en de voortdurende plicht moet zijn van een Evangelische gemeenschapsoefening waarvan dit feest een type was. Zie welk een nadruk er hier op wordt gelegd: Gij zult vrolijk zijn op uw feest, vers 14, want de Heere uw God zal u zegenen in al uw inkomen en in al het werk uwer handen, daarom immers zult gij vrolijk zijn, vers 15. Het is de wil van God, dat Zijn volk een blijmoedig volk zal zijn. Indien zij, die onder de wet waren, vrolijk moesten zijn voor het aangezicht des Heeren, hoeveel meer dan niet wij, die onder de genade van het Evangelie leven, hetgeen het ons ten plicht maakt, om, niet slechts zoals hier, vrolijk te zijn op onze feesten, maar ons ten allen tijde te verblijden in de Heere. Als wijzelf ons in God verblijden, dan moeten wij doen wat wij kunnen, om anderen te helpen om zich ook in Hem te verblijden, door de treurende te troosten, de nooddruftige bij te staan, zodat zelfs de vreemdeling, de wees en de weduwe zich met ons kunnen verblijden. Zie Job 29:13.
I1. Wij moeten ons verblijden in God, niet alleen om hetgeen wij hebben ontvangen, en nog dagelijks van Hem ontvangen maar ook om hetgeen Hij heeft beloofd, en wij verwachten nog van Hem te zullen ontvangen, de Heere uw God, zal u zegenen, daarom zult gij vrolijk zijn. Zij, die God tot hun blijdschap maken kunnen zich verblijden in de hoop, want die het beloofd heeft is getrouw.
Eindelijk. De wetten betreffende de drie plechtige feesten worden saamgevat, vers 16,17 6, zoals dikwijls tevoren, Exodus 23:16, 17, 34:23,. De algemene bevelen betreffende deze feiten zijn:
1. Dat al wat mannelijk onder hen is persoonlijk voor Gods aangezicht zal verschijnen opdat zij door hun veelvuldig samenkomen om God te aanbidden aan dezelfde plaats en naar dezelfde regel, zich trouw en standvastig zullen blijven houden aan die heilige Godsdienst die onder hen gevestigd was.
2. Dat niemand ledig voor Gods aangezicht moet verschijnen, maar dat een ieder een offerande moest brengen ten teken van hun afhankelijkheid van God en van dankbaarheid jegens Hem. En God was niet onredelijk in Zijn eisen, een ieder geve naar hetgeen in zijn vermogen is, meer werd niet verwacht. Dit is ook thans nog de regel derliefdadigheid 1 Corinthiërs 16:2. Zij, die geven naar hun vermogen, zullen aangenomen worden, maar zij die boven hun vermogen geven, worden dubbele eer waardig geacht, 2 Corinthiërs 8:3, zoals de arme weduwe, die al haar leeftocht had gegeven, Lukas 21:4.