Jozua 9:15-21
I. Hier is het verbond, dat spoedig met de Gibeonieten gesloten werd, vers 14, 15. Er werden niet vele formaliteiten bij gebruikt, de zaak werd kort afgedaan.
1. Zij kwamen overeen hen in het leven te behouden, en meer hebben de Gibeonieten niet gevraagd. In een gewone oorlog zou dit slechts een kleine zaak zijn om toegestaan te worden maar in de oorlogen van Kanaän, die tot een algemene verdelging moesten gevoerd worden was het voor een Kanaäniet een grote gunst, dat hem zijn leven tot een buit wordt gegeven, Jeremia 45:5.
2. Deze overeenkomst werd gesloten niet door Jozua alleen, maar door de oversten van de vergadering in vereniging met hem. Hoewel Jozua een buitengewone roeping had tot de regering, en er ook buitengewoon bekwaam en bevoegd toe was, wilde hij toch in een zaak van die aard niet handelen zonder de raad en de medewerking van de oversten, die noch in het duister, noch onder hun waarde gehouden werden, maar door hem behandeld werden als deelgenoten in de regering.
3. Zij werd bekrachtigd door een eed, zij zwoeren hun, niet bij de goden van Kanaän, maar alleen bij de God van Israël, vers 19. Zij, die eerlijke bedoelingen hebben, deinzen niet terug voor een eed, maar geven voldoening aan hen met wie zij handelen, en eer aan God door Hem tot getuige te roepen van de oprechtheid van hun bedoelingen.
4. In dit alles is geen andere schuld of verkeerdheid, dan dat het roekeloos gedaan werd. Zij namen van hun reiskost, en zagen dat die inderdaad oud en droog was, maar bedachten niet dat dit nog geen bewijs was, dat zij hem vers van huis hadden medegenomen, zodat zij, alleen hun zintuigen gebruikende, en niet hun verstand, de mannen aannamen (zoals de lezing is van de kanttekening) vanwege hun reiskost, door de beschouwing van hun brood en van de smaak er van hebben zij misschien bemerkt, niet alleen dat het nu oud was, maar dat het oorspronkelijk van zeer goede hoedanigheid is geweest, en hieruit maakten zij op dat die mannen personen van rang en aanzien waren, weshalve de vriendschap met hun land niet te versmaden was. Maar zij vroegen het de mond des Heeren niet. Zij hadden de urim en tummim bij zich, die zij in deze moeilijke zaak hadden kunnen raadplegen, en die zouden hun geen onwaarheid gezegd hebben, hen niet in dwaling hebben gebracht, maar zij steunden zozeer op hun eigen beleid, dat zij het onnodig vonden om de mond des Heeren om raad te vragen. Jozua zelf heeft hierin niet geheel onberispelijk gehandeld. Als wij voor enigerlei zaak niet op God wachten, Hem niet door het woord en het gebed om raad vragen dan maken wij meer haast dan goede spoed. Menigmaal hebben wij oorzaak om met leedwezen te bedenken, dat deze of geen zaak verkeerd is uitgekomen, omdat wij de mond des Heren niet gevraagd hebben. Indien wij Hem erkenden in al onze wegen, wij zouden ze veiliger, meer effen en voorspoediger vinden.
II. Weldra werd het bedrog ontdekt, waarmee dit verbond was verkregen. Een valse tong is maar voor een ogenblik, en de waarheid zal de dochter des tijds wezen. Binnen drie dagen bevonden zij, tot hun grote verrassing en verbazing dat de steden, voor welke deze gezanten onderhandeld hadden, geheel in hun nabijheid lagen, slechts op een nachtmars te voet van hun kamp te Gilgal, Hoofdstuk 10:9. Zij werden hiervan onderricht, hetzij door hun eigen verkenners, of door de benden, die uitgetogen waren op verkenning van het land, of misschien wel door deserteurs, die van de vijand tot hen overliepen. Zij, die zich door de listen van Satan laten bedriegen, zullen spoedig tot hun eigen beschaming ontgoocheld worden, en zullen hetgeen zij zo ver af waanden geheel nabij, ja aan hun deur vinden.
III. Het misnoegen van de vergadering hierover. Wèl hebben zij zich onderworpen aan het bedwang door dit verbond hun opgelegd, zij hebben noch de steden van de Gibeonieten geslagen noch de inwoners gedood, noch de buit geroofd, maar het ergerde hen dat hun aldus de handen gebonden waren, en zij murmureerden tegen de oversten, vers 18, meer uit naijver voor hun eigen gewin, vrezen wij, dan uit ijver voor het volbrengen van Gods gebod, hoewel sommigen van hen misschien dit ter harte namen. Velen zijn spoedig in de weer om de daden van vorsten af te keuren, terwijl zij onbekend zijn met de beweegredenen voor deze daden en onbevoegd zijn om te oordelen over de redenen van staat, waardoor zij werden geleid. Zolang wij er dus van overtuigd zijn dat zij, die over ons gesteld zijn, niets anders dan het openbare welzijn op het oog hebben en in oprechtheid het welvaren van het volk zoeken te bevorderen, dan behoren wij hun daden en handelingen in de beste zin op te vatten, en ons niet begeven in dingen, die ons begrip of beroep teboven gaan, Psalm 131:2. . IV. De verstandige handelwijze van de oversten om het misnoegde volk tevreden te stellen en de zaak te schikken. Hiertoe hebben al de oversten eensgezind samengewerkt, hetgeen het volk er ongetwijfeld toe neigde om te berusten.
1. Zij besloten het leven van de Gibeonieten te sparen, want dit hadden zij uitdrukkelijk onder ede beloofd te doen, vers 15.
A. De eed was wettig, anders zouden zij er niet door gebonden zijn, evenmin als Herodes door zijn eed gebonden was om Johannes te onthoofden. Het is waar: God had hun bevolen al de Kanaänieten te verdelgen, maar die wet moet verklaard worden "in favorem vitae, ten behoeve van het leven" als diegenen alleen te bedoelen, die tegenstand boden en hun land niet aan hen wilden afstaan, maar niet dat zij er zover door verbonden waren dat zij zó ongevoelig moesten blijven voor: alle eer en menselijkheid, dat zij mensen moesten doden, die nooit een hand tegen hen hadden opgeheven, en het ook nooit zouden, doen, maar voordat zij nog tot de uiterste nood waren gekomen, of enigerlei daad van vijandschap beproefd hadden, zich eenstemmig hadden verootmoedigd, de koningen van het huis Israëls waren daartoe te goedertieren, I Koningen 20:31, en de God van Israël een te barmhartig God om dit te bevelen, "Satis est prostrâsse leoni-Het is genoeg ten behoeve van de leeuw neergeworpen te zijn." En daarenboven, de reden van de wet is de wet, het kwaad dat deze wet bedoelde te voorkomen, was het besmetten van de Israëlieten met hun afgoderij, Deuteronomium 7:4. Maar indien de Gibeonieten hun afgoderij verzaken vrienden en dienstknechten worden van het huis Gods, dan is dit gevaar voor goed uit de weg geruimd, de reden van de wet bestaat dan niet meer, en bijgevolg is er de verplichting ook van opgeheven. De bekering van zondaren voorkomt hun verderf.
B. De eed wettig zijnde, zijn de oversten en het volk, in welks naam zij hadden gehandeld er door gebonden, gebonden in eer en geweten aan de God van Israël, bij wie zij hadden gezworen, en wiens naam door de Kanaänieten gelasterd zou zijn, indien zij deze eed hadden geschonden. Zij spreken als degenen, "die de eed vrezen," Prediker 9:2, toen zij aldus redeneerden: " Wij zullen hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij om des eeds wil, die wij hun gezworen hebben, vers 20. Hij, die een belofte bekrachtigt met een eed, roept de Goddelijke wraak over zich in, indien hij moedwillig zijn belofte verbreekt, en hij heeft reden te verwachten dat de Goddelijke gerechtigheid hem aan zijn woord zal houden. God laat zich niet bespotten, en daarom moet er met eden niet geschertst of gebeuzeld worden. De oversten zullen hun woord houden:
a. Hoewel zij er verlies door lijden. Als een burger van Zion "zweert tot zijn schade, verandert hij toch niet," Psalm 15:4. Toen Jozua en de oversten bemerkten dat het in hun nadeel was, dat zij zich aldus verbonden hadden, hebben zij zich niet tot Eleazar gewend om dispensatie er van, en nog veel minder hebben zij beweerd dat men geen trouw behoefde te houden aan ketters, aan Kanaänieten, neen, zij waren vreemdelingen voor de hedendaagse kunstenarijen van de Roomse kerk om aan de heiligste verplichtingen te ontkomen en zelfs de meineed te heiligen.
b. Hoewel het volk er misnoegd om was, en hun ontevredenheid in muiterij had kunnen eindigen, wilden de oversten toch hun overeenkomst met de Gibeonieten niet verbreken. Wij moeten ons noch door hoog noch door laag laten intimideren om een zondige daad te doen, en tegen ons geweten te handelen.
c. Hoewel zij door list tot het aangaan van dat verbond gekomen waren, en dus een schoonschijnend voorwendsel gehad zouden hebben om het van nul en gener waarde te verklaren, hebben zij er toch aan vastgehouden. Zij zouden hebben kunnen aanvoeren, dat dit wel de mannen waren met wie zij een verbond gemaakt hadden, maar deze niet de steden waren, waarvoor het verbond gemaakt en bekrachtigd was. Zij hadden beloofd zekere opgenoemde, zeer ver afgelegen steden te sparen, en wel uit de bepaalde overweging dat zij ver afgelegen waren, maar deze steden waren geheel nabij hen en dus niet de steden, voor welke het verbond was aangegaan. En vele geleerde uitleggers zijn van oordeel geweest, dat zij zó grof door de Gibeonieten bedrogen waren, dat het wettig voor hen geweest zou zijn om hun belofte te herroepen, maar om hun goede naam op te houden, en in Israël eerbied te bewaren voor de eed, hebben zij haar gestand willen doen. Het is echter duidelijk dat zij er zichzelf gebonden aan hebben geacht, en dat zij vreesden dat de toorn Gods over hen zou komen indien zij haar verbraken. En hoe hun standvastig blijven bij hun belofte ook mishaagde aan de vergadering, het is duidelijk dat het Gode welbehaaglijk was, want toen zij ingevolge dit verbond de bescherming van de Gibeonieten op zich hebben genomen, heeft God hun de glorierijkste overwinning gegeven van allen, die zij in hun oorlog ooit behaald hebben, Hoofdstuk 10, en lang daarna heeft Hij het onrecht, dat Saul de Gibeonieten in schending van dit verbond heeft aangedaan, streng gewroken, 2 Samuël 21:1. Laat dit ons allen er van overtuigen, dat wij nauwgezet onze beloften moeten houden, ons woord moeten nakomen, als wij het eens gegeven hebben. Indien een verbond, dat door zoveel leugen en bedrog verkregen werd, niet verbroken mocht worden, zullen wij er dan aan denken aan de verplichting te willen ontkomen van een verbond, dat in alle eerlijkheid en oprechtheid gesloten werd? Indien het bedrog van anderen onze leugen niet zal rechtvaardigen of verontschuldigen, dan zal de eerlijkheid van anderen gewis ons oneerlijk handelen met hen veroordelen.
2. Hoewel zij hun leven spaarden, hebben zij hun toch hun vrijheid ontnomen, zij veroordeelden hen om houthakkers en waterputters te zijn van de gehele vergadering, vers 21. Door dit voorstel werd de misnoegde vergadering tevreden gesteld, want:
a. Zij, die er toornig om waren dat de Gibeonieten leefden, konden tevreden zijn, toen zij hen veroordeeld zagen tot hetgeen, naar het algemene begrip, erger is dan de dood, namelijk altijddurende dienstbaarheid. b. Zij, die er toornig om waren dat zij niet beroofd mochten worden, konden tevreden zijn, als hun dienst aan de vergadering meer tot voordeel was van het algemeen, dan hun beste goederen of bezittingen zouden geweest zijn. Kortom, de Israëlieten zullen er noch in hun eer, noch in hun wereldlijk voordeel iets bij verliezen, dat dit verbond met de Gibeonieten gemaakt en gehouden is, overtuig hen hiervan, en zij zullen tevreden wezen.