2 Samuël 24:18-25
I. Wij hebben hier een bevel, gezonden aan David, om een altaar op te richten op de plaats, waar hij de engel gezien had, vers 18. Dit moest aan David te kennen geven:
1. Dat op zijn onderworpenheid en herhaalde verootmoediging, God nu volkomen met hem verzoend was, want als het de Here had behaagd hem te doden, Hij zou zijn offerande niet hebben aangenomen, en hem dus niet bevolen hebben een altaar te bouwen. Dat God ons aanmoedigt om Hem geestelijke offeranden te offeren, is een troostrijk bewijs, dat Hij met ons verzoend is.
2. Dat er vrede gemaakt is tussen God en de zondaren door offeranden, maar op geen andere wijze, namelijk door Christus, het grote zoenoffer, van wie al de offers van de wet typen zijn geweest. Het is om Zijnentwil, dat aan de verderfengel geboden wordt zijn hand af te trekken.
3. Dat wij, als Gods oordelen genadig ophouden, dit met dankbaarheid moeten erkennen tot Zijn lof. Dit altaar was bestemd voor dankoffers. Zie Jesaja 12:1.
II. Davids aankoop van de grond hiervoor. Het schijnt dat de eigenaar een Jebusiet was, Arauna genaamd, die ongetwijfeld tot de Joodse Godsdienst was bekeerd, hoewel hij van geboorte een heiden was, en wie het daarom vergund was niet alleen onder de Israëlieten te wonen, maar een eigen bezitting te hebben in de stad, Leviticus 25:29, 30. Het stuk gronds was een dorsvloer, een geringe plaats, en toch aldus geëerd, een plaats van arbeid, en daarom aldus geëerd.
1. David ging in eigen persoon tot de eigenaar, om met hem te onderhandelen. Let op zijn rechtvaardigheid, dat hij het in de tegenwoordige dringende omstandigheid, hoewel de eigenaar een vreemdeling en hij zelf een koning was, en hoewel hij uitdrukkelijke orders van God had om aldaar een altaar op te richten, niet wilde gebruiken voor hij het gekocht en betaald had. God haat de roof in het brandoffer. Zie zijn nederigheid, hoever het van hem was om pracht en staatsie te vertonen. Hoewel hij koning was, was hij nu een boeteling, en daarom heeft hij, ten teken van zijn zelfvernedering, noch Arauna bij zich ontboden, noch iemand gezonden om met hem te onderhandelen, maar is hij zelf tot hem gegaan, vers 19, en hoewel het een verkleining voor hem scheen, heeft hij er toch niets bij verloren van zijn eer of waardigheid. Toen Arauna hem zag, kwam hij en boog zich ter aarde voor de koning, vers 20. Grote mannen zullen om hun nederigheid nooit minder geëerbiedigd worden, maar wel des te meer.
2. Toen Arauna hoorde wat de zaak was, vers 21, bood hij hem edelmoedig niet alleen de grond aan, om er het altaar op te bouwen, maar ook runderen ten brandoffer, en andere dingen, die hem nuttig konden zijn tot deze dienst, vers 22, en dit alles gratis met een goed gebed er bij: De Here, uw God, neme een welgevallen aan u! Dit deed hij:
a. Omdat hij met een grote bezitting een edelmoedig hart had. Hij gaf als een koning, vers 23, hoewel hij een gewoon onderdaan was, had hij de gezindheid van een vorst. In het Hebreeuws luidt de tekst: Hij gaf, namelijk de koning aan de koning, waaruit afgeleid wordt, dat Arauna aan die plaats koning van de Jebusieten is geweest, of een afstammeling was van hun koninklijke familie, ofschoon hij thans een schatplichtige was aan David. b. Omdat hij David zeer vereerde, hoewel die zijn overwinnaar was, vanwege zijn persoonlijke verdiensten, en dacht dat hij nooit te veel kon doen om hem te verplichten.
c. Omdat hij genegenheid had voor Israël, en vurig begeerde dat de plaag zou ophouden van over het volk en de eer, dat zij ophield bij zijn dorsvloer achtte hij een zeer kostelijke vergoeding voor alles, wat hij nu aan David aanbood.
3. David besluit er de volle prijs voor te betalen, en doet dit, vers 25. Hier hebben twee edelmoedige zielen elkaar ter rechter tijd ontmoet. Arauna is gaarne bereid te geven, maar David is vast besloten te kopen, en om een goede reden, hij wil Gode niet offeren wat hem niets kost. Hij wilde zijn voordeel niet doen met des vromen Jebusiets edelmoedigheid. Ongetwijfeld betuigt hij hem dank voor zijn vriendelijk aanbod, maar betaalt hem nu vijftig zilveren sikkelen voor de dorsvloer en de runderen voor de tegenwoordige dienst, en later zes honderd gouden sikkelen voor de belendende grond om er de tempel op te bouwen. Diegenen weten niet wat Godsdienst is, die er alleen maar op uit zijn om hem goedkoop en gemakkelijk voor zichzelf te maken, en het meest ingenomen zijn met hetgeen hun de minste moeite en het minste geld kost. Waar anders hebben wij ons geld en goed voor dan om er God mee te eren? En hoe zou het beter besteed kunnen worden?
III. Het bouwen van het altaar en het offeren van de behoorlijke offers er op, vers 25, brandoffers ter ere van Gods gerechtigheid in het oordeel dat Hij over het volk heeft doen komen, en dankoffers ter ere van Zijn genade, waarmee Hij intijds de plaag heeft doen ophouden. Hierop toonde God (men onderstelt door vuur van de hemel om de offeranden te verteren) dat Hij den lande verbeden was, en dat de plaag in genade was weggenomen ten teken, dat God met vorst er. volk verzoend was. Christus is ons altaar, ons offer, alleen in Hem kunnen wij verwachten gunst en genade bij God te vinden te ontkomen aan Zijn toorn, en aan het zwaard, het vlammend zwaard van de cherubim, die de weg van de boom des levens bewaren.