2 Corinthiërs 1:7-11
In deze verzen spreekt de apostel tot bemoediging en stichting van de Corinthiërs, en zegt hun, vers 7, zijn overtuiging of vaste hoop, dat zij zegen ontvangen zullen door de moeiten, die hij en zijn medearbeiders in hun arbeid ontmoet hadden, dat hun geloof niet verzwakt maar hun vertroosting vergroot zou worden. Achtereenvolgens deelt hij hun mede:
1. Welke verdrukkingen het geweest zijn, vers 8. Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetend zijt van onze verdrukkingen. Het was nuttig voor de gemeenten te weten welke verdrukkingen haar dienaren overkwamen. Het is niet zeker op welke verdrukkingen in Azië hij hier doelt, hetzij het oproer door Demetrius te Efeze verwekt, Handelingen 19, hetzij het gevecht met de wilde beesten te Efeze, waarvan in den vorigen brief gewag gemaakt is, Hoofdstuk 15, of andere verdrukkingen, want de apostelen waren dikwijls in doodsgevaar. Dit is echter duidelijk: deze verdrukkingen waren zeer groot. Zij waren uitnemend zeer bezwaard, tot zeer buitengewone hoogte, boven de gewone macht van mensen, of van gewone Christenen, om te dragen, zodat zij zeer in twijfel waren ook van het leven, vers 8, en dachten dat zij zouden vermoord worden, of er onder bezwijken.
2. Wat zij deden in hun droefenissen: Zij vertrouwden op God. En zij werden tot dit uiterste gebracht opdat zij niet op zich zelven vertrouwen zouden maar op God, vers 9. Merk op: God brengt Zijn volk dikwijls in grote benauwdheid, opdat het zijn eigen onmacht om zich zelven te helpen zal leren inzien en er toe gebracht worden in al zijn onmacht op Zijn algenoegzaamheid zijn hoop en vertrouwen te vestigen. Onze hoogste nood is Gods beste gelegenheid. Op den berg des Heeren zal het voorzien worden, en wij mogen veilig vertrouwen op God, die de doden levend maakt, vers 9. Het levend maken der doden is een bewijs van Gods almacht. Hij, die dit doen kan, kan alles doen, en is waard in alle omstandigheden vertrouwd te worden. Abrahams geloof grondde zich op dit bewijs van de goddelijke almacht.
Hij heeft geloofd in God, die de doden levend maakt, Romeinen 4:17. Zelfs wanneer we zo in de diepte gebracht zijn, dat we moeten wanhopen aan het leven, mogen we op God vertrouwen, die ons terugbrengen kan niet alleen van voor de poorten, maar van uit de klauwen des doods.
3. Welke de verlossing was, die zij verkregen hadden, en hoe tijdig en bestendig die was. Hun hoop en vertrouwen waren niet vergeefs geweest, nooit wordt iemand beschaamd, die op Hem vertrouwt. God had hen verlost, en zal hen nog verlossen, vers 10. Hulpe verkregen hebbende van God, stonden ze tot op dien dag, Handelingen 26:22.
4. Welk gebruik zij maakten van hun verlossing. Wij hopen op Hem, dat Hij ons nog verlossen zal, vers 10, dat God hen eindelijk verlossen zal en bewaren tot Zijn hemels koninkrijk. Vroegere ondervindingen zijn grote aanmoedigingen van geloof en hoop, en zij leggen grote verplichting op om God ook in de toekomst te vertrouwen. Wij loochenen onze ondervindingen wanneer wij God in aanstaande moeilijkheden wantrouwen, die ons uit vroegere bezwaren gered heeft. David, toen hij nog een jong man was en nog slechts weinig ondervonden had, spreekt op dezelfde wijze als Paulus hier, 1 Samuël 17:37.
5. Wat hij naar aanleiding hiervan begeerde van de Corinthiërs: Alzo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed, vers 11, door gemeenschappelijk gebed, samen overeenstemmende in de voorbede. Ons vertrouwen op God moet ons niet enig van de natuurlijke en aangewezen middelen doen verwaarlozen, en het gebed is een daarvan. Wij moeten bidden voor ons zelven en voor anderen. De apostel zelf had vrijen toegang tot den troon der genade, maar toch begeerde hij de hulp der gebeden van anderen. Indien wij elkaar helpen met onze gebeden, mogen wij hopen op een gelegenheid voor dankzegging door velen, voor de verhoring. En het is onze plicht elkaar te helpen niet alleen in het bidden, maar ook in den prijs en de dankzegging, en daardoor vergelding te doen voor ontvangen weldaden.