1 Samuël 27:1-7
I. Hier wordt David overmocht door vrees, die een gevolg was van de zwakheid van zijn geloof, vers 1. "Hij zei tot zijn hart" (aldus kan deze zin gelezen worden) in zijn te rade gaan er mee betreffende zijn tegenwoordigen toestand: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen. Hij stelde zich de rusteloze woede en boosaardigheid voor van Saul, die in geen verzoening kon overgaan, en het verraad van zijn eigen landgenoten, getuige dat van de Zifieten, eenmaal en nogmaals. Hij zag op zijn krijgsmacht en merkte op hoe gering zij was, en dat er sedert lang geen recruten tot hem gekomen waren, hij kon ook niet zien dat hij veld won, en zo geraakte hij in een treurige stemming en zegt: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen.
Maar, o gij kleingelovige, waarom wankelt gij? Was hij niet tot koning gezalfd?
Lag daar de verzekering niet in opgesloten, dat hij voor het koninkrijk bewaard zal worden? Hij had geen reden om op Sauls beloften te vertrouwen, maar had hij niet alle mogelijke redenen om op Gods beloften te vertrouwen? Zijn ervaring van Gods bijzondere zorg over hem had hem moeten bemoedigen.
Hij, die verlost heeft, verlost nog en zal ook later verlossen. Maar ongeloof is een zonde, die ook Godvruchtige mensen lichtelijk omringt. Als er van buiten strijd is, dan is er van binnen vrees, er. het is moeilijk die te overwinnen. Heere, vermeerder ons het geloof!
II. Het besluit waartoe hij hierop kwam. Nu Saul voor het ogenblik teruggekeerd was naar zijn plaats, wil hij gebruik maken van die gelegenheid om zich terug te trekken in het land van de Filistijnen. Alleen zijn eigen hart raadplegende, maar noch de efod, noch de profeet komt hij tot het besluit: mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen.
Door langdurige beproevingen zijn het geloof en de lijdzaamheid, zelfs van zeer Godvruchtige mensen in gevaar van te verflauwen. Nu was:
1. Saul een vijand van zichzelf en van zijn koninkrijk, door hem tot dit uiterste te drijven. Hij deed afbreuk aan zijn eigen belangen, toen hij zo bekwaam een veldoverste als David was en zo dapper een regiment als waarover die het bevel voerde, van zijn dienst uitwierp en hen dwong in de dienst van zijn vijanden te treden.
2. Was David geen vriend van zichzelf door die maatregel te nemen. God had hem bevolen zijn standaard op te richten in het land van Juda, Hoofdstuk 22:5, daar had God hem wonderbaar bewaard en hem soms gebruikt tot welzijn van zijn land, waarom moet hij er dan nu aan denken zijn post te verlaten?
Hoe kon hij de bescherming verwachten van de God Israëls, als hij buiten de grenzen ging van het land Israëls? Kan hij verwachten veilig te zijn onder de Filistijnen, uit wier handen hij onlangs zo ternauwernood was ontkomen door zich krankzinnig te veinzen?
Zal hij zich nu onder verplichting brengen aan hen, aan wie hij, naar hij weet, als hij koning zal zijn, geen vriendelijkheid kan vergelden, maar verplicht zal zijn hen te beoorlogen? Hiermede zal hij genoegen doen aan zijn vijanden, die hem zeggen andere goden te gaan dienen, teneinde iets te hebben dat zij hem kunnen verwijten en de handen van zijn vrienden verzwakken, die niets zullen hebben om op dit verwijt te antwoorden. Zie hoe nodig het ons is te bidden: "HEERE, leid ons niet in verzoeking".
III. Zijn vriendelijk onthaal te Gath. Achis heette hem welkom, deels uit grootmoedigheid, daar hij er fier op was zo dapper en kloekmoedig een man gastvrijheid te verlenen, deels uit staatkundige overweging, hopende hem voor altijd aan zijn dienst te verbinden, en dat door zijn voorbeeld ook anderen er toe gebracht zullen worden hun land te verlaten en tot hem te komen.
Ongetwijfeld heeft hij aan David een plechtige belofte van bescherming gegeven waarop hij kon bebouwen, toen hij op Sauls belofte niet kon bebouwen. Het kan ons doen blozen te denken, dat het woord van een Filistijn betrouwenswaardiger is dan dat van een Israëliet, die, indien hij waarlijk een Israëliet was zonder bedrog zou wezen, en dat de stad Gath een toevlucht zou zijn voor een Godvruchtig man, als de steden Israëls hem een veilig verblijf weigeren.
1. David nam zijn mannen mee, vers 2, ten einde hem tot wacht te dienen, en zelf veilig te zijn waar hij was, en ook om zich hierdoor te meer aan te bevelen aan Achis, die hoopte diensten van hen te zullen verlangen.
2. Hij nam ook zijn gezin mee, zijn vrouwen. Ook zijn mannen brachten hun gezinnen mede, vers 2, 3. Hoofden van gezinnen behoren te zorgen voor hun gezin, hen te beschermen die van hun huis zijn, en in hun onderhoud te voorzien, bij hen te wonen met verstand.
IV. Sauls afzien van hem nog verder te vervolgen, vers 4, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. Dit geeft te kennen dat hij in weerwil van zijn betuiging van berouw die hij onlangs gedaan had, het wel beproefd zou hebben David een slag toe te brengen, indien hij hem slechts onder zijn bereik had gehad. Omdat hij echter niet durft komen waar David is, besluit hij hem maar met rust te laten. Zo schijnen velen hun zonden na te laten, terwijl in werkelijkheid hun zonden hen verlaten, zij zouden er wel in volhard hebben, zo zij het slechts gekund hadden. Saul zocht hem niet meer, zich tevreden stellende met zijn ballingschap, daar hij zijn bloed niet kon hebben, en misschien hopende, zoals vroeger, Hoofdstuk 18:25, dat hij vroeg of laat door de hand van de Filistijnen geveld zal worden, en hoewel hij liever het genoegen gesmaakt zou hebben van zelf hem te doden, zal hij tevreden zijn als anderen het doen.
V. Davids vertrek van Gath naar Ziklag.
1. Davids verzoek om verlof om heen te gaan was verstandig en zeer bescheiden, vers 5.
a. Het was wezenlijk verstandig. David wist wat het was om benijd te worden aan het hof van Saul, en had nog veel meer reden om te vrezen aan het hof van Achis, daarom weigert hij er bevordering, en wenst een vestiging op het land, waar hij in afzondering kan leven, meer met zichzelf kan zijn, en minder anderen in de weg. In een eigen stad kon hij ook in meer vrijheid zijn Godsdienst uitoefenen, er zijn mannen beter aan houden, en zal zijn rechtvaardige ziel niet, zoals te Gath, gekweld worden door de afgoderijen van de Filistijnen. b. Zoals het aan Achis werd voorgesteld was het zeer bescheiden. Hij schrijft hem niet voor welke plaats hij hem zal toekennen, verzoekt slechts dat het een stad zal zijn ergens op het land, waar het hem zou believen. Die iets verzoeken, moeten niet kieskeurig zijn, maar hij geeft dit als reden op: waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? Zij, die vast willen staan, moeten niet begeren hoog te staan, en nederige zielen streven er niet naar in koninklijke steden te wonen.
2. De schenking, die Achis hem deed op zijn verzoek, was zeer edelmoedig en vriendelijk, vers 6, 7. Achis gaf hem Ziklag. Hierdoor:
a. Verkreeg Israël zijn aloud recht, want Ziklag was in het lot van de stam van Juda, Jozua 15:31, en werd later uit dat lot met enige andere steden toegewezen aan Simeon, Jozua 19:5. Maar het was of nooit tenonder gebracht, of de Filistijnen hebben er zich in de een of andere worsteling met Israël meester van gemaakt. Misschien hebben zij het op onrechtvaardige wijze verkregen, en Achis, een man van verstand en van eer zijnde, nam de gelegenheid waar om het terug te geven, De HEERE dan vergelde aan een ieglijk zijn gerechtigheid, 1 Samuël 26:23.
b. David verkreeg een gerieflijke vestiging, niet slechts op een goede afstand van Gath, maar aan de grenzen van Israël, waar hij in gemeenschap kon blijven met zijn eigen landslieden, en waar zij tot hem konden komen in de omwenteling, die nu aanstaande was. Hoewel wij niet bevinden dat zijn krijgsmacht vermeerderd is, zolang Saul leefde, (want, Hoofdstuk 30:10 hij had nog slechts zijn zes honderd mannen) was daar toch terstond na de dood van Saul de algemene plaats van bijeenkomst voor zijn vrienden. Ja het schijnt, dat terwijl hij zich in afzondering hield vanwege Saul, er toch velen tot hem gekomen zijn, om hem tenminste van hun oprechte bedoelingen te verzekeren, 1 Kronieken 12:1-22. Ook verkreeg David nog dit voordeel, dat Ziklag aan de kroon kwam, het recht er op verbleef voortaan aan de koningen van Juda, vers 6. Door nederigheid en bescheidenheid en bereidwilligheid om zich op de achtergrond te houden zal men niets verliezen. Werkelijke voordelen vallen hun ten deel, die denkbeeldige eer afwijzen. Hier bleef David nu enigen tijd, namelijk vier maanden zoals het gelezen kan worden vers 7, of enige dagen meer dan vier maanden. De LXX geven de lezing enige maanden, zolang wachtte hij op de tijd van zijn komst op de troon, want wie gelooft die zal niet haasten.