1 Thessalonicenzen 5:6-10
Op hetgeen hij gezegd heeft, bouwt de apostel vermaningen tot verscheidene nodige deugden.
I. Tot waakzaamheid en nuchterheid, vers 6. Deze deugden zijn onderscheiden van, maar nauw verbonden met elkaar. Want aangezien wij aangevochten worden door zo vele verzoekingen tot onmatigheden en buitensporigheden, moeten wij nuchter blijven, anders zullen wij niet waakzaam zijn, en tenzij wij ons nuchter houden, zullen wij niet lang waken kunnen.
1. Zo laat ons dan niet slapen als de anderen, maar laat ons waken, wij mogen niet zeker en zorgeloos zijn, ons niet overgeven aan geestelijke luiheid en ijdelheid. Wij moeten onze wacht niet verlaten, maar voortdurend waken tegen de zonde en de verzoeking daartoe. Over het algemeen zijn de mensen te zorgeloos voor hun verplichtingen en te onoplettend tegenover hun geestelijke vijanden. Zij zeggen: "Vrede en geen gevaar!" terwijl zij in het grootste gevaar zijn, sluimeren de kostbare ogenblikken weg, waaraan hun eeuwigheid hangt, brengen die door in ijdele dromen, en hebben niet meer gedachten of zorg voor een andere wereld dan mensen, die vast in slaap zijn, hebben kunnen. Zij beschouwen de dingen van de andere wereld in `t geheel niet, omdat zij diep in slaap zijn, of zij beoordelen ze geheel verkeerd, omdat zij dromen. Maar laat ons waken en ons gedragen als mensen, die wakker zijn en op wacht staan.
2. Laat ons ook nuchter zijn, gematigd en ingetogen. Laat ons onze natuurlijke begeerten en verlangens naar de aardse dingen binnen de behoorlijke perken houden. Nuchterheid is gewoonlijk de tegenstelling van overdaad in eten en drinken, en wordt hier bepaald tegenover dronkenschap gesteld, maar ze strekt zich ook uit tot alle aardse dingen. Zo waarschuwde onze Zaligmaker Zijne discipelen: Wacht uzelven, dat uwe harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome, Lukas 21:34.
Onze bescheidenheid derhalve, in alle aardse dingen, moet allen mensen bekend zijn, want de Heere is nabij. Buitendien zijn waakzaamheid en nuchterheid betamelijk voor den Christen, want hij is een kind des daags en die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken, vers 7. Het is schandelijk voor een gezond mens om overdag te slapen, want dat is de tijd om te werken en niet om te slapen. En niet minder schandelijk is het om overdag dronken te zijn, als aller oog op hem gevestigd is om zijn verlaging te zien. Het was niet vreemd dat zij, die het voorrecht van een goddelijke openbaring misten, zich door den duivel in den slaap van vleselijke gerustheid lieten sussen, en dat dezen de teugels op den nek van hun vleselijke lusten wierpen en zich daardoor lieten vervoeren naar allerlei uitspatting en overdaad, want voor hen was het nacht. Zij waren niet gevoelig voor hun gevaar en daarom sliepen ze, zij hadden geen begrip van hun plichten en daarom waren ze dronken, maar het is voor Christenen ten hoogste verkeerd ook zo te handelen. Hoe zullen Christenen, wie het volle licht van het Evangelie in het aangezicht straalt, zorgeloos zijn voor hun zielen en geen aandacht geven aan de betere wereld? Zij, op wie zo menig oog gevestigd is, behoren zich met meer dan gewone bedachtzaamheid te gedragen.
II. Teneinde gewapend zowel als waakzaam te zijn, moeten wij de gehele wapenrusting Gods aandoen. Dat is noodzakelijk voor de nuchterheid, die ons betaamt, en zal de beste voorbereiding voor den dag des Heeren zijn, want onze geestelijke vijanden zijn talrijk, machtig en kwaadaardig. Zij halen menigeen tot zich over, en houden hem vast, en maken hem zorgeloos, gerust en bevooroordeeld, door hem dronken te maken, dronken met hoogmoed en met hartstocht, dronken en zinneloos met zelfbedrog, dronken met inwilliging der begeerlijkheden. Wij moeten daarom ons tegen hen wapenen, door het geestelijk borstwapen aan te doen om ons hart te beschermen, den geestelijken helm op te zetten om ons hoofd te bedekken, en deze geestelijke wapenrusting bestaat uit de drie voorname Christelijke deugden: geloof, liefde en hoop, vers 8. Wij moeten leven door het geloof, en dat zal ons waakzaam en nuchter maken. Indien wij geloven dat het oog van God, die een geest is, altijd op ons gevestigd is, dat wij met geestelijke vijanden te worstelen hebben, dat er een wereld der geesten is, waarvoor wij moeten voorbereid worden, dan zal dat ons een reden wezen om waakzaam en nuchter te zijn. Het geloof zal onze beste verdediging tegen de aanvallen van onze vijanden zijn.
1. Wij moeten een door liefde ontvlamd hart hebben, en dat zal ook een verdedigingsmiddel zijn. Oprechte en vurige liefde tot God en de goddelijke dingen zal ons waakzaam en nuchter houden en ons bewaren voor afval in tijden van droefheid en verzoeking.
2. Wij moeten op de zaligheid onze hoop stellen, en daarop een levende hoop hebben. Deze zekere hoop, door genade op het eeuwige leven, zal als een helm zijn om het hoofd te verdedigen, en ons verhinderen om dronken te worden door de vermaken onzer zinnen, die slechts voor een tijd zijn. Indien wij op de zaligheid hopen, laat ons dan zorgzaam zijn dat wij niets doen dat onze hoop kan schokken, of ons onwaardig of onbekwaam maken voor de grote zaligheid, waarop wij hopen. Na de zaligheid en de hoop daarop vermeld te hebben, toont de apostel aan welken grond de Christenen hebben om op deze zaligheid te hopen. Dienaangaande merken wij op. Hij zegt niet dat zij het verdiend hebben. Neen, de leer van onze verdienste is onschriftuurlijk en tegenschriftuurlijk, daarin kan geen goede grond voor enige hoop gevonden worden. Onze hoop moet gevestigd zijn:
A. Op Gods verkiezing. Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, vers 9. Wanneer wij onze zaligheid in haar wortel willen opsporen, moeten wij teruggaan tot Gods uitverkiezing. Zij, die leven en sterven in duisternis en onwetendheid, die slapen en dronken zijn alsof het nacht ware, zijn-het is slechts al te duidelijk-gesteld tot toorn. Maar zij, die kinderen des daags zijn, indien zij waken en nuchteren zijn, leveren daardoor het bewijs, dat zij zijn verkoren om de zaligheid te verkrijgen. En de zekerheid en vastheid van de goddelijke verkiezing zijn de grote steun en aanmoediging voor onze hoop. Indien wij de zaligheid moesten verkrijgen door onze eigen verdiensten of kracht, dan zouden wij er slechts weinig of geen hoop op mogen stellen. Maar nu wij zien dat wij ze verkrijgen door kracht van Gods verkiezing, waarvan wij zeker weten dat ze niet wankelen kan, (want het voornemen, dat naar de verkiezing is, staat vast), nu bouwen wij daarop onze onwankelbare hoop. Voornamelijk wanneer wij beschouwen:
B. De verdiensten en genade van Christus, en de zaligheid die daar is in onzen Heere Jezus Christus, die voor ons stierf. Onze zaligheid is daarom te danken aan, en onze hoop op haar is gevestigd op, de verzoening door Christus, zowel als op de verkiezing Gods. Indien wij denken aan Gods genadig voornemen, moeten wij het niet minder doen aan Christus' lijden en sterven, opdat hetzij wij waken, hetzij wij slapen (hetzij wij leven of dood zijn, want de dood is voor de gelovigen slechts een slaap, zoals de apostel tevoren heeft aangeduid) wij met Christus leven zouden, leven in vereniging met Hem in heerlijkheid voor eeuwig. En gelijk de zaligheid, waarop de Christenen hopen, bestaat in het altijd bij den Heere zijn, zo is de grondslag van deze hoop onze eenheid met Hem. Indien zij met Christus verenigd zijn' en leven in Hem, en leven voor Hem, dan zal de slaap des doods geen inbreuk maken op hun geestelijk leven, en nog veel minder op het leven in heerlijkheid hiernamaals. Integendeel, Christus stierf voor ons, opdat wij, hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, de Zijnen zouden zijn, opdat wij leven voor Hem zolang wij hier zijn, en eens leven met Hem wanneer wij daar komen.