2 Corinthiërs 4-1:7
De apostel heeft in het vorige hoofdstuk zijne bediening geroemd, ter wille van de uitnemendheid der heerlijkheid van het Evangelie, waarvan hij een bedienaar was, en in dit hoofdstuk is zijn doel hun bediening te verdedigen tegen de beschuldiging van valse leraren, welke hen aanklaagden als bedrieglijke arbeiders, en poogden de zielen der mensen tegen hen in te nemen door op hun lijden te wijzen. Hij zegt hun daarom, hoe zij geloofden en hoe zij hun waarde toonden voor hun dienst als predikers van het Evangelie. Zij waren niet van hoogmoed opgeblazen, maar aangespoord tot groten ijver. Dewijl wij deze bediening hebben, zo onderscheiden en verwaardigd zijn, rekenen we niet op ons zelven, en gaan niet onder in ledigheid, maar worden aangevuurd tot steeds beter vervulling van onze roeping.
I. Van twee dingen in het algemeen wordt ons hier mededeling gedaan. Hun volharding en hun oprechtheid in hun werk, waaromtrent we het volgende opmerken.
1. Hun volharding en doorzettendheid in hun werk. Wij vertragen niet, vers 1, onder de moeilijkheid van het werk, en zien er niet van af. En deze volharding dankten ze aan de barmhartigheid Gods. Van dezelfde barmhartigheid en genade, van welke zij het apostelschap ontvingen, Romeinen 1:5, verkregen zij kracht om te volharden in het werk van die bediening. Het is grote barmhartigheid en genade om geroepen te worden om heiligen te zijn, en voornamelijk om getrouw geacht en in de bediening gesteld te worden, 1 Timotheus 1:12, maar even zoveel dank is men verschuldigd aan de barmhartigheid en genade Gods, indien wij getrouw mogen blijven en met ijver volharden in ons werk. De beste mensen ter wereld zouden verslappen in hun werk en onder zijn last bezwijken, zo zij geen barmhartigheid van God ontvingen. Door de genade Gods ben ik dat ik ben, zei deze grote apostel in zijn eersten brief aan deze Corinthiërs, Hoofdstuk 15:10. En op deze barmhartigheid, die ons uitgeholpen en tot hiertoe door geholpen heeft, mogen wij blijven rekenen, dat ze ons ten einde toe helpen zal.
2. Hun oprechtheid in hun werk wordt in verscheidene uitdrukkingen betuigd, vers 2. Wij hebben verworpen de bedekselen der schande. De schandelijke dingen zijn bedekte dingen, zij kunnen het licht niet verdragen, en zij, die ze bedrijven, schamen er zich voor, of behoren er zich voor te schamen, vooral zo ze ontdekt worden. Tot zulke dingen nam de apostel geen toevlucht, maar hij vermeed en verwierp ze met verontwaardiging. Niet wandelende in arglistigheid, of in vermomming handelende met slim overleg, maar in groten eenvoud en met open vrijmoedigheid. Zij hadden geen lage en boze bedoelingen, bedekt met schone en buitengemene voorwendsels van enig goeds. Ook vervalsten zij het Woord Gods niet, maar zoals hij vroeger reeds gezegd had, zij gebruikten grote vrijmoedigheid of duidelijkheid in het spreken, en maakten hun bediening niet dienstbaar aan draaierij of lage bedoelingen. Zij hadden de mensen niet met leugens in plaats van waarheid bedrogen. Sommigen denken dat de apostel hier zinspeelt op de kunsten, die valse spelers gebruiken, of op de streken van handelaars op de markt, die slechte en goede waren dooreenmengen. De apostelen handelden niet gelijk zulke mensen, maar zij maakten door openbaring der waarheid zich zelven aangenaam bij alle gewetens der mensen, hun niets mededelende dan wat zij in hun eigen geweten geloofden de waarheid te zijn, en wat dienen kon tot overtuiging van de gewetens hunner hoorders, die voor zich zelven oordelen en zich zelven rekenschap geven moesten. En dat alles deden zij als in de tegenwoordigheid Gods, begerig om zich daardoor Gode aangenaam te maken, zowel als aan de gewetens der mensen, door ongeveinsde oprechtheid. Een standvastige belijdenis van de waarheden des Evangelies zal dienaren en gemeente aangenaam maken, oprechtheid en zuiverheid zullen iemands goeden naam bewaren, en de goede mening van wijze en goede mensen bevestigen.
II. Een tegenwerping wordt uit den weg geruimd, welke men aldus kan omschrijven: Indien dat waar is, hoe komt het dan dat het Evangelie bedekt is en onvruchtbaar blijkt te zijn bij sommigen, die het horen? Daarop antwoordt de apostel door aan te tonen, dat dit niet de schuld is van het Evangelie of van zijn verkondigers. De ware oorzaken zijn de volgende.
1. Het zijn degenen, die verloren gaan, voor welken het Evangelie bedekt of onvruchtbaar is, vers 3. Christus is gekomen om zalig te maken wat verloren was, Mattheus 18:11, en het Evangelie van Christus is gezonden om dezulken te behouden, en indien dat hen niet vindt en behoudt, dan zijn ze voor eeuwig verloren, zij kunnen van niets anders behoudenis verwachten, want er is geen andere weg of middel ter zaligheid. Het bedekt zijn van het Evangelie is daarom voor de zielen zowel teken als oorzaak van hun verloren gaan.
2. De god dezer eeuw heeft hun zinnen verblind, vers 4. Zij zijn onder den invloed en de macht van den duivel, die hier genoemd wordt de god dezer eeuw en elders de overste dezer wereld, omdat hij zo groot aandeel heeft in deze wereld, en hem door de menigten dezer wereld zoveel eer bewezen wordt, en hij door goddelijke toelating zoveel heerschappij in de wereld uitoefent, in de harten van zijn onderdanen, of liever: slaven. En aangezien hij de vorst der duisternis is en de duisternis over deze wereld brengt, verduistert hij het verstand der mensen, bevordert hun vooroordelen en vindt er zijn belang bij hen in de duisternis te houden, daarom verblindt hij hun zinnen met onwetendheid, dwaling, vooringenomenheid, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van Christus, die het beeld Gods is. Merk op:
A. Het doel van Christus met Zijn Evangelie is aan de zielen der mensen een heerlijke openbaring van God te geven. Dus, als het evenbeeld Gods, toont Hij de macht en de wijsheid Gods, en Zijn barmhartigheid en genade voor hun redding. Maar:
B. Het doel van den duivel is de mensen in onwetendheid te houden, en nu hij het licht van het Evangelie niet buiten de wereld houden kan, maakt hij er zijn voornaamste werk van om het buiten de harten der mensen te houden.
III. Een bewijs van hun oprechtheid wordt gegeven, vers 5. Zij beijverden zich Christus te prediken, en niet zich zelven. Wij prediken niet ons zelven. Hij zelf was niet de inhoud of het doel van des apostels prediking, zij gaven niet hun eigen inzichten en opvattingen, of hun hartstochten en vooroordelen, maar het woord en den wil van God, ook zochten zij niet zich zelven of de bevordering van hun eigen belang en roem, maar zij predikten Jezus Christus den Heere, en dit betaamde hun als dienaren van Christus. Hun werk was hun Meester aan de wereld bekend te maken als den Messias, of Christus Gods, en als Jezus, den enigen Zaligmaker der mensen en den enigen rechtmatigen Heere, en Zijn eer en heerlijkheid te bevorderen. Alle christelijke leerstellingen vinden hun middelpunt in Christus, en al wat wij te prediken hebben is de verkondiging van Christus. En van ons zelven, zegt de apostel, prediken, of verklaren, wij dat wij uwe dienaars zijn om Jezus wil. Dat was geen beleefdheidsvorm, maar de oprechte erkenning van de bereidheid om hun zielen goed te doen en te helpen aan hun geestelijk en eeuwig heil, en dat om Jezus wil, niet om hun eigen wil en tot hun eigen voordeel, maar om Christus wil, opdat zij Zijn voorbeeld mochten volgen en Zijne heerlijkheid vergroten. Dienaren mogen niet hoogmoedig van hart zijn, als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, zij zijn dienaren van de zielen der mensen, ook terzelfder tijd, dat ze moeten vermijden de laagheid van geest om dienaren te worden van de grillen en begeerten der mensen, want zo zij zochten den mensen te behagen, zo zouden zij geen dienstknechten van Christus zijn, Galaten 1:10. En daarvoor bestond goede reden.
1. Omdat zij Christus moesten prediken. Want door het licht des Evangelies hebben wij de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus, vers 6. En het licht van deze Zon der gerechtigheid is schitterender dan het licht, hetwelk God gezegd heeft, dat uit de duisternis zou schijnen. Het is heerlijk voor het oog om den zon aan den hemel te aanschouwen, maar het is nog veel heerlijker en voordeliger wanneer het Evangelie onze harten beschijnt. Gelijk het licht de eerstgeborene van de eerste schepping was, zo is het ook in de nieuwe schepping, de verlichting van den Geest is Zijn eerste werk in onze ziel. De genade Gods schept zulk een licht in de ziel, dat zij die eertijds duisternis waren, nu licht zijn in den Heere, Efeze 5:8. Zij zouden niet zich zelven prediken, omdat zij slechts aarden vaten waren, dingen van weinig of geen waarde. Hier kan men een vergelijking vermoeden met de toortsen, welke Gideons krijgers in aarden kruiken droegen, Richteren 7:16. De schat van het licht en de genade des Evangelies wordt ons gebracht in aarden vaten. De dienaren des Evangelies zijn zwakke, broze schepselen, en onderworpen aan dezelfde driften en onvolkomenheden als andere mensen, zij zijn sterflijk en worden welhaast verbroken. En God heeft het zo verordend, dat hoe zwakker de vaten zijn, des te sterker kan Zijne macht er in geopenbaard worden, opdat des te meer de schat zelf zou gewaardeerd worden. Er is een uitnemendheid van macht in het Evangelie van Christus, om de zielen te verlichten en de gewetens te overtuigen, de geesten te bekeren en de harten te verheugen, maar van al deze macht is God de werkmeester, en niet de mensen, die zijn slechts werktuigen, zodat God in alles verheerlijkt moet worden.