2 Samuël 1:11-16
I. Hier zien wij hoe David die tijding ontving. Zo weinig is hij in vervoering van vreugde gekomen, zoals de Amalekiet verwacht had dat hij in onbedwingbaar wenen uitbarst: Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze, desgelijks ook al de mannen, die met hem waren, vers 11, en zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israëls, omdat zij door het zwaard gevallen waren, vers 12 niet alleen over zijn volk Israël en Jonathan, zijn vriend, maar over Saul, zijn vijand.
Dit deed hij niet alleen als man van eer, om de betamelijkheid in acht te nemen, die ons verbiedt hen te honen, die gevallen zijn, en van ons eist bloedverwanten met eerbied naar hun graf te brengen, wat wij ook door hun leven mogen hebben verloren of door hun dood zullen winnen, maar ook als een goed en Godvruchtig man, en een nauwgezet man, die de beledigingen en het kwaad, hem door Saul aangedaan, had vergeven en hem geen wrok toedroeg. Hij wist, voordat zijn zoon het had geschreven, dat, zo wij ons verblijden als onze vijand valt, de Heere het ziet, en dat het kwaad is in Zijn ogen, Spreuken 24:17, 18.
Hieruit blijkt dat die plaatsen in zijn psalmen, die zijn begeerte uitdrukken naar en zijn verblijden in het verderf van zijn vijanden, niet voortkomen uit een geest van wraakzucht of van een ongebreidelde hartstocht, maar uit heilige ijver voor de eer Gods en het openbare welzijn, want uit wat hij hier deed bij het vernemen van Sauls dood, kunnen wij bemerken, dat hij zeer teerhartig was zelfs jegens hen, die hem haatten.
Zonder enige twijfel was hij zeer oprecht in zijn weeklagen over Saul, was het niet voorgewend. Zijn gemoedsbeweging was zo sterk bij die gelegenheid, dat zij die hem omringden er door aangedaan werden, al de mannen die met hem waren hebben-tenminste uit beleefdheid voor hem-ook hun klederen gescheurd, en ten teken van hun droefheid vastten zij tot aan de avond. Het was waarschijnlijk een Godsdienstig vasten, zij verootmoedigden zich onder de hand Gods, en baden om het herstel van de breuken, die door deze nederlaag in Israël waren gekomen.
II. Het loon, dat hij gaf aan hem, die hem de tijding heeft gebracht, inplaats van hem te bevorderen, heeft hij hem gedood, uit zijn eigen mond heeft hij hem geoordeeld als een moordenaar van zijn vorst, en hij gebood dat hij terstond dieswege gedood zou worden.
Welk een ontzetting moet dit geweest zijn voor de bode, die dacht dat hem gunst zou worden betoond voor zijn moeite! Tevergeefs pleitte hij dat Saul het hem bevolen had, dat het in werkelijkheid een vriendelijkheid was die hij hem er mee had bewezen, daar hij toch onvermijdelijk had moeten sterven, al die pleitredenen worden teniet gedaan: Uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: "ik heb den gezalfde des HEEREN gedood, vers 16, en daarom moet gij sterven".
1. Nu heeft David hierin niet onrechtvaardig gehandeld. Want:
a. De man was een Amalekiet. Uit vrees van dit verkeerd begrepen te hebben in zijn verhaal, heeft hij het hem ten tweede keer doen herhalen, vers 13. Die natie was met alles wat er toe behoorde aan het verderf gewijd, zodat David door hem te doden gedaan heeft wat zijn voorganger had moeten doen, die verworpen werd omdat hij het niet gedaan heeft, zie 1 Samuël 15:3.
b. Hij heeft de misdaad bekend, zodat er volgens alle wetten genoegzaam bewijs was om hem schuldig te verklaren. Indien hij gedaan heeft wat hij zei gedaan te hebben, dan verdiende hij te sterven wegens verraad, vers 14, doende wat hij naar alle waarschijnlijkheid Sauls eigen wapendrager had horen weigeren te doen.
Indien hij het niet gedaan had, dan toonde hij toch duidelijk door er zich op te beroemen dat hij het gedaan heeft, dat hij het gedaan zou hebben indien hij er de gelegenheid toe had gehad, en er geen bezwaar in zou hebben gevonden.
En, door er zich bij David op te beroemen, toonde hij welke mening hij van hem had, dat hij er zich in verblijd zou hebben, alsof hij geheel en alzo als hij was, wat een onduldbare belediging was voor hem, die zelf eens en nogmaals geweigerd had zijn hand uit te strekken om de gezalfde des Heeren te verderven.
En zijn liegen bij David-indien hij gelogen heeft-was hoogst misdadig, en bleek, zoals die zonde vroeg of laat altijd zal blijken -een liegen te zijn tegen zijn eigen hoofd.
2. Hij heeft eervol en wèl gehandeld. Hiermede toonde hij de oprechtheid van zijn droefheid, ontmoedigde hij alle anderen om te denken dat zij zich door hetzelfde te doen, aangenaam bij hem konden maken, en deed wat waarschijnlijk het huis van Saul aan hem zou verplichten, en hen zou winnen, en hem zou aanbevelen bij het volk als een man, die ijverde voor de openbare gerechtigheid, zonder daarbij acht te slaan op zijn bijzondere belangen. Hieruit kunnen wij leren dat iemand hulp te verlenen bij zelfmoord, middellijk of onmiddellijk, als het met bewustheid gedaan wordt, bloedschuld meebrengt, en dat het leven van vorsten ons in zeer bijzonderen zin dierbaar moet wezen.