2 Corinthiërs 3:12-18
In deze verzen geeft de apostel twee uitweidingen van hetgeen hij over het Oude en het Nieuwe Testament gezegd heeft.
I. Betreffende den plicht van de bedienaren des Evangelies om met grote vrijmoedigheid en duidelijkheid te spreken. Zij mogen niet gelijk Mozes, een deksel (sluier) op hun aangezichten leggen en de dingen onduidelijk en duister maken, die ze verklaren moeten. Het Evangelie is een duidelijker bedeling dan de wet, de dingen Gods zijn in het Nieuwe Testament geopenbaard niet in typen en schaduwen, en de dienaren zijn zeer te berispen indien zij de geestelijke dingen, de waarheid en genade des Evangelies niet in het helderst-mogelijke licht plaatsen. Ofschoon de Israëlieten niet sterk zouden zien op het einde van hetgeen teniet gedaan werd, mogen wij dat wèl. Wij mogen de bedoeling van die typen en schaduwen in de vervulling zien, wij mogen zien dat de sluier afgenomen is, in Christus, nu Hij gekomen is als de vervulling der wet tot rechtvaardigmaking van allen die geloven, en van wie Mozes en al de profeten schreven en naar wie zij heen wezen.
II. Betreffende het voorrecht en voordeel van hen, die zich in het Evangelie verheugen mogen boven hen, die onder de wet leefden. Want:
1. Werden hun, die onder de bediening der wet leefden, de zinnen verhard, vers 14, en er lag een deksel op hun hart, vers 15. Zo was het vroeger, en zo was het voornamelijk bij hen, die in het Jodendom bleven nadat de Messias gekomen was en Zijn Evangelie verkondigen liet. Evenwel, de apostel deelt ons mede dat er een tijd komt, dat het deksel wordt weggenomen, vers 16, wanneer het (het volk in zijn geheel) tot den Heere zal bekeerd zijn. Ook wanneer iemand tot God bekeerd wordt, dan wordt de sluier van onwetendheid weggenomen, de blindheid der ziel en de hardheid van hart worden genezen.
2. De toestand van hen, die het Evangelie mogen geloven en zich daarin verheugen, is veel gelukkiger. Want:
A. Zij hebben vrijheid. Waar de Geest des Heeren is, en waar Hij werkt gelijk Hij doet onder de bedeling des Evangelies, daar is vrijheid, vers 17, vrijheid van het juk der ceremoniële wet en van de bediening der verdoemenis, vrijheid om tot God te naderen en Hem aan te roepen in gebed. Het hart is in vrijheid gesteld en verwijd, om in den weg van Gods geboden te lopen.
B. Zij hebben licht, want met ongedekten aangezichte aanschouwen zij de heerlijkheid des Heeren, vers 18. De Israëlieten zagen de heerlijkheid des Heeren in een wolk, die donker en verschrikkelijk was, maar de Christenen zien de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel, meer helder en vertroostend. Het was het bijzonder voorrecht van Mozes met God van aangezicht tot aangezicht te mogen spreken als een man met zijn vriend, maar nu zien alle Christenen Hem met ongedekten aangezichte.
3. Dit licht en deze vrijheid veranderen ons. Wij worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, vers 18, van de ene trap van verheerlijkende genade tot de andere, tot de genade voor eeuwig in heerlijkheid zal zijn overgegaan. Hoe hoog behoren de Christenen deze voorrechten te waarderen en te loven! Wij mogen niet tevreden zijn zonder proefondervindelijke kennis van de ons-veranderende heerlijkheid van het Evangelie, door de werking des Geestes, welke ons brengt in de gedaante, waartoe het heerlijk Evangelie van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus ons gegeven is.