1 Samuël 30:21-31
Wij hebben hier een bericht omtrent de verdeling van de buit, die van de Amalekieten genomen was. Toen de Amalekieten een rijke buit hadden weggevoerd van het land van Juda en van de Filistijnen, hebben zij hem in zingenot doorgebracht, etende en drinkende, en er zich vrolijk mee makende, maar David heeft op andere wijze over de geroofde buit beschikt, als die wist dat gerechtigheid en liefdadigheid ons moeten besturen in ons gebruik maken van alles wat wij hebben in deze wereld. God wil dat wij met hetgeen Hij ons geeft goed zullen doen, maar niet onze lusten er mee zullen dienen. In de verdeling van de buit:
I. Was David rechtvaardig en vriendelijk voor hen, die bij het gereedschap gebleven waren. Zij gingen uit om de overwinnaars geluk te wensen met hun voorspoed, waartoe zij niet bij machte waren geweest bij te dragen, vers 21 , want wij behoren ons te verblijden als er een goed werk gedaan is, al werden wij door Gods voorzienigheid terzijde gelegd, onbekwaam gemaakt om er de hand toe te lenen.
David ontving hun toespraak zeer vriendelijk en was er zover af hun hun zwakheid te verwijten, dat hij zich bezorgd om hen toonde. Hij vroeg hun naar de welstand, omdat hij hen zwak en moe had achtergelaten, en hij wenste hun vrede, zei hun goedsmoeds te zijn, daar zij bij hun achterblijven niets zullen verliezen, want daar schenen zij voor te vrezen, dat David hun misschien aanzag.
1. Er waren onder hen, die er tegen waren, dat deze twee honderd achterblijvers in de buit zouden delen. Sommige van Davids krijgslieden, waarschijnlijk dezelfden, die gesproken hadden van hem te stenigen, spraken nu van hun broeders tekort te doen, zij worden boze mannen en Belials mannen genoemd, vers 22.
Laat de beste mensen het niet vreemd vinden dat zij zeer slechte personen bij zich hebben, en niet kunnen overmogen om hen beter te maken. Wij kunnen onderstellen dat David zijn krijgslieden heeft onderwezen, met hen heeft gebeden, en toch waren velen van hen boze mannen, Belialsmannen, dikwijls verschrikt door de vreze des doods, en toch nog boze mannen en Belialsmannen. Zij stelden voor dat de twee honderd mannen, die bij het gereedschap gebleven waren, alleen hun vrouwen en kinderen terug zouden krijgen, maar niets van hun goed. Wel mochten zij boze mannen genoemd worden, want dit doet hen kennen:
a. Als zeer hebzuchtig en begerig naar gewin, want door hun voorstel zou -als het aangenomen werd-hun eigen aandeel groter worden. Kort tevoren zouden zij gaarne de helft van het hun gegeven hebben, om de andere helft terug te kunnen krijgen, maar nu zij geheel hun eigendom terughebben, zijn zij niet tevreden, of zij moeten ook nog hebben wat van hun broeders is, zo spoedig vergeten de mensen hun nederige staat. Allen zoeken het hun, en maar al te dikwijls meer dan het hun.
b. Zeer wreed voor hun broeders, want hun wel hun vrouwen en kinderen te geven, maar niet hun goederen, dat was hun monden te geven zonder de spijs. Welke blijdschap konden zij smaken in hun gezin, als zij niets hadden om het te onderhouden? Was dit aan anderen doen, wat zij zouden wensen dat aan hen gedaan werd? Dezen zijn in waarheid Belialsmannen, die er vermaak in vinden hard te zijn tegenover hun broeders, er zich niet om bekommeren als anderen verhongeren, zo zij zelf volop te eten hebben.
2. David wilde dit volstrekt niet toestaan, maar gebood dat zij, die bij het gereedschap gebleven waren, gelijk zouden delen in de buit met hen, die in de strijd mee afgetogen waren, vers 23, 24. Dit deed hij:
A. In dankbaarheid aan God. De buit, die wij hebben, heeft God ons gegeven, wij hebben die van Hem, en daarom moeten wij hem gebruiken onder Zijn leiding, zoals het aan goede rentmeesters betaamt.
Laat dit ons terughouden, als wij in verzoeking zijn, om hetgeen God ons toevertrouwd heeft van de goederen van deze wereld, verkeerd aan te wenden: "Neen zo moet ik niet handelen met hetgeen God mij gegeven heeft, ik moet Satan of lage lusten niet dienen met de dingen, die niet slechts de schepselen van Zijn macht zijn, maar de gaven van Zijn milddadigheid. God heeft ons recht gedaan, door de bende, die tegen ons kwam, in onze hand te geven, Iaat ons dan geen onrecht doen aan onze broederen, God is goed voor ons geweest door ons te bewaren en ons de overwinning te geven, laat ons dan niet slecht of onvriendelijk zijn voor hen." Gods barmhartigheid jegens ons moet ons barmhartig maken voor elkaar.
B. In rechtvaardigheid jegens hen. Het is waar: zij bleven achter, maar:
a. Het was niet uit gebrek aan goeden wil ten opzichte van de zaak, maar omdat zij de kracht niet hadden om met hen op te trekken. Het was niet hun schuld, maar hun ongeluk, en daarom moeten zij er niet voor lijden.
b. Hoewel zij nu achtergebleven waren, hadden zij tevoren menigen strijd mee gestreden, zich even moedig van hun plicht gekweten als hun broeders, nu er iets te verdelen en te genieten is, moeten hun vorige diensten in aanmerking worden genomen.
c. Zelfs nu hebben zij goede dienst bewezen, want zij bleven bij het gereedschap, om datgene te bewaren, waar iemand toch voor zorgen moest, en dat anders in de handen van een andere vijand had kunnen vallen.
Iedere post in de dienst is niet een gelijke post van eer, maar zij, die de algemene belangen dienen al is het dan ook op een mindere plaats, moeten in de algemene voordelen delen, zoals in het natuurlijke lichaam heeft ieder lid zijn eigen gebruik, en moet dus zijn deel van de voeding hebben. Aldus heeft David:
Ten eerste. Het voorstel van de Belialsmannen teniet gedaan, hen er van teruggebracht door kracht van redenen, maar met zeer veel zachtmoedigheid, (want de kracht van de rede volstaat zonder de kracht van de hartstocht) hij noemt hen zijn broeders, vers 23. De meerderen verliezen dikwijls hun gezag door hoogheid, maar zelden door beleefdheid en inschikkelijkheid.
Ten tweede. Aldus heeft hij die zaak ook voor het vervolg vastgesteld, maakte hij het tot een inzetting en recht in zijn koninkrijk (een wet van de verdeling, "primo Davidis in het eerste jaar van Davids regering") een krijgswet, vers 25 dat, gelijk het deel is desgenen die in de strijd mee afgetogen is, en zijn leven waagt op de hoogten des velde, zo zal het deel wezen van hem, die bij het gereedschap is gebleven.
Abraham heeft de roof van Sodom aan de rechte eigenaars teruggegeven, en heeft zijn recht er op, "jure belli-ontleend aan de wetten van de oorlog" -afgestaan. Genesis 14:1-24.
Als wij anderen helpen om hun recht te herkrijgen, dan moeten wij niet denken dat hierdoor het eigendom vervreemd wordt, ons eigendom wordt.
God heeft bevolen dat de roof van Midian verdeeld zou worden tussen de krijgslieden en de gehele vergadering, Numeri 31:27.
Het geval hier was enigszins anders maar werd toch naar de algemenen regel geschikt-namelijk dat wij elkanders leden zijn.
In de beginne hadden de discipelen alle goederen gemeen, en nog moeten wij gaarne mededelende zijn, 1 Timotheus 6:18.
Toen de koningen van de heirscharen wegvloden, heeft zij, die te huis bleef, de roof uitgedeeld, Psalm 68:13.
II. David was mild en vriendelijk voor al zijn vrienden. Toen hij aan ieder het zijne had gegeven met interest, was er nog een aanzienlijk overschot, waarover David, als generaal had te beschikken. De buit uit de tenten van de Amalekieten bestond waarschijnlijk grotendeels in gouden en zilveren sieraden en vaatwerk Richteren 8:24, 26, en omdat hij dacht dat die dingen zijn krijgslieden slechts trots en verwijfd zouden maken, vond hij goed en gepast ze als geschenken te zenden aan zijn vrienden de oudsten van Juda, vers 26.
Er worden hier verscheiden plaatsen genoemd, waar hij deze geschenken heenzond, allen in of nabij de stam van Juda. De eerste plaats, die genoemd wordt is Bethel, wat betekent: het huis Gods: die plaats zal, om haars naams wil, het eerst bediend worden. Of misschien is hier niet de stad van die naam bedoeld, maar de plaats waar de ark zich bevond, en die daarom het huis Gods was. Daarheen zond David het eerste en het beste, aan hen, die daar dienden, om de wille van Hem, die de eerste en de beste is. Hebron wordt het laatst genoemd, vers 31, waarschijnlijk omdat hij daar het overschot heenzond, dat het ruimste deel was, daar hij op die plaats het oog had als het meest geschikt om er zijn hoofdkwartier te vestigen. 2 Samuël 2:1.
In dit zenden van deze geschenken door David, hebben wij op te merken:
1. Zijn edelmoedigheid. Het was niet zijn bedoeling zich te verrijken, maar zijn land te dienen, daarom heeft God hem later verrijkt en hem gesteld om te heersen over het land dat hij had gediend. Het betaamt Godvruchtigen milddadig te wezen, "daar is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt". 2. Zijn dankbaarheid. Hij zond geschenken tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen, vers 31, dat is: tot allen, waarvan hij vriendelijkheid had ontvangen, die hem beschut hadden, hem berichten of levensmiddelen hadden gezonden. De eerlijkheid zowel als de eer, verplicht ons de gunsten te vergelden, die ons bewezen zijn, zoveel tenminste als in ons vermogen is.
3. Zijn Godsvrucht. Hij noemt het een zegen, want geen geschenk, dat wij aan onze vrienden geven, zal hun nuttig of aangenaam zijn, dan wanneer het door de zegen van God aldus wordt gemaakt, het geeft te kennen dat zijn gebeden voor hen zijn geschenk vergezelden, en ook, dat hij ze zond van den buit der vijanden des HEEREN, (zo noemt hij hen, niet zijn vijanden) opdat zij zich zouden verblijden in de overwinning om des Heeren wil, en zich met hem zouden verenigen in dankzegging er voor.
4. Zijn staatkunde, dat hij deze geschenken zond onder zijn landgenoten, om hen te verplichten om bij zijn aanstaande troonsbestijging zich voor hem te verklaren. De gift des mensen maakt hem ruimte. Hij was geschikt om koning te zijn, die aldus koninklijke milddadigheid heeft betoond. Weldadigheid strekt de mens meer tot lof dan grootdadigheid.
De Zifieten ontvingen geen van die geschenken, evenmin als de mannen van Kehila, en daarmee toonde hij, dat hij heilig genoeg was om geen beledigingen te wreken, maar ook niet dwaas genoeg was, om ze niet op te merken.