10. Die dan ook werkelijk ons uit zo'n grote dood, als ons reeds had omvangen, verlost heeft en nog verlost (deze laatste woorden ontbreken in enige handschriften), waarop wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal, zolang het nodig is, dat wij in het vlees blijven (
Filippenzen 1:24).
Paulus stelt op de voorgrond een bepaalde gebeurtenis, die zonder twijfel nog pas had plaats gehad, een voorval uit zijn lijden, dat hij zeker wel bijzonder op het oog had bij hetgeen hij vroeger schreef (vgl. het "want" bij de aanvang van Vers 8), "wij willen niet, broeders, dat u onwetend bent. " Om de bijzondere grootheid van zijn lijden bij die gebeurtenis aan de hand te geven, worstelt hij bijna met de taal en hoopt hij de sterkste uitdrukkingen opeen. Toch kan de gebeurtenis, waarop hij het oog heeft, moeilijk worden aangegeven. Op de strijd, in 1 Corinthiërs 16:9 vermeld, een strijd met zijn tegenstanders te Efeze, kunnen de woorden niet zien, want dat kon de lezers niet als iets nieuws worden aangekondigd.
Ook kan niet gedacht worden aan de oploop van Demetrius te Efeze (Handelingen 19:23), waarnaar de uitleggers veelal verwijzen, omdat Paulus toen niet in persoonlijk gevaar was. En als anderen aan een zware ziekte denken, staat daar tegenover, dat het volgens Vers 5 een lijden van Christus moet geweest zijn, het voorgevallene ook niet alleen de apostel zelf, maar tevens Timotheus heeft getroffen, omdat hij in het meervoud daarvan spreekt.
De plaatsbepaling "in Azië" doet aan een andere gebeurtenis dan die te Efeze denken; waarvan aard die geweest is, kan wellicht worden afgeleid uit hetgeen Paulus daarover zegt. Bovenmate zwaar noemt hij het gewicht van het lijden, waardoor hij getroffen is, zo zwaar, dat het boven hun vermogen was daaronder staande te blijven en zij niet wisten, hoe zij hun leven zouden behouden. Als zij nu op de vraag, wat er van hen zou worden, geen ander antwoord hadden, dan dat van de dood sprak, moest dit, zoals de apostel verder opmerkt, daartoe dienen, dat zij, zoals zij dan ook doen, hun vertrouwen niet op zichzelf stelden, maar op die God, die de doden opwekt. Het lijden moet dus een zodanig zijn geweest, waarbij de dood hun voor ogen stond, zonder dat enig middel of enige mogelijkheid zich aan hen aanbood, om zichzelf te redden, dat met Handelingen 19:30 moeilijk zou zijn te verenigen. Wanneer ten slotte de apostel hun redding een redding noemt van "zo'n grote dood" en de hoop uitspreekt dat God hen ook verder van zo'n dood zou redden, dan past dat op generlei gevaar, dat hun van de kant van de mensen kon dreigen, want door de hand van de vijanden te sterven, kon voor hen geen bijzonder verschrikkelijke dood zijn. Hij was toch zoals hij in Hoofdstuk 11:25 zegt, reeds eenmaal gestenigd en voor dood blijven liggen. Daarentegen denkt hij juist daar aan een doodsgevaar, waarin het hun inderdaad verschrikkelijk zou geweest zijn om te komen; "dag en nacht heb ik in de diepte van de zee doorgebracht" lezen wij daar en wij krijgen daardoor de voorstelling, dat hij eenmaal (waarschijnlijk op zijn reis van Efeze naar Troas, Handelingen 20:1), ten gevolge van een schipbreuk, een dag en nacht lang zonder hoop op het leven en zonder alle mogelijkheid om zichzelf te helpen, een speelbal van de golven is geweest, altijd in gevaar, door deze te worden verslonden. Zou hij door een ongeluk, dat God zelf over hem had beschikt zo'n wrede dood sterven, die niet, als wanneer hij als bloedgetuige van Christus stierf, voor de heilige zaak, voor welke hij leefde, iets uitwerkte? Als hij op grond van de ervaring, die hij in de laatste tijd had gehad, voor de toekomst zich van datzelfde verzekerd hield, zodat hij zijn hoop blijvend daarop heeft gevestigd, dan doet hij het met het oog daarop, dat volgens zijn reisplannen (Handelingen 19:21. Romeinen 15:24 v.) hem herhaaldelijk zeereizen wachtten, van Corinthiërs naar Judea, vandaar naar Rome en van Rome naar Spanje. Daarbij vestigt hij zijn hoop op God, dat die hem niet in de golven van de zee de dood zal laten vinden, terwijl hij op weg is zijn verheven roeping te vervullen, maar dat die hem uit zo'n gevaar niet minder zal redden, dan Hij hem in Azië zo tegen alle hoop gered heeft (en zo'n verwachting is dan werkelijk vervuld in Handelingen 27:9,. De plaatsbepaling "in Azië" kan ons van onze overigens over het geheel bevestigde voorstelling, waarvan aard dat levensgevaar geweest is, niet afbrengen, omdat het niet nodig was de plaats nauwkeurig aan te wijzen, waar hem dat lijden getroffen had, maar alleen het land genoemd hoefde te worden, waar hij, toen hij reeds op het punt stond het te verlaten, nog zo'n doodsgevaar moest ondervinden.